Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4710

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
20-10-2005
Zaaknummer
09/535240-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[.....]Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, gepleegd binnen een jeugdinrichting.[....]Dit slachtoffer is daar vervolgens door verdachte en zijn mededaders in elkaar geslagen en op het hoofd en op de nek getrapt, ook terwijl het slachtoffer al op de grond lag. [.....].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/535240-05

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 20 oktober 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de [Rijksinrichting] te [plaats]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 juli 2005 en 6 oktober 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.B. Braanker, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. P.C. Bruins heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 175 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1152,70, subsidiair 23 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer]]

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding onder subsidiair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

De rechtbank acht het subsidiair telastgelegde strafbare feit, medeplegen van poging zware mishandeling met voorbedachte raad, bewezen.

Ten aanzien van de voorbedachte raad overweegt de rechtbank het volgende.

Eerder op de dag van 27 maart 2005 is het slachtoffer bedreigd door een aantal jongens van de groep [naam groep]. Tijdens het sporten zijn zij voor het raam van de dojo gaan staan en hebben sommigen van hen bedreigende gebaren naar hem gemaakt. Ook sportleraar [sportleraar] heeft deze bedreigingen gezien en vond deze vreemd en anders dan normaal. Ook kort voor het incident, in de kerk, is er sprake van uitlatingen en gedragingen waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat er een plan is om het latere slachtoffer stevig af te tuigen. Al bij binnenkomst en tijdens de dienst positioneren de latere verdachten zich strategisch rondom het latere slachtoffer. Tijdens de dienst wordt een aantal keer gevraagd: "Nu?" waarop door één van de leden van de groep wordt gezegd: "Nee, wacht nog even." Verdachte maakte weliswaar geen deel uit van de groep [naam groep], maar er is verklaard dat hij vervolgens de opmerking "Payback is a bitch" heeft gemaakt, waaruit blijkt dat ook hij het vooropgezet plan had om het slachtoffer af te tuigen. Dominee [dominee] heeft verklaard dat één van de jongens hem bij de dienst heeft gevraagd aan het einde van de dienst te bidden voor payback. [getuige 1] heeft verklaard dat zij tijdens de dienst heeft gehoord dat een jongen zei te willen bidden voor [slachtoffer]. Tevens verklaart zij [medeverdachte E.] te hebben horen zeggen: "Ik ga je hard slaan vriend."

[getuige 2], [getuige 3] en groepsleider [groepsleider] verklaren in algemene zin dat zij het gevoel hadden dat het afgesproken werk was.

Ook de gang van zaken na afloop van het incident duidt naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan. Door verschillende getuigen is waargenomen dat [medeverdachte P.], die naar het oordeel van de rechtbank betrokken is geweest bij het organiseren van de afranseling, maar uiteindelijk niet bij het incident aanwezig was omdat hij bezoek had, na het horen van het alarm op een bankje sprong en uitriep: "Yes, yes!". Ook is door meerdere getuigen verklaard dat [medeverdachte P.], toen hij terugkwam van zijn bezoek, zijn duim opstak naar een medeverdachte en zei: "Lekker voor hem." In de kamer van [getuige 4] zijn brieven aangetroffen afkomstig van verdachte. De inhoud van deze brieven versterkten de overtuiging dat sprake was van een tevoren uitgedacht plan. Tot slot is door [getuige 4] verklaard dat zij na afloop van het incident [medeverdachte E.] en [medeverdachte J. ] heeft horen praten en dat zij beiden zeiden het jammer te vinden dat ze hem niet dood hadden geschopt.

Uit bovenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat sprake is geweest van voorbedachte raad bij de plegers van het feit.

Het verweer dat mogelijk sprake is geweest van een vooropgezet plan bij een deel van de groep maar dat verdachte geen deelgenoot is geweest van dit plan, verwerpt de rechtbank. De bedreiging eerder op de dag jegens het latere slachtoffer door de medeverdachten, het gedrag en de uitlatingen van verdachte en zijn medeverdachten kort voor en tijdens de kerkdienst, maar vooral de opmerking van verdachte, "Payback is a bitch", brengen de rechtbank tot de conclusie dat ook bij deze verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. De bewering van verdachte, dat hij bij het incident aanwezig was slechts met de bedoeling een vriend weg te trekken, wordt door meerdere verklaringen ontkracht en acht de rechtbank derhalve ongeloofwaardig.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, gepleegd binnen een jeugdinrichting. Hij heeft met zijn mededaders bewust toegeleefd naar het moment dat zij bij een kerkdienst in de inrichting hun plan zouden uitvoeren om een van de jongens te grazen te nemen. Dit slachtoffer is daar vervolgens door verdachte en zijn mededaders in elkaar geslagen en op het hoofd en op de nek getrapt, ook terwijl het slachtoffer al op de grond lag. Verdachte heeft zelf het slachtoffer onderuit getrapt en heeft samen met zijn mededaders stoelen naar het slachtoffer gegooid. Het slachtoffer is door hen geschopt en geslagen. Getuigen verklaren verwonderd te zijn dat het slachtoffer nog rechtop de ruimte kon verlaten. Vlak daarna heeft het slachtoffer voor korte tijd het bewustzijn verloren en is hij naar het ziekenhuis vervoerd.

Verdachte en zijn mededaders mogen van geluk spreken dat het slachtoffer de gewelddadige aanval heeft overleefd en dat zijn letsel relatief gering is gebleken. Verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen duidelijk gemaakt geen respect te hebben voor het leven dan wel de lichamelijke integriteit van anderen.

Een dergelijk gewelddadig delict is zeer schokkend geweest voor het slachtoffer, en hij zal, naar aannemelijk is, nog gedurende lange tijd geestelijke en/of lichamelijke gevolgen daarvan ondervinden. Het feit heeft voorts niet alleen bij het slachtoffer enorme schrik teweeggebracht, maar ook in de directe omgeving van de inrichting waar het plaatsvond.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden onder meer reeds eerder is veroordeeld voor diverse geweldsdelicten. Van deze eerdere veroordelingen is kennelijk geen enkele preventieve werking uitgegaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het pro justitia rapport d.d. 9 oktober 2004, opgemaakt en ondertekend door drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog, alsook van de pro justitia rapporten d.d. 10 oktober 2004 en 15 oktober 2004, beide opgemaakt en ondertekend door M.J.M. Reusens, kinder- en jeugdpsychiater. Blijkens deze rapporten is er bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Ernstige affectieve en pedagogische verwaarlozing liggen hieraan ten grondslag. Verdachte kan als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. De kans op een nieuw geweldsdelict is zeer groot. Geadviseerd wordt om verdachte een behandeling op te leggen in een gesloten setting met mogelijkheden voor intensieve behandeling en deze behandeling veilig te stellen door het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het informatieformulier strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 juli 2004, opgemaakt en ondertekend door R. van Winden, raadsonderzoeker strafzaken, en mede ondertekend door A.M.C. Eijken, teamleider, alsook van het voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 12 oktober 2004, opgemaakt en ondertekend door G.S. Bonevacia, reclasseringswerker, en mede ondertekend door A.J.C. de Jong, unitmanager.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en maakt deze tot de hare. Bij de op te leggen straf zal de rechtbank rekening houden met de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ingezette behandeltraject van verdachte in het kader van de eerder opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet dient te worden onderbroken en acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest een passende reactie.

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, wederom teneinde verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], verblijvende in [inrichting], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1152,70.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering hoofdelijk toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1152,70 ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer]]

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder

primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT ZWARE MISHANDELING GEPLEEGD MET VOORBEDACHTE RAAD

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN 175 DAGEN

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 18 april 2005,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 21 april 2005,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van : 7 juli 2005,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 95 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt

verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], verblijvende in [inrichting], een bedrag van € 1152,70, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 1152,70 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 23 dagen.

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, voorzitter,

J.W. Sentrop en S.W.E. de Ruiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coskun, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2005.

Mr. De Ruiter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.