Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2932

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2005
Datum publicatie
21-09-2005
Zaaknummer
AWB 04/49505
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / transseksueel / zorgvuldigheid.

Eiseres is oorspronkelijk afkomstig uit Georgië en zij verblijft sinds 1994 in Nederland. In verband met haar transseksualiteit is aan haar van 6 november 1996 tot 6 november 2002 verblijf toegestaan op medische gronden. Het geschil heeft zich met name toegespitst op de vraag van welke beperking verweerder mocht uitgaan bij het nemen van de beslissing op de aanvraag en bij het nemen van het bestreden besluit, waarbij met name is ingegaan op de (sub)vraag tot welke inspanningen partijen in redelijkheid zijn gehouden in de fase voorafgaand aan het nemen van de beslissing op de aanvraag indien er discussie is over de beperking die ten grondslag dient te worden gelegd aan de aanvraag. Gelet op de tussen partijen gevoerde discussie voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag, de daaruit evident blijkende onduidelijkheid aan de zijde van eiseres welke vergunningsmodaliteit, gelet op haar situatie, het meeste kans gaf op een verblijfsvergunning en het gegeven dat eiseres van 6 november 1996 tot 6 november 2002 over een verblijfsvergunning beschikte, had van verweerder een actievere houding gevergd mogen worden. Immers duidelijk was dat eiseres, gelet op de feitelijke situatie, een keuze kon maken uit verschillende vergunningsmodaliteiten, zij aangaf dat zij een verblijfsvergunning wilde en daarbij van secundair belang vond onder welke beperking die vergunning verleend werd. Uit de correspondentie voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag blijkt dat verweerder zich heeft beperkt tot het stellen van de vraag aan eiseres welke beperking zij aan haar aanvraag ten grondslag legt en de vraag om nadere informatie. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid. In dit kader wijst de rechtbank erop dat artikel 3:2 Awb (mede) uitdrukking is van het gegeven dat er sprake is van een rechtsbetrekking waarin partijen in een wederkerige relatie staan, zodat zij rekening moeten houden met de positie en de belangen van de andere partij. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de belangen aan de zijde van eiseres. In ieder geval was verweerder ten tijde van het bestreden besluit bekend met bestaan van psychische problemen bij eiseres. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/49505 BEPTDN

V nr.: 070.309.2283

inzake: A, geboren op [...] 1973, van Georgische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. H.M. Pot, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Verdoner, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 7 oktober 2002 heeft de korpschef van de regiopolitie te Amsterdam-Amstelland de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning van eiseres ontvangen. Bij besluit van 26 maart 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij brief van 16 april 2003 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brieven van 28 mei 2003 en 26 juni 2003. Bij besluit van 15 januari 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 4 februari 2004 heeft eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank en zittingsplaats. Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 10 maart 2004. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 mei 2004 (AWB 04/5365) toegewezen.

3. Bij brief van 28 juni 2004 heeft verweerder medegedeeld dat het besluit van 15 januari 2004 is ingetrokken, waarna eiseres bij brief van 7 juli 2004 het beroep heeft ingetrokken. Bij brief van 4 augustus 2004 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een hoorzitting op 15 september 2004. Eiseres heeft bij brief van 26 augustus 2004 laten weten van de uitnodiging geen gebruik te maken en aangeboden eventuele vragen schriftelijk te beantwoorden. Bij brief van 14 september 2004 heeft verweerder een aantal vragen aan eiseres voorgelegd (hierna: hoorbrief), waarop eiseres bij brief van 27 september 2004 haar reactie heeft ingezonden. Bij besluit van 12 oktober 2004 is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

4. Bij beroepschrift van 9 november 2004 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 13 december 2004. Op 18 januari 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij brieven van 4 februari 2005 en 7 februari 2005 heeft eiseres aanvullende stukken ingezonden. Bij brief van 4 februari 2005 heeft verweerder medegedeeld dat het besluit van 12 oktober 2004 is ingetrokken en dat verweerder opnieuw zal beslissen. Bij brief van 11 februari 2005 heeft eiseres medegedeeld niet tot intrekking van het beroep over te gaan.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2005. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.B. Klaus, ambtenaar bij de IND van het Ministerie van Justitie. Het onderzoek ter zitting is geschorst en de rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting zal worden hervat op een nader te bepalen tijdstip.

6. Bij besluit van 16 maart 2005 is het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij brief van 30 maart 2005 haar reactie op dit besluit ingezonden. Bij faxberichten van 11 en 19 april 2005 heeft eiseres nog aanvullende stukken ingezonden. In het verweerschrift van 13 april 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. Op 19 april 1994 heeft eiseres aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 20 mei 1994 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Het op 1 juni 1994 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 5 april 1995 afgewezen. Bij besluit van 17 januari 1997 is het bij brief van 13 juni 1994 ingediende bezwaar ongegrond verklaard en is aan eiseres een vergunning tot verblijf voor medische behandeling verleend, geldig van 6 november 1996 tot 6 november 1997.

2. Bij besluiten van 16 maart 1998 en 23 maart 1998 zijn de aanvragen om verlenging van de vergunning tot verblijf ingewilligd en is de vergunning verlengd tot 6 november 1999. Tegen dit laatste besluit is bij brief van 23 maart 1999 bezwaar gemaakt (met gronden van 27 mei 1999), waarin eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat ten onrechte een verblijfsvergunning is afgegeven met het doel medische behandeling. De medische behandeling is immers afgerond en ten onrechte is – zonder nadere motivering - afgeweken van het beleid dat aan transseksuele asielzoekers een verblijfsvergunning zonder beperkingen wordt verleend.

Bij besluit van 24 januari 2000 is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de heroverweging slechts betrekking heeft op de oorspronkelijke aanvraag en eiseres op 24 september 1998 heeft verzocht om verlenging van de door haar verkregen verblijfsvergunning. Voor het nieuwe verblijfsdoel dient eiseres een nieuwe aanvraag in te dienen.

3. Op 12 oktober 1999 en op 5 oktober 2000 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie te Amsterdam-Amstelland aanvragen ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “voor medische behandeling”. Bij bezwaarschrift van 20 december 2000 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Het bezwaar is bij besluit van 23 augustus 2001 gegrond verklaard en gelijktijdig zijn de aanvragen tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingewilligd. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verlengd tot 6 november 2002.

4. Bij brief van 12 september 2001 heeft eiseres verzocht het besluit van 23 augustus 2001 in dier voege te herzien, dat een verblijfsvergunning zonder beperkingen wordt verstrekt. Bij brieven van 11 oktober 2001 en 19 februari 2002 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd.

Bij brief van 19 september 2001 heeft eiseres tegen het besluit van 23 augustus 2001 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 19 september 2003 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep niet-ontvankelijk verklaard (AWB 01/47313 BEPTDN).

5. Op de aanvraag gedateerd 30 september 2002, met poststempel van 7 oktober 2002, is na de op de aanvraag voorgedrukte zinsnede “vraagt wijziging aan van deze vergunning als volgt” ingevuld: “beëindigde medische behandeling”. De Vreemdelingendienst heeft eiseres bij brief van 30 oktober 2002 verzocht om nadere stukken en informatie. In de reactie daarop, bij faxbericht van 12 november 2002, stelt eiseres dat de aanvraag ten onrechte is aangemerkt als (verleng)aanvraag van de verblijfsvergunning onder de beperking “medische behandeling” en dat het een aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking gewijzigd doel betreft. Eiseres wijst er daarbij op dat haar (humanitaire) omstandigheden sinds haar komst naar Nederland ongewijzigd zijn.

Daarop heeft de Vreemdelingendienst eiseres bij brief van 14 november 2002 in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op het gewenste verblijf op basis van humanitaire redenen. Eiseres heeft bij brief van 27 november 2002 uiteengezet dat zij omzetting van haar verblijfsvergunning wenst in een verblijfsvergunning zonder beperkingen. Bij brief van 26 februari 2003 heeft verweerder eiseres verzocht een verblijfsdoel in de zin van de Vw 2000 aan te geven. Eiseres heeft zich bij brief van 11 maart 2003 op het standpunt gesteld dat het niet aan haar is het gewijzigde verblijfsdoel c.q. beperking te formuleren die het meeste recht doet aan de situatie.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder merkt in het bestreden besluit de aanvraag aan als aanvraag op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Van de daarin beschreven bevoegdheid dient terughoudend gebruik te worden gemaakt en bij de toepassing daarvan heeft verweerder beoordelingsvrijheid. Nu het in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 gaat om bijzondere onvoorziene gevallen had eiseres bij haar aanvraag nadrukkelijk moeten aangeven waarom een verblijfsvergunning moet worden verleend. De klemmende redenen van humanitaire aard die doelen op het feit dat eiseres vanwege haar transseksualiteit niet naar Georgië kan terugkeren, zijn asielgerelateerde argumenten en kunnen niet bij de beoordeling worden betrokken. De klemmende redenen van humanitaire aard in verband waarmee onder de Vw 1965 een vergunning tot verblijf kon worden verleend, vallen niet zonder meer onder de restcategorie als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. De door eiseres genoemde omstandigheden zijn onvoldoende specifiek en niet aan te merken als een bijzonder onvoorzien geval.

Gelet op de brief van prof. dr. L.J.G. Gooren van het ‘Genderteam’ van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit te Amsterdam (AZVU) van 4 februari 2005 had eiseres verlenging van de haar verleende verblijfvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ kunnen vragen. Nu de aanvraag evenwel wordt begrensd door artikel 3.100 van het Vb 2000 kan een zodanige vergunning niet in het kader van de onderhavige procedure worden verleend. Hetzelfde geldt voor een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf, zo die gewenst zou zijn. Anders dan eiseres stelt, is er geen vreemdelingrechtelijke wet- of regelgeving op basis waarvan een transseksueel na een afgeronde behandeling niet zal worden uitgezet.

2. Eiseres wijst op haar psychische situatie en zet uiteen dat zij vanwege haar medische achtergrond levenslang onder controle moet blijven en dat zij voortdurend medische zorg nodig heeft. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen enkele afweging gegeven omtrent de gronden en toelichting in bezwaar. Zij wijst nogmaals op haar stellingen in bezwaar dat zij verblijfsrecht kan ontlenen aan het beleid ten aanzien van transseksuele (oorspronkelijke) vluchtelingen nadat hun medische behandeling is afgerond, het feit dat het hier gaat om voortgezet verblijf en dat de bedoelde beperking niet is ‘beëindiging medische behandeling’. Eiseres heeft met dit laatste slechts haar feitelijke situatie willen duiden en het gaat hier niet om een beoogde beperking. Het besluit is in strijd met de door verweerder gewekte verwachtingen en van een belangenafweging is niet gebleken. Eiseres heeft bescherming nodig en mag niet de dupe worden van de strikte scheiding tussen asiel en reguliere zaken. Het bestreden besluit is niet in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het besluit doet geen recht aan de ernst van de zaak. Het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen, mist een adequate motvering en is op een aantal relevante punten onbegrijpelijk. Eiseres handhaaft haar eerdere beroepsgronden en stelt vast dat er in het thans bestreden besluit op tweetal punten een toevoeging aan de motivering is gegeven. Allereerst betreft dat verweerders opmerking dat eiseres om verlenging van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ had moeten verzoeken. Dat gaat niet op, want hoewel eiseres haar leven lang onder controle zal moeten blijven en altijd hormonen zal moeten krijgen, wil dat niet zeggen dat eiseres levenslang onder medische behandeling zal moeten staan. Voorts heeft verweerder de afweging omtrent de mogelijkheid van toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 nader gemotiveerd. Eiseres betwist dat zij niet een bijzonder onvoorzien geval is.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kunnen houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Het beroep richt zich tegen de besluiten op bezwaar van 12 oktober 2004 en 16 maart 2005. Het besluit van 12 oktober 2004 is ingetrokken bij brief van 4 februari 2005. Eiseres heeft bij brief van 11 februari 2005 medegedeeld dat zij het beroep niet intrekt omdat er nog steeds belang is. Eiseres heeft echter niet aangegeven welk belang zij nog heeft bij toetsing van het ingetrokken besluit en derhalve is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het gestelde in het derde lid, van artikel 6:19 van de Awb, het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van het beroep voor zover het zich richt tegen het besluit van 16 maart 2005 overweegt de rechtbank het volgende.

5. Eiseres is oorspronkelijk afkomstig uit Georgië en zij verblijft sinds 1994 in Nederland. In verband met haar transseksualiteit is aan haar van 6 november 1996 tot 6 november 2002 verblijf toegestaan op medische gronden.

6. Het geschil heeft zich ter zitting op 21 april 2005 met name toegespitst op de vraag van welke beperking verweerder mocht uitgaan bij het nemen van de beslissing op de aanvraag en bij het nemen van het bestreden besluit, waarbij met name is ingegaan op de (sub)vraag tot welke inspanningen partijen in redelijkheid zijn gehouden in de fase voorafgaand aan het nemen van de beslissing op de aanvraag indien er discussie is over de beperking die ten grondslag dient te worden gelegd aan de aanvraag.

7. De rechtbank stelt vast dat partijen voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit van 26 maart 2003 hebben gecorrespondeerd over de aan de aanvraag ten grondslag te leggen beperking. Verwezen wordt naar paragraaf II.5. In het bestreden besluit is verweerder ook ingegaan op die discussie. In de discussie tussen partijen is een aantal in aanmerking komende vergunningsmodaliteiten genoemd, waaronder: de verblijfsvergunning wegens medische behandeling, de verblijfsvergunning wegens voortgezet verblijf en de verblijfsvergunning op grond van het gestelde in het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000.

8. De rechtbank is van oordeel dat het in beginsel aan de vreemdeling is om de beperking aan te geven, hetgeen in veel gevallen geen probleem is omdat het voor de vreemdeling duidelijk is om welke reden een verblijfsvergunning wordt aangevraagd. In onderhavig geval ontbrak die duidelijkheid. Eiseres heeft bij het indienen van de aanvraag aangegeven dat haar medische behandeling beëindigd was. Evenwel heeft zij, voorafgaande aan het hier bestreden besluit, overgelegd de brief van prof. dr. L.J.G. Gooren, hoogleraar in de Transseksuologie, van 4 februari 2005, waarin laatstgenoemde onder meer stelt: "Regelmatig bezoekt patiënte (eiseres) het Genderteam in verband met de evaluatie van de hormoonbehandeling, welke levenslang moet worden voortgezet ter voorkoming van dervingsverschijnselen en een vroegtijdige osteoporose." Gelet op de tussen partijen gevoerde discussie voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag, de daaruit evident blijkende onduidelijkheid aan de zijde van eiseres welke vergunningsmodaliteit, gelet op haar situatie, het meeste kans gaf op een verblijfsvergunning en het gegeven dat eiseres van 6 november 1996 tot 6 november 2002 over een verblijfsvergunning beschikte, had van verweerder een actievere houding gevergd mogen worden. Immers duidelijk was dat eiseres, gelet op de feitelijke situatie, een keuze kon maken uit verschillende vergunningsmodaliteiten, zij aangaf dat zij een verblijfsvergunning wilde en daarbij van secundair belang vond onder welke beperking die vergunning verleend werd. Uit de correspondentie voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag blijkt dat verweerder zich heeft beperkt tot het stellen van de vraag aan eiseres welke beperking zij aan haar aanvraag ten grondslag legt en de vraag om nadere informatie. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid. In dit kader wijst de rechtbank erop dat artikel 3:2 van de Awb (mede) uitdrukking is van het gegeven dat er sprake is van een rechtsbetrekking waarin partijen in een wederkerige relatie staan, zodat zij rekening moeten houden met de positie en de belangen van de andere partij (MvT, TK 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 12). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de belangen aan de zijde van eiseres. In ieder geval was verweerder ten tijde van het bestreden besluit bekend met bestaan van psychische problemen bij eiseres. Gesteld is dat die problemen het gevolg zijn van de onzekere situatie omtrent de vergunningverlening. De rechtbank verwijst hiervoor naar de eerdergenoemde brief van prof. dr. L.J.G. Gooren waarin laatstgenoemde onder meer stelt: “Daarnaast heeft patiënte (eiseres) regelmatig hulp gehad vanwege haar psychische problemen. Een adequate behandeling in deze was immers eerst mogelijk toen de situatie van patiënte redelijk was gestabiliseerd. De huidige onzekere situatie verergert de psychische problemen in hoge mate, waardoor de behandeling door de voortdurende spanningen en onzekerheid is hervat en langer zal duren naarmate deze situatie voortduurt.” Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van verweerder in redelijkheid gevergd mag worden dat verweerder zich actief opstelt, bijvoorbeeld door in overleg te treden met eiseres, een analyse te maken van haar situatie en zodoende te bezien welke vergunningsmodaliteit het meeste recht doet aan de relevante feitelijke omstandigheden en de wensen van eiseres. Verweerder heeft dit in het onderhavige geval nagelaten. Voor zover nodig overweegt de rechtbank dat het vorenstaande op zich niet inhoudt dat de rechtbank van oordeel is dat een verblijfsvergunning aan eiseres dient te worden verleend. Die beslissing behoort tot de discretie van verweerder.

9. Gelet op het vorenstaande wordt het beroep gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en bepaald wordt dat verweerder binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift van 9 november 2004, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 17 februari 2005 en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 21 april 2005, waarde per punt € 322,--).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 12 oktober 2004;

2. verklaart het beroep gegrond, voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 16 maart 2005;

3. vernietigt het besluit van 16 maart 2005;

4. bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Vries, griffier, en openbaar gemaakt op: 18 juli 2005

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: AV/KV

Coll: AH

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.