Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3677

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-09-2005
Datum publicatie
03-10-2005
Zaaknummer
09/753096-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- Poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd; [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753096-05

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 01 september 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende aan de [adres],

thans gedetineerd in P.I. Haaglanden, Huis van Bewaring "Zoetermeer" te Zoetermeer.

De terechtzittingen.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 23 mei 2005 en 18 augustus 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr I. Aardoom-Fuchs, advocaat te Gouda, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Mos heeft gevorderd dat verdachte terzake van de hem bij dagvaarding onder primair telastgelegde - voor zover inhoudende poging moord - wordt vrijgesproken en dat het bij dagvaarding voor het overige onder primair telastgelegde feit bewezen wordt verklaard doch dat verdachte ontslagen zal worden van alle rechtsvervolging en dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Schorsing van de vervolging.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van 23 mei 2005 verzocht om schorsing van de vervolging ex artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 18 augustus 2005 bij haar verzoek gepersisteerd. De raadsvrouw heeft hierbij de verwachting uitgesproken dat mogelijk herstel van verdachte na behandeling met medicatie op korte termijn te verwachten is.

De rechtbank wijst het verzoek om schorsing van de vervolging ex artikel 16 WvSv af en overweegt als volgt.

De rechtbank leest artikel 16 WvSv aldus, dat er enig reëel zicht moet zijn op herstel van de verdachte. De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van drs. W.G.E. Kuyck, justitieel forensisch psychiater te Oegstgeest d.d. 13 mei 2005 betreffende verdachte. Drs. W.G.E. Kuyck concludeert onder andere dat verdachte jarenlang psychotisch is geweest. Rapporteur verbindt hieraan de conclusie dat behandeling met anti-psychotica gedurende één jaar minimaal nodig zal zijn om effect ervan te kunnen vaststellen. Drs. M.H. Keppel, psycholoog, heeft eveneens een rapport d.d. 10 mei 2005 betreffende verdachte opgesteld. Drs. M.H. Keppel komt in zijn rapport tot de conclusie dat verdachte psychotisch is. Rapporteur maakt eveneens de inschatting dat minimaal één jaar behandeling nodig is om enige verschuiving in het ziektebeeld van verdachte te kunnen realiseren. Tenslotte heeft de rechtbank kennis genomen van een Klinische Pro Justitia Observatie van Parnassia te 's-Gravenhage d.d. 09 mei 2005, opgesteld door onder andere drs. A.D. Roodbergen, behandelend arts van verdachte. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat de medicatie van verdachte gedurende de observatieperiode niet enige substantiële verbetering in het psychiatrisch toestandsbeeld van verdachte heeft gegeven. De rechtbank oordeelt op basis van eerdergenoemde rapportages dat de prognose omtrent het mogelijk herstel van verdachte buitengewoon dubieus is. Vast staat dat herstel van de ziekelijke stoornis van verdachte niet binnen korte termijn te verwachten is. De prognose voor herstel blijkt minimaal één jaar te zijn. De rechtbank dient een afweging te maken tussen enerzijds het belang van verdachte om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en anderzijds het belang van verdachte bij een spoedige behandeling van de zaak. Nu het herstel van verdachte niet op korte termijn te verwachten is, geeft de rechtbank de voorkeur aan een spoedige behandeling van de zaak opdat verdachte niet langer dan strikt noodzakelijk in onzekerheid hoeft te verkeren omtrent de tegen hem ingestelde vervolging. De rechtbank wijst het verzoek om schorsing van de vervolging ex artikel 16 WvSv dan ook af.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder primair telastgelegde feit - voor zover inhoudende poging moord - heeft gepleegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank volgt hierbij zowel het oordeel van de raadsvrouw van verdachte als de officier van justitie dat bij verdachte ten tijde van het telastgelegde feit niet is gebleken van voorbedachte rade, kalm beraad en rustig overleg.

Bewijsverweer.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van 18 augustus 2005 betoogd dat, gelet op de geestelijke gesteldheid van verdachte ten tijde van het telastgelegde feit, niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het opzet heeft gehad het slachtoffer te doden. Verdachte heeft niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden. Verdachte dient derhalve van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair telastgelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat verdachte aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, slechts in de weg staan aan het opzet op een door verdachte gepleegde delict, indien blijkt van een zodanig ernstige ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het delict, dat moet worden aangenomen dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedraging en mogelijke gevolgen daarvan verstoken is geweest. De rapportages van drs. W.G.E. Kuyck, justitieel forensisch psychiater te Oegstgeest en drs. M.H. Keppel, psycholoog, vermelden weliswaar dat het ten laste gelegde gedrag volledig bepaald wordt door het ziektebeeld, doch dit gegeven leidt nochtans uitsluitend tot de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Gelet op de doelbewustheid van het handelen van verdachte, te weten het pakken van de stiletto alvorens de deur voor het slachtoffer te openen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat hij wel enig inzicht had in de reikwijdte van zijn handelen. Het slachtoffer kwam immers vaker klagen over geluidsoverlast, maar verdachte stond hem dan veelal niet te woord, omdat hij bang was voor het slachtoffer.

Vervolgens is de vraag of verdachte heeft gepoogd het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven. Hiervoor is van belang of verdachte door het pakken en steken met het mes willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord. Naar algemene ervaringsregelen is de kans op overlijden aanmerkelijk wanneer iemand met een mes als het onderhavige, te weten een stiletto met een lemmet met een lengte van 12,7 cm, in de buik wordt gestoken. Dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld blijkt uit het feit dat hij eerst de stiletto heeft gepakt en daarna met de stiletto in zijn hand de voordeur voor het slachtoffer heeft geopend. De opzet op de levensberoving ligt dan ook besloten in de aard van voormelde gedragingen te weten het pakken van de stiletto en het daarmee steken in de buik van het slachtoffer.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding onder primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte.

Verdachte heeft op 14 februari 2005 te Gouda gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte heeft hiertoe het slachtoffer onder andere meerdere malen met een mes in de buikstreek gestoken.

Over verdachte is gerapporteerd door twee gedragsdeskundigen, te weten drs. W.G.E. Kuyck, justitieel forensisch psychiater te Oegstgeest en drs. M.H. Keppel, psycholoog. In zijn rapport van 13 mei 2005 komt drs. W.G.E. Kuyck tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het telastgelegde feit psychotisch was door de ziekte schizofrenie. Drs. M.H. Keppel komt in zijn rapport van 10 mei 2005 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde en gedesorganiseerde type, waaraan een schizotypische persoonlijkheids-stoornis (pre-morbide) is voorafgegaan. Naar het oordeel van beide rapporteurs was verdachte ten tijde van het plegen van het telastgelegde feit psychotisch en kan hij dientengevolge als volledig ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd. Drs. W.G.E. Kuyck adviseert een maatregel volgens artikel 37a Wetboek van Strafrecht, waarbij TBS met dwangverpleging de meest optimale en op langere termijn naar de maatschappij toe meest beveiligende maatregel wordt geacht. Verdachte zou in de TBS-setting gedurende een lang traject gebruik kunnen maken van een medisch-psychiatrische behandeling en een getrapte resocialisatie. Tijdens deze resocialisatie zal blijken of verdachte zich op een voor de maatschappij veilige wijze zou kunnen handhaven. Drs. M.H. Keppel lijkt een klinische behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging het aangewezen kader om verdachte de voor hem noodzakelijke behandeling te bieden, omdat in deze setting een langduriger traject kan worden uitgezet. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Zij is derhalve van oordeel dat verdachte, nu het feit hem niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een aanvullende vraagstelling bij Rapportage Pro Justitia d.d. 12 juli 2005, opgesteld door drs. W.G.E. Kuyck betreffende verdachte.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een Klinische Pro Justitia Observatie van Parnassia te 's-Gravenhage d.d. 09 mei 2005, opgesteld door onder andere drs. A.D. Roodbergen, behandelend arts van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Vroeghulp Interventierapport van de Reclassering Nederland d.d. 16 februari 2005, opgesteld door H. Arendse, reclasseringswerker.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Milieurapport van de Reclassering Nederland d.d. 09 mei 2005, opgesteld door H. Arendse, reclasseringswerker.

De rechtbank heeft acht geslagen op een brief van de Forensisch Psychiatrische Dienst te 's-Gravenhage d.d. 22 februari 2005 aan de officier van justitie, opgesteld door drs. W.G.E. Kuyck, forensisch psychiater FPD.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 16 februari 2005 betreffende verdachte. Verdachte zou volgens het betreffende uittreksel onbekend zijn in het Algemeen Documentatieregister. Uit het dossier alsmede het onderzoek ter terechtzitting is echter gebleken dat verdachte wel een justitiële voorgeschiedenis heeft. Verdachte is onder andere in 1971 veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf alsmede onvoorwaardelijke TBR wegens doodslag.

Naar het oordeel van de rechtbank eist - mede in het licht van de omtrent verdachte uitgebrachte rapportages - de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de maatregel van ter beschikking stelling en zal de rechtbank overeenkomstig de adviezen van de deskundigen alsmede de vordering van de officier van justitie een last tot ter beschikking stelling van verdachte geven en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 37a, 37b, 39, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- Poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Höppener en Schaaf, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bruining, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 01 september 2005.