Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3992

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2005
Datum publicatie
07-10-2005
Zaaknummer
AWB 05/42684
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / eerste beroep / gezinsleven / gemeenschapsonderdaan / nuttig effect.

Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is vader van een Nederlands kind. Hij beroept zich op de HvJEG-uitspraak C-200/02, Chen vs. Verenigd Koninkrijk, door te stellen dat het kind op grond van de artikelen 17 en 18 van het EG-verdrag recht heeft op aanwezigheid van zijn vader, eiser, hier te lande. De rechtbank overweegt hieromtrent dat -voor zover al moet worden aangenomen dat een Unieburger aanspraken kan maken op gemeenschapsrecht zonder hiervan in een andere EU-lidstaat dan waarvan deze Unieburger de nationaliteit bezit gebruik te hebben gemaakt- uit het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap volgt dat in een situatie waarin de ouder, onderdaan van een lidstaat of een derde staat, die daadwerkelijk zorgt voor een kind waaraan artikel 18 EG-verdrag en richtlijn 90/364/EEG een verblijfsrecht toekennen, niet werd toegestaan met dit kind in de lidstaat van ontvangst te verblijven, zulks het verblijfsrecht van het kind ieder nuttig effect zou ontnemen. Het is immers duidelijk dat het genot van het verblijfsrecht door een kind van jonge leeftijd noodzakelijkerwijs impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt, en dientengevolge dat deze persoon gedurende dat verblijf bij het kind in de lidstaat van ontvangst kan wonen. Nu echter gesteld noch gebleken is dat het kind van eiser door het vertrek van eiser uit Nederland thans ieder nuttig effect in de hierbovenbedoelde zin zal worden ontnomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesteld dat uit de bepalingen van het EG-verdrag voortvloeit dat eiser rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Verweerder heeft eiser derhalve in bewaring kunnen stellen. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 05/42684 VRONTN

UITSPRAAK op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A, geboren op [...] 1975, van Surinaamse nationaliteit, eiser,

verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg,

gemachtigde: mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: drs. I.M.C. van der Veen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. INLEIDING

Verweerder heeft op 21 september 2005 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

Eiser heeft hiertegen op 21 september 2005 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 oktober 2005. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat eiser niet in bewaring kon worden gesteld omdat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 19 oktober 2004, JV 2004/446 (Chen vs. Verenigd Koninkrijk) komt aan eiser de status van gemeenschapsonderdaan toe krachtens het bepaalde in de artikelen 17 en 18 van het EG-Verdrag: Eiser is vader van een Nederlands kind.

Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

Uit hetgeen eiser ter zitting heeft gesteld begrijpt de rechtbank dat eiser heeft willen betogen dat het kind van eiser recht heeft op verblijf in Nederland en dat het kind daarmee op grond van de artikelen 17 en 18 van het EG-verdrag en de bovengenoemde uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap ook recht heeft op aanwezigheid van zijn vader, eiser, hier te lande.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat -voor zover al moet worden aangenomen dat een Unieburger aanspraken kan maken op gemeenschapsrecht zonder hiervan in een andere EU-lidstaat dan waarvan deze Unieburger de nationaliteit bezit gebruik te hebben gemaakt- uit het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap -voor zover hier van belang- volgt dat in een situatie waarin de ouder, onderdaan van een lidstaat of een derde staat, die daadwerkelijk zorgt voor een kind waaraan artikel 18 EG-verdrag en richtlijn 90/364/EEG een verblijfsrecht toekennen, niet werd toegestaan met dit kind in de lidstaat van ontvangst te verblijven, zulks het verblijfsrecht van het kind ieder nuttig effect zou ontnemen. Het is immers duidelijk dat het genot van het verblijfsrecht door een kind van jonge leeftijd noodzakelijkerwijs impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt, en dientengevolge dat deze persoon gedurende dat verblijf bij het kind in de lidstaat van ontvangst kan wonen.

Wanneer artikel 18 EG-verdrag en richtlijn 90/364 een recht om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van de ontvangende lidstaat te verblijven verlenen aan de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een andere lidstaat, deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor deze onderdaan zorgt, toestaan om met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven.

Nu gesteld noch gebleken is dat het kind van eiser door het vertrek van eiser uit Nederland thans ieder nuttig effect in de hierbovenbedoelde zin zal worden ontnomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesteld dat uit de bepalingen van het EG-verdrag voortvloeit dat eiser rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Verweerder heeft eiser derhalve in bewaring kunnen stellen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend de verwijdering van eiser ter hand neemt. Op 5 oktober 2005 zal eiser worden gelicht om ten behoeve van zijn verwijdering een laissez-passer aanvraagformulier op te maken.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser in strijd zijn met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2005, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.