Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4841

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2005
Datum publicatie
24-10-2005
Zaaknummer
09/757294-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[……]Na de sluiting van het onderzoek is tijdens de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank acht zich, mede in aanmerking nemende de aard en de ernst van de telastgelegde feiten, niet voldoende ingelicht omtrent de persoon van de verdachte en acht het noodzakelijk dat alsnog over hem wordt gerapporteerd.

Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst.

De stukken zullen in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, worden gesteld, opdat:

- de verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid van verdachte, verdachtes geestvermogens, de mate waarin de feiten – indien bewezen – hem zijn toe te rekenen en voorts de aan te bevelen straf en/of maatregel, ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek door twee gedragsdeskundigen op de gebruikelijke wijze rapport moet worden uitgebracht;[…....]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(TUSSENVONNIS)

parketnummer 09/757294-05

's-Gravenhage, 24 oktober 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [inrichting]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 oktober 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr A. Steutel, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich drie benadeelde partijen gevoegd.

Primair heeft de officier van justitie mr. Degeling gevorderd dat de zaak zal worden aangehouden dan wel na sluiting zal worden heropend opdat verdachte alsnog zal worden geobserveerd in het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder feit 1 eerste en tweede cumulatief, feit 2 eerste en tweede cumulatief telastgelegde wordt vrijgesproken en dat het verdachte bij dagvaarding onder feit 1 derde cumulatief, feit 2 derde cumulatief, feit 3 eerste cumulatief en feit 4 telastgelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte ter zake van die feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij ], [benadeelde partij] en [benadeelde partij].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag:

bij wijze van voorschot groot € 2000,= subsidiair 40 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer],

bij wijze van voorschot groot € 2000,= subsidiair 40 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] en

bij wijze van voorschot groot € 2000,= subsidiair 40 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien er geen melding is gedaan aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (de LEBZ). De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat op basis van artikel 3.1 van de beleidsregels inzake Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, melding had moeten worden gedaan, maar dat ook reeds vanwege de ernst van de zaak melding had moeten worden gedaan.

Wat er ook zij van de stelling van de raadsvrouw dat het verzuim de LEBZ te raadplegen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, verwerpt de rechtbank het verweer reeds om de volgende reden.

Op grond van de bovengenoemde beleidsregels dient de LEBZ te worden geraadpleegd in specifiek omschreven zaken. De LEBZ toetst in die gevallen de geloofwaardigheid van de aangiftes en geeft de officier van justitie hieromtrent een advies. Dit om te voorkomen dat lichtvaardig wordt vervolgd.

Beleidsregel 3.1 bepaalt dat de LEBZ geraadpleegd moet worden indien een aangifte de volgende aspecten vertoont:

- herinneringen van voor de derde verjaardag van de aangever; dat wil zeggen misbruik dat zich afspeelde voor de derde verjaardag en dat de aangever zich als volwassene herinnert.

- hervonden herinneringen; te weten herinneringen die gedurende langere tijd afwezig zijn geweest en daarna worden hervonden, bijvoorbeeld tijdens de behandelingen door hulpverleners.

- ritueel misbruik; te weten met rituelen omgeven en in groepsverband uitgevoerd seksueel sadisme jegens verscheidene kinderen in combinatie met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging.

In casu vertonen de aangiftes geen van de bovengenoemde aspecten, zodat de LEBZ on die reden niet moest worden geraadpleegd. De stelling dat de zaak reeds vanwege zijn ernst aan de LEBZ gemeld had moeten worden, vindt geen steun in het recht.

Voorts heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de aan verdachte onder feit 4 telastgelegde ontucht met [naam] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdenking in deze zaak dateert uit 1998 en verdachte erop mocht vertrouwen dat dit feit niet meer tot een strafrechtelijke vervolging zou leiden. De directeur van 2Samen zou in 1998 door de politie telefonisch zijn medegedeeld dat er niets uit het onderzoek was gekomen en er derhalve geen sprake van een aanklacht was.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Nu het in 1998 tegen verdachte ingestelde onderzoek niet is geëindigd door middel van een sepot en aan verdachte ook anderszins, van de zijde van het openbaar ministerie, geen mededelingen zijn gedaan dat er geen vervolging zou plaatsvinden, mocht verdachte er niet op vertrouwen dat hij niet meer vervolgd zou worden. Het staat het openbaar ministerie derhalve vrij de zaak binnen de verjaringstermijn aan te brengen indien zij daartoe aanleiding ziet.

Concluderend acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.

Na de sluiting van het onderzoek is tijdens de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank acht zich, mede in aanmerking nemende de aard en de ernst van de telastgelegde feiten, niet voldoende ingelicht omtrent de persoon van de verdachte en acht het noodzakelijk dat alsnog over hem wordt gerapporteerd.

Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst.

De stukken zullen in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, worden gesteld, opdat:

- de verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid van verdachte, verdachtes geestvermogens, de mate waarin de feiten – indien bewezen – hem zijn toe te rekenen en voorts de aan te bevelen straf en/of maatregel, ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek door twee gedragsdeskundigen op de gebruikelijke wijze rapport moet worden uitgebracht;

De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid.

Beslissing.

De rechtbank,

heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting binnen 3 maanden na heden;

draagt aan de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, het in dit tussenvonnis omschreven nader onderzoek op en stelt daartoe de stukken in handen van die rechter-commissaris;

beveelt de oproeping van de verdachte, tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting;

beveelt de kennisgeving aan de raadsvrouw van de verdachte van het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting;

beveelt de oproeping van de benadeelde partijen tegen het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting;

Dit tussenvonnis is gewezen door

mrs Geeve, voorzitter,

Höppener en Boone, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2005.