Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2005
Datum publicatie
22-09-2005
Zaaknummer
AWB 05/40791
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening in spoedpiket / bezwaar tegen voorgenomen uitzetting / bijwonen strafzaak.

Verzoeker maakt bezwaar tegen de voorgenomen uitzetting op 13 september 2005, aangezien hij de behandeling van zijn hoger beroep in een strafrechtelijke procedure op 14 oktober 2005 bij wil wonen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hierbij een groot belang. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient dit belang vooralsnog zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij een spoedige verwijdering van verzoeker uit Nederland. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat verweerder geen duidelijkheid heeft geboden over de vraag of verzoeker na terugkeer in Suriname desgewenst in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn strafzaak bij te wonen. Verweerder is bevoegd hieromtrent toezeggingen te doen en het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat verweerder in het verleden dergelijke toezeggingen wel heeft gedaan. Dat er aan het bijwonen van zijn strafzaak voor verzoeker mogelijk kosten zullen zijn verbonden is voor zijn rekening. Tot slot heeft de voorzieningenrechter in de overweging betrokken dat verweerder in het bezit is van een paspoort van verzoeker en dat er dagelijks vluchten naar Paramaribo gaan. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 05/40791 VERWIJN

PROCES-VERBAAL van de MONDELINGE UITSPRAAK van de voorzieningenrechter, inzake het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1970, van Surinaamse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. A. Jankie, advocaat te Wassenaar,

hangende het bezwaar tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

1. INLEIDING

Aan de orde is het verzoek om een voorlopige voorziening hangende de behandeling van het bezwaarschrift van 9 september 2005 tegen de voorgenomen uitzetting van verzoeker op 13 september 2005.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker Nederland niet mag worden uitgezet, totdat de behandeling van zijn hoger beroep in een strafrechtelijke procedure op 14 oktober 2005 zal hebben plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde, mr. E. Bervoets, telefonisch geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen;

verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang verweerder geen duidelijkheid heeft geboden over hoe verzoeker in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn strafzaak op 14 oktober 2005 bij te wonen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 138,-.

3. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij deze beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de voorgenomen uitzetting een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft hierbij geen definitief, maar slechts een voorlopig oordeel.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgenomen uitzetting geen doorgang mag vinden om reden dat hij in de gelegenheid dient te worden gesteld de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep inzake de strafprocedure op 14 oktober 2005 bij te wonen. Op basis van nieuw bewijs wordt vrijspraak verwacht. Met de op handen zijnde uitzetting zal artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) worden geschonden. Ondanks dat er geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling gaat verweerder er toch vanuit dat verzoeker wordt verdacht van een strafbaar feit en dat hij daarom mag worden uitgezet. Verweerder gaat hiermee op de stoel van de rechter zitten. Voorts wordt verzoeker het recht ontnomen om zichzelf te verdedigen. Het is bevreemdingwekkend dat er voor de zitting een getuige uit Suriname zal overkomen terwijl verzoeker zich in Suriname bevindt.

Verzoeker doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, nu een beambte van de vreemdelingendienst hem heeft medegedeeld dat hij voor de zitting en/of de uitspraak in hoger beroep niet zou worden uitgezet.

Tot slot wordt gewezen op de consequenties die voor verzoeker zullen voortvloeien uit het optreden van verweerder. Gelet op het feit dat verzoeker zal worden opgenomen in verschillende systemen zal hij na terugkeer geen visum meer kunnen verkrijgen voor het bijwonen van zijn zitting. In het verleden kreeg hij steeds zonder problemen een visum, maar dit zal nu geheel anders liggen. Het is voor verweerder een kleine moeite om de uitzetting enige tijd uit te stellen en gesteld kan worden dat het belang van verzoeker om in de gelegenheid te worden gesteld om de zitting en/of de uitspraak in hoger beroep af te wachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de uitzetting te doen plaatsvinden.

Verweerder heeft zich telefonisch op het navolgende standpunt gesteld. Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Van schending van artikel 6 EVRM is geen sprake, waarbij verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.2 van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 9 september 2005 waarbij het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot de uitlating van de beambte van de vreemdelingendienst merkt verweerder op dat daarvan niets is gebleken in het dossier en dat dit standpunt derhalve onvoldoende is onderbouwd. Of verzoeker in de toekomst nog in het bezit zal worden gesteld van een visum betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis waarop niet vooruit gelopen dient te worden.

De wens van verzoeker om het hoger beroep in zijn strafrechtelijke procedure af te wachten vormt voor verweerder onvoldoende reden om de uitzetting geen doorgang te laten vinden en tot slot kan er vanuit worden gegaan dat er van de zijde van het Openbaar Ministerie geen bezwaar bestaat tegen de uitzetting van verzoeker. Dit valt af te leiden uit de omstandigheid dat verzoeker uit het strafrechtelijk traject is overgedragen aan de vreemdelingendienst.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een groot belang bij het bijwonen van de behandeling van zijn hoger beroep in de strafrechtelijke procedure op 14 oktober 2005. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient dit belang vooralsnog zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij een spoedige verwijdering van verzoeker uit Nederland. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat verweerder geen duidelijkheid heeft geboden over de vraag of verzoeker na terugkeer in Suriname desgewenst in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn strafzaak bij te wonen. Verweerder is bevoegd hieromtrent toezeggingen te doen en het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat verweerder in het verleden dergelijke toezeggingen wel heeft gedaan. Dat er aan het bijwonen van zijn strafzaak voor verzoeker mogelijk kosten zullen zijn verbonden is voor zijn rekening. Tot slot heeft de voorzieningenrechter in de overweging betrokken dat verweerder in het bezit is van een paspoort van verzoeker en dat er dagelijks vluchten naar Paramaribo gaan.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. J. Ebbens, voorzieningenrechter, op 12 september 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

Aldus opgemaakt door de griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 37, tweede lid aanhef en onder c Wet op de Raad van State staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.