Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4063

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
AWB 04/13027
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / artikel 1F VSV / gelijkheidsbeginsel / vrouw.

Door het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet nader te onderzoeken, heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:2 en 3:46 Awb. Ter ondersteuning van haar standpunt dat partners van 1F-verdachten in de regel een verblijfsvergunning ontvangen heeft eiseres een lijst overgelegd met de namen, functies en veelal woonplaats van ex-KhAD/WAD- medewerkers die geen verblijfsvergunning hebben gekregen, terwijl aan hun vrouw en kinderen wel een vergunning is verleend. De rechtbank oordeelt dat in het kader van het gelijkheidsbeginsel van een belanghebbende niet wordt verlangd aan te tonen dat er sprake is van gelijke gevallen. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel behoeft de belanghebbende het gelijke geval enkel gemotiveerd te stellen. Het is vervolgens aan verweerder om een onderzoek in te stellen naar het mogelijke gelijke geval. Verweerder heeft immers het meeste zicht op op de consistentie van zijn eigen beleid en moet dat bewaken. Dat het instellen van een onderzoek aan de hand van de overgelegde lijst naar eventuele gelijke gevallen niet mogelijk zou zijn is niet gesteld. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 04/13027

Inzake: A, eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen B, C, D en E,

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

--------------------------

I. PROCESVERLOOP

Bij faxbericht van 19 maart 2004 is namens eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 maart 2004. Bij dat besluit heeft verweerder geweigerd eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.

Bij schrijven van 6 april 2004, 18 juni 2004, 21 februari 2005 en 16 maart 2005 heeft eiseres de gronden van haar beroep (nader) kenbaar gemaakt.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft gevoegd met het beroep van de echtgenoot van eiseres, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 04/13025, plaatsgevonden op 31 maart 2005. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. A.K. van de Ven. Als tolk is verschenen de heer S. Rezaie.

De rechtbank heeft vervolgens de beroepszaken weer gesplitst en afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres, geboren op [...] 1961, in het bezit van de Afghaanse nationaliteit en van afkomst Tadjiek, heeft op 15 augustus 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Het asielrelaas van eiseres steunt op dat van haar echtgenoot, F, geboren op [...] 1956 en eveneens van Afghaanse nationaliteit. Mitsdien verwijst de rechtbank voor een zakelijke weergave van de asielmotieven van eiseres naar de uitspraak in de beroepsprocedure van voornoemde echtgenoot, geregistreerd onder procedurenummer AWB 04/13025.

Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag van eiseres artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Volgens verweerder zijn er op grond van de verklaringen van de echtgenoot van eiseres ernstige redenen om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F, onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag, zodat het bepaalde in artikel 1F voornoemd aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de echtgenoot van eiseres op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat. Onder die omstandigheden heeft de echtgenoot van eiseres ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgens verweerder evenmin recht op een verblijfsvergunning op de voet van één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond vormen voor verlening van een verblijfsvergunning op de grond als neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, komt eiseres ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel 3.107 evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan haar voorliggende geschil als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 117, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag om toelating als vluchteling die is ingediend voor inwerkingtreding van de Vw 2000, zijnde 1 april 2001, aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vw 2000. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres van 15 augustus 2000 derhalve terecht aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning kan worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid.

In onderdeel C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is neergelegd dat de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven, andere ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, een bijzondere grond van openbare orde is die leidt tot afwijzing van de asielaanvraag.

Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. (..).

Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

Ingevolge artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 wordt aan de echtgenoot of echtgenote, het minderjarig kind, de partner of het meerderjarig kind, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw 2000, geen verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 verleend, tenzij dit gezinslid aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw 2000 vormen.

De rechtbank overweegt vervolgens als volgt.

Bij uitspraak van heden in de beroepszaak van de echtgenoot van eiseres met het procedurenummer als genoemd in rubriek I heeft de rechtbank, voor zover thans relevant, geoordeeld dat verweerder terecht en op goede gronden aan de echtgenoot van eiseres het bepaalde in artikel 1F, onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen.

Gelet op de redactie van artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000, ligt mitsdien uitsluitend nog ter beoordeling voor of eiseres zelfstandig verblijfsrechten kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000.

Zoals blijkt uit de zienswijze als ook uit de gronden van het beroep en vervolgens ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk is bevestigd, beperkt het geschil in zoverre zich tot de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een vergunning op de verleningsgrond als neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1998-1999, 26 732, nr.3 p.37-38) wordt een verblijfsvergunning verleend op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Ingevolge de genoemde artikelen dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen bij uitzetting een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Ter onderbouwing van haar beroep op de ‘b-grond’ heeft eiseres aangevoerd dat de mensenrechtensituatie van vrouwen, met name van hoger opgeleide vrouwen zoals zijzelf, in Afghanistan deplorabel is. Vrouwen worden niet alleen gediscrimineerd, zodanig dat hun leven onhoudbaar is, maar lopen ook gevaar voor lijf en leden. Bovendien had en heeft eiseres een levensstijl die haaks staat op de Islamitische levenswijze die thans in Afghanistan de norm is. Voorts loopt eiseres als echtgenote van een ex-communist en ex-KhAD/WAD-medewerker bij gedwongen terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, niet alleen van de zijde van de Taliban en de Mudjaheddin, maar ook van de zijde van rancuneuze medeburgers.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gedwongen terugkeer van eiseres naar Afghanistan niet leidt tot een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Overwogen wordt als volgt.

Eiseres heeft zich nimmer geprofileerd als een politiek tegenstandster van de toenmalige of de huidige Afghaanse autoriteiten. Voorts heeft eiseres haar vrees voor de Taliban noch de Mudjaheddin aannemelijk gemaakt.

Daargelaten of de inval door onbekende mannen in de echtelijke woning op 15 mei 1997 – aan de geloofwaardigheid van welke inval op zichzelf door verweerder niet wordt getwijfeld – een actie was van de Taliban of wellicht, zo heeft eiseres later verklaard, de Mudjaheddin, gesteld noch gebleken is dat eiseres nadien problemen heeft ondervonden van de zijde van de voornoemde groeperingen. Daarenboven heeft eiseres bij terugkeer naar Afghanistan niet te vrezen voor een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zijdens de Taliban, omdat er thans sprake is van een gewijzigde situatie in Afghanistan als gevolg van de militaire interventie in oktober 2001 onder leiding van de Verenigde Staten, waarbij het Taliban-regime is verdreven.

Ten aanzien van de gestelde vrees voor de Mudjaheddin heeft verweerder zich voorts op goede gronden op het standpunt gesteld dat, hoewel de Mudjaheddin eiseres het werken als onderwijzeres onmogelijk heeft gemaakt, eiseres zich tot aan haar vertrek uit Kabul zonder problemen zijdens genoemde groepering heeft kunnen handhaven. De rechtbank voegt aan dit standpunt toe, dat voorts gesteld noch gebleken is dat de reden van eiseres voor haar vlucht naar Nederland was gelegen in deze omstandigheid. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiseres in verband met de werkzaamheden van haar echtgenoot voor de KhAD/WAD beducht moet zijn voor de negatieve aandacht van de Mudjaheddin. Immers, vorenbedoelde echtgenoot heeft na de machtsovername door de Mudjaheddin nog drie jaren voor de KhAD/WAD gewerkt zonder dat hij en/of eiseres hierop zijn aangesproken.

Het beroep van eiseres op haar deplorabele positie als hoogopgeleide vrouw in de Afghaanse maatschappij kan evenmin leiden tot een vergunning op de ‘b-grond’. De rechtbank overweegt dat in paragraaf 3.4.4 (‘vrouwen’) van het door verweerder in het bestreden besluit vermelde ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 november 2003 staat vermeld dat vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven tot een risicogroep behoren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de door haar gevoerde levensstijl een verhoogd risico loopt op een verboden behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Niet gebleken is dat de vlucht van eiseres en haar gezin was gelegen in vanwege hun afwijkende levensstijl ondervonden problemen. Niet valt in te zien derhalve dat eiseres en haar gezin na terugkeer in Afghanistan deze levensstijl niet zouden kunnen voortzetten.

Ook de stelling van eiseres dat zij als echtgenote van een ex-communist bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor de medebevolking, meer specifiek familieleden van slachtoffers van de mensenrechtenschendingen gedurende het communistische regime, leidt tot slot niet tot een geslaagd beroep op de ‘b-grond’. De rechtbank verwijst in dit verband naar de relevante overwegingen in de uitspraak van de beroepszaak van haar echtgenoot.

Niettegenstaande het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, daar zij van oordeel is dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen respectievelijk onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3:2 van de Awb, voor zover thans van belang, vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 4:2 van de Awb moet de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Bij schrijven van 18 juni 2004, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 21 juni 2004, heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres worden partners van ‘1F-verdachten’ in de regel in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiseres een lijst bijgevoegd met de namen, functies en veelal de woonplaats van ex-KhAD/WAD-medewerkers die geen verblijfsvergunning hebben gekregen, terwijl hun vrouw en eventuele kinderen wel een vergunning hebben gekregen.

Verweerder heeft eerst ter zitting het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Daartoe heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat deze beroepsgrond nu die in een dergelijk laat stadium van de procedure is aangevoerd wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling van het onderhavige beroep dient te vallen. Subsidiair is verweerder van mening dat eiseres door middel van het overleggen van genoemde lijst in ongenoegzame mate heeft bewezen dat er sprake is van gelijke gevallen die gelijk dienen te worden behandeld.

Het primair door verweerder ingenomen standpunt treft geen doel.

Dat de handelwijze van eiseres in strijd is met de goede procesorde omdat eiseres die gevallen in een eerder stadium van de procedure, bijvoorbeeld bij de zienswijze naar voren had kunnen brengen, vermag de rechtbank niet in te zien. De rechtbank overweegt in dit verband dat het bewaken van de consistentie van het eigen bestuurlijke optreden bij uitstek de verantwoordelijkheid is van het bestuursorgaan en dat het niet primair op de weg van een burger ligt om te onderzoeken of de wijze waarop het bestuursorgaan hem tegemoet treedt in overeenstemming is met de bestuurlijke gedragslijn in vergelijkbare zaken.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres schending van het gelijkheidsbeginsel in het algemeen ook eerst bij aanvullend beroepschrift mag aanvoeren. Er bestaat geen grond daar in dit concrete geval anders over te oordelen.

De rechtbank verwijst voor dit oordeel mede naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 1997, gepubliceerd in JB 1997,154.

Ook het door verweerder subsidiair ingenomen standpunt treft geen doel.

In het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt van een belanghebbende zoals eiseres niet verlangd dat zij door middel van bewijs aantoont dat er sprake is van gelijke gevallen. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel behoeft de belanghebbende het gelijke geval enkel gemotiveerd te stellen. Het is vervolgens aan verweerder om naar het mogelijk gelijke geval een onderzoek in te stellen. Verweerder heeft immers het meeste zicht op de consistentie van zijn eigen beleid en dient, zoals reeds gezegd, dat te bewaken. Dat het instellen van een onderzoek aan de hand van de overgelegde lijst naar eventuele gelijke gevallen niet mogelijk zou zijn is niet gesteld. Nu verweerder het instellen van een dergelijk onderzoek heeft nagelaten is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en – al dan niet als gevolg daarvan – in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (beroepschrift 1 punt en het verschijnen ter zitting 1 punt) worden 2 punten toegekend, met een waarde van € 322,- per punt. Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Door eiseres is geen toevoeging overgelegd, zodat de rechtbank er, onder verwijzing naar de brief van de rechtbank van 23 maart 2004, van uitgaat dat niet is geprocedeerd op basis van een toevoeging.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van

16 maart 2004;

draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

Aldus gedaan door mrs. B.W.P.M. Corbey-Smits (voorzitter), J.M.E. Derks, M.I.J. Hegeman en in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op: 8 juli 2005.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.