Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU5203

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
AWB 04/3375 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/3375 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser en zijn echtgenote [echtgenote] ontvingen van verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw).

Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft verweerder het recht op uitkering voor wat betreft de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 ingetrokken en de ten onrechte of te veel ontvangen bijstand over deze periode ten bedrage van € 22.124,88 teruggevorderd.

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 augustus 2004, ingekomen bij deze rechtbank op 6 augustus 2004, beroep ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 1 september 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 28 september 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is niet ter zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.G.M. van Haastert.

Tussenbeslissing

Eisers raadsman heeft aan het begin van de zitting om schorsing van het onderzoek gevraagd, omdat eiser in het ziekenhuis zou zijn opgenomen. Volgens de raadsman had eiser de zitting graag zelf willen bijwonen. Het verzoek van de raadsman is ter zitting afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser, nu de raadsman wel ter zitting aanwezig was, en hij de standpunten van eiser heeft bepleit, niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is mede van belang dat van eisers standpunten genoegzaam uit de stukken is gebleken.

Oordeel van de rechtbank

Beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit, waarbij verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 heeft ingetrokken en de teveel ontvangen uitkering volledig van hem heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden.

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient in het onderhavige geval, nu het bezwaarschrift vóór de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Abw, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw, wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.

Eiser heeft betwist dat hij in de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 in de avond- en nachtdienst bij het bedrijf [bedrijf] te [plaats] heeft gewerkt. Eiser is weliswaar op advies van een Koerdische man die hij in snackbar [snackbar] te [plaats] had ontmoet, een dag in deze matrassenfabriek geweest om te kijken of hij het werk aankon, maar het bleek voor hem een te zware belasting. Daarnaast heeft eiser de inhoud van de verklaringen van de heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] betwist.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van de getuigenverklaringen en observaties die zijn opgenomen in de rapportage van de hoofdafdeling Welzijn, Bijzonder Onderzoek voldoende aannemelijk acht dat eiser van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [bedrijf], die hij niet bij verweerder heeft opgegeven.

De rechtbank kent met name gewicht toe aan de verklaringen van de heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] die in het kader van het onderzoek als getuigen zijn gehoord.

De heer [getuige 1], die voor [bedrijf] personeel inleende via [bedrijf 1], heeft over eiser verklaard dat hij regelmatig heeft gewerkt, hetgeen blijkens het proces verbaal van 13 november 2001 inhoudt dat hij 70% van de feitelijke periode van mei 1999 tot en met december 2000 moet hebben gewerkt. Bovendien zou eiser een aardige, slimme man zijn, die door zijn collega's anders werd genoemd dan [eiser].

De heren [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] die ook bij [bedrijf] hebben gewerkt hebben respectievelijk over eiser het volgende verklaard.

[getuige 2]:

"Deze man ken ik wel. Ik kan over hem het volgende verklaren. Dat is [alias eiser], Hij woont op de [adres] te [plaats] in de flat van [getuige 3]. Hij werkte in de avond- en nachtdienst in de periode van mei/juni 1999 tot en met oktober/november 2000. Hij kwam altijd op de verzamelplaats bij station "[station]", om opgehaald te worden om te gaan werken."

[getuige 3]:

"Deze man ken ik. Dit is mijn buurman [alias eiser].Hij woont op de [adres] te [plaats]. Hij werkte ook via [bedrijf 1]"

[getuige 4]:

"Deze man ken ik wel. Ik kan over hem het volgende verklaren: Hij heet [alias eiser] en hij woont te [plaats]. Hij heeft wel voor "[bedrijf 1]" bij "[bedrijf]" te [plaats] gewerkt in de periode van mei/juni 1999 tot en met ongeveer eind 2000. Hij is begonnen in de ochtenddienst en hij is later met de andere [stadsgenoten] die daar werkten in de avonddienst gaan werken. Hij ging vanaf station "[station]" mee. Hij is aan het einde een paar maanden niet geweest, omdat hij bang was voor controle."

[getuige 5]:

"Deze man ken ik wel. Ik kan over hem het volgende verklaren. Dat is [alias eiser]. Hij woont op de [adres] in de flat van [getuige 3]. Hij werkte in de nachtdienst vanaf het begin in 1999. Hij kwam altijd op de verzamelplaats bij station "[station]", om opgehaald te worden om te gaan werken.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank eisers verklaring dat hij slechts één maal bij [bedrijf] is geweest niet aannemelijk. Eiser heeft de afgelegde verklaringen weliswaar betwist, maar de blote ontkenning dat hij met uitzondering van één dag niet bij [bedrijf] heeft gewerkt is onvoldoende om de hiervoor genoemde verklaringen opzij te zetten. Daarvoor zijn deze verklaringen te eensluidend en gedetailleerd. Dat [getuige 1] geen loonadministratie heeft bijgehouden doet, anders dan eiser heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van diens verklaring.

Eiser heeft in beroep een aantal getuigenverklaringen overgelegd, die er qua inhoud op neerkomen dat een aantal getuigen feitelijk teruggekomen zijn van de verklaringen die zij tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Dit leidt de rechtbank echter niet tot een ander oordeel. Wordt een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door betrokkene ondertekende verklaring herroepen, dan mag ingevolge vaste jurisprudentie in het algemeen van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking of wijziging daarvan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De rechtbank ziet in dit geval geen aanknopingspunten om van die hoofdregel af te wijken. Niet gebleken is dat de door de genoemde getuigen ondertekende verklaringen onder ontoelaatbare druk tot stand zijn gekomen of dat in essentie niet juist is weergeven wat zij hebben verklaard.

Eiser heeft betoogd dat hij niet onder de naam [eiser] op de lijst van de anonieme tipgever voorkomt. Vastgesteld moet echter worden dat hij wel onder de naam [alias 2 eiser] in combinatie met zijn woonadres [adres] te [plaats] op deze lijst wordt vermeld. Volgens het in het dossier aanwezige meldingsformulier Regeling Opvang Asielzoekers van 13 december 1993 stond eiser aanvankelijk onder deze naam bij verweerder te boek.

Eiser heeft aangevoerd dat hij in de resultaten van de in de periode van oktober en november 2000 uitgevoerde observaties niet wordt genoemd en dat hem derhalve onduidelijk is hoe verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser vanaf 1 juli 1999 zou hebben gewerkt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de observaties geen doorslaggevende rol hebben gespeeld, maar dat de hiervoor genoemde getuigenverklaringen veel zwaarder hebben gewogen bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Op basis van deze verklaringen heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser ten tijde van belang bij [bedrijf] in [plaats] heeft gewerkt. Van deze werkzaamheden noch van de inkomsten daaruit heeft eiser melding gemaakt op de daarvoor bestemde maandelijkse inkomstenverklaringen. Hiermee heeft eiser in strijd gehandeld met de op hem ingevolge artikel 65 van de Abw rustende inlichtingenplicht. Nu eiser heeft volhard in zijn ontkenning inkomsten uit arbeid te hebben verworven en van de kant van de werkgever geen objectieve en controleerbare gegevens voorhanden zijn op grond waarvan de exacte hoogte van de inkomsten is vast te stellen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet langer kon worden vastgesteld of en in welke mate eiser en zijn echtgenote ten tijde van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden zoals bedoeld in artikel 7 van de Abw. Het voorgaande betekent dat eiser en zijn echtgenote in de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 november 2000 geen recht op bijstand hadden. De aan hen in die periode uitbetaalde bijstand hebben zij derhalve ten onrechte ontvangen.

Gelet hierop, was verweerder ingevolge artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, alsmede artikel 81, eerste lid, van de Abw, gehouden het recht op bijstand in te trekken en de als gevolg van dat besluit ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand van eiser en zijn echtgenote terug te vorderen.

Met betrekking tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2001 (RSV 2001, 241), dat nu eiser tekort is geschoten in zijn wettelijke verplichting juiste en volledige inlichtingen te verstrekken, verweerder in beginsel gerechtigd was de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het lag op de weg van eiser aan te tonen dat aan hem, indien hij zijn inlichtingenplicht wel zou zijn nagekomen, in de betrokken periode (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt. Eiser heeft echter niets in die zin gesteld noch is anderszins gebleken dat daarvan sprake zou zijn geweest.

De rechtbank is niet gebleken dat het terugvorderingsbedrag onjuist zou zijn berekend of dat dringende redenen verweerder hadden moeten bewegen geheel of gedeeltelijk van intrekking van het toekenningsbesluit en terugvordering af te zien.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond .

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: