Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU5517

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/921 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr. AWB 05/921 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op een aanvraag van eiser voor een voorrangsverklaring op grond van de Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 1996.

Bij brief gedateerd 26 november 2004 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 14 januari 2005 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Bij brief gedateerd 11 februari 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2005.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 25 augustus ter zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.H. Trapman.

Motivering

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Eiser heeft in beroep gesteld dat hij het primaire besluit van 14 oktober 2004 eerst ongeveer drie weken daarna heeft ontvangen. In zijn brief van 22 december 2004 heeft eiser dit reeds aan verweerder bericht. Aangezien eiser geen woning heeft en hij bij niemand inwoont, heeft hij een postadres. Het adres van eiser is volgens hem een adres van de gemeente [plaats], Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, welk adres ook door anderen wordt gebruikt in verband met een uitkering. Soms ontvangt hij post van een andere uitkeringsgerechtigde en zo zou het hebben kunnen gebeuren dat het primaire besluit eerst aan een ander dan eiser is meegegeven.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat het adres [adres] een adres is van de gemeentelijke Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door thuis- en daklozen als postadres kan worden gekozen. Post die ontvangen wordt op het adres [adres] wordt doorgezonden naar het stadhuis in [plaats], waar degenen die genoemd adres mogen gebruiken dagelijks kunnen langskomen om hun uitkering en hun post op te halen. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering. Op het stadhuis kan hij zijn uitkering en zijn post ophalen.

De rechtbank is niet gebleken van een verzendregistratie bij verweerder.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de brief van 14 oktober 2004 eerst veel later heeft ontvangen. Hetgeen eiser heeft gesteld, levert naar het oordeel van de rechtbank geen geloofwaardige ontkenning op van de tijdige ontvangst door hem van het primaire besluit aangezien hij dagelijks bij het stadhuis langs kon gaan om zijn post op te halen en de rechtbank niet is gebleken van structurele problemen bij het uitdelen van de post op het stadhuis. Het komt derhalve voor rekening en risico van eiser dat hij de brief van 14 oktober 2004 eerst ongeveer drie weken later heeft afgehaald. De stelling van eiser dat zijn post aan iemand anders zou zijn meegegeven komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Vast staat immers dat eiser het besluit van 14 oktober 2004 wel heeft ontvangen. Dit zou impliceren dat een andere gebruiker van het postadres het besluit gedurende drie weken bij zich zou hebben gehouden, alvorens deze te retourneren bij het postadres. De rechtbank acht dit onwaarschijnlijk.

Bovenstaande betekent dat er van moet worden uitgegaan dat het besluit door de verzending ervan aan eiser op 14 oktober 2004 op juiste wijze aan hem is bekendgemaakt, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is begonnen op 15 oktober 2004. De laatste dag van de termijn was 25 november 2004.

Verweerder heeft een kopie van het bezwaarschrift van eiser gedateerd 26 november 2004 en de bijbehorende envelop met het poststempel van TPG Post overgelegd. De poststempel is gedateerd 10 december 2004, dat wil zeggen niet voor het einde van de termijn.

Eiser heeft aangevoerd, zoals ook aangegeven in zijn brief van 22 december 2004 aan verweerder, dat hij op 10 december 2004 zijn bezwaarschrift voor de tweede keer ter post heeft bezorgd, omdat hij op zijn eerste brief, ter post bezorgd op 26 november 2004, geen reactie van verweerder had ontvangen. De rechtbank heeft in de stukken geen aanknopingspunten gevonden die aannemelijk maken dat eiser zijn bezwaarschrift reeds op 26 november 2004 ter post heeft bezorgd. Zelfs indien aangenomen zou worden dat eiser zijn brief op die datum heeft gepost dan moet worden vastgesteld dat ook deze ter post bezorging door eiser na afloop van de bezwaartermijn heeft plaatsgevonden.

Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijk-verklaring. Overigens valt niet in te zien dat eiser, uitgaande van de ontvangst van het primaire besluit ongeveer drie weken na 14 oktober 2004, niet voor het einde van de termijn op 25 november 2004 en alsdan nog tijdig een formeel bezwaarschrift tegen dat besluit had kunnen indienen.

Bij de rechtsmiddelvermelding in het primaire besluit is weliswaar een foutief postadres vermeld (postbus [...] in plaats van [...] en verweerder kan op dit punt een verwijt worden gemaakt) doch dit is voor het onderhavige beroep niet relevant aangezien in deze kwestie aan de datum van de ter post bezorging van het bezwaarschrift door eiser, en niet aan de ontvangst van het bezwaar door verweerder, doorslaggevende betekenis toekomt.

Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten overvloede vermeldt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eiser te allen tijde een nieuwe aanvraag bij verweerder kan indienen.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Tempel-van den Bout.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: