Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2535

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2005
Datum publicatie
13-09-2005
Zaaknummer
09/901311-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] De verdachte heeft zijn vader van het leven beroofd.

Er waren bij de verdachte al enige tijd spanningen met betrekking tot zijn vader die de verdachte en zijn omgeving het leven zuur maakte. Toen de verdachte op zijn werk gebeld werd door zijn echtgenote die hem mededeelde dat zijn vader weer had gebeld, is de verdachte naar huis gegaan, heeft zich omgekleed, heeft twee messen en een stok bij zich gestoken, en is naar de bakker gegaan waar zijn vader zijn inkopen pleegt te doen. Toen de verdachte zijn vader daadwerkelijk bij de bakker naar binnen zag gaan, heeft hij zich verscholen achter een busje en heeft daar gewacht tot het slachtoffer weer naar buiten kwam. Toen hij uiteindelijk oog in oog kwam te staan met het slachtoffer, heeft hij hem aangesproken en is vervolgens op zijn vader gaan insteken. De verdachte heeft zijn vader meer dan 30 messteken toegebracht. Het slachtoffer is aan de gevolgen hiervan in de ambulance overleden. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/901311-04

's-Gravenhage, 13 september 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden,

PCS De Kantelberg, Unit 4,

te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 augustus 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr B.S. Schnier, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Kamps heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding impliciet primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 en 5, zullen worden verbeurdverklaard, dat het voorwerp, genummerd 3, zal worden onttrokken aan het verkeer, en dat de voorwerpen, genummerd 1 en 2, zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de - gewijzigde - dagvaarding impliciet primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat uit het dossier niet kan volgen dat de verdachte vóór het steekincident van plan was om zijn vader neer te steken.

Door de raadsvrouw is ook betoogd dat er evenmin sprake was van opzet van de zijde van de verdachte op de dood van zijn vader. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte niet willens en wetens in het lichaam heeft gestoken teneinde zijn vader van het leven te beroven; de verdachte heeft nooit het idee gehad om zijn vader van het leven te beroven, hij pakte slechts zijn mes om zich tegen zijn vader te kunnen verdedigen.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet, daartoe stellende dat, gezien de psychische toestand van de verdachte, ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak, zodat er geen sprake kon zijn van willens en wetens opzettelijk handelen of het aanvaarden van bepaalde kansen.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van moord c.q. doodslag.

Op grond van na te noemen feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 21 december 2004 met voorbedachten rade zijn vader van het leven heeft beroofd:

- de verdachte is na een telefoontje van zijn vrouw op zijn werk naar huis gegaan, heeft zich verkleed, heeft twee messen en een stok bij zich gestoken, en is de straat opgegaan om een saucijzenbroodje te gaan kopen;

- de verdachte heeft het voornemen opgevat om dit saucijzenbroodje te gaan kopen bij de bakker om de hoek, wetend dat ook zijn vader dagelijks rond die tijd en bij die bakker zijn inkopen doet;

- de verdachte gaat niet rechtstreeks en direct naar de bakker, doch loopt langs het huis van zijn vader en gaat naar de straat waarvan hij weet dat hij grote kans loopt op dat uur daar zijn vader tegen te komen;

- wanneer de verdachte zijn vader de winkel van de bakker ziet ingaan, verschuilt hij zich achter een geparkeerd staand busje en blijft daar om de hoek staan gluren;

- wanneer zijn vader de winkel verlaat en de richting van de verdachte uit komt lopen, gaat de verdachte niet weg, maar stapt tevoorschijn, spreekt zijn vader aan en zegt tegen hem dat hij overal mee moet ophouden en dat hij de familie met rust moet laten;

- op het moment dat de verdachte zijn vader aanspreekt, is er bij hem geen sprake van een situatie waarbij hij aan de grond genageld staat; de stelling van de verdachte, dat dit wel het geval was, vindt aldus geen steun in de feiten;

- het volgende moment begint de verdachte op zijn vader in te steken.

De rechtbank is van oordeel dat het doden van de vader een vooropgezet plan van de verdachte betrof, door na zich van wapens te hebben voorzien de confrontatie met de vader op te zoeken. De verklaring van de verdachte dat hij de confrontatie met de vader juist uit de weg wilde gaan, maar zijn zinnen had gezet op een broodje bij zijn vaste bakker op de hoek Vlierboomstraat/Frambozenstraat overtuigt niet. Het was de verdachte immers bekend dat zijn vader daar in de buurt vaak op straat te vinden was en bovendien dagelijks rond die tijd boodschappen deed bij dezelfde bakker. De door de verdachte op de bewuste ochtend gekozen route naar de bakker voerde zelfs langs de woning van de vader. Als de verdachte nu werkelijk zo bang voor de vader was dat hij zich genoodzaakt achtte zich van messen te voorzien, ligt het niet voor de hand om voor iets onbenulligs als een saucijzenbroodje de mogelijke confrontatie met de vader voor lief te nemen. De rechtbank heeft bij dit oordeel de conclusies van de deskundigen betrokken, inhoudende dat de verdachte op het moment dat hij de messen bij zich stak nog over keuzevrijheid beschikte.

Gelet op het aantal toegebrachte steken, acht de rechtbank wel aannemelijk dat de verdachte tijdens het steken buiten zinnen is geraakt, doch dan heeft de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, reeds een aanvang gemaakt met het uitvoeren van het - gelet op het voorgaande - bij hem kennelijk bestaande plan om zijn vader van het leven te beroven. De rechtbank komt temeer tot haar overtuiging nu de verdachte, direct na het steken van zijn vader, aan een getuige heeft verteld dat zijn vader de kinderen bedreigde en nu zelf dood moest. Ook het sms'je dat de verdachte, kort na het insteken op zijn vader, aan zijn moeder stuurde, wijst hier naar het oordeel van de rechtbank op: "mama ga maar naar huis je bent veilig zorg goed voor de kinderen en geef ze een kus". Voorts hecht de rechtbank belang aan het feit dat de verdachte - nadat hij bekend heeft zijn vader te hebben doodgestoken omdat deze zijn kinderen lastig viel en bedreigde - wanneer hem door de politie gevraagd wordt of het hem dit waard was, antwoordt: "ja, dit was het waard".

Ook laat de rechtbank het feit dat de verdachte na het plegen van het feit rustig een shagje is gaan rollen en geen actie heeft ondernomen om hulp voor zijn vader te regelen, bij haar oordeel dat de verdachte had bereikt waar hij op uit was, meewegen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte.

Primair heeft de raadsvrouw namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer-exces dan wel putatief noodweerexces, zodat de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door zijn vader toen de vader dreigend op de verdachte afstapte en zei "jij moet dood", een slaande beweging maakte en vervolgens in zijn jaszak greep. De verdachte dacht toen dat zijn vader een vuurwapen pakte en dat ook tegen hem zou gebruiken.

Voor het geval de rechtbank haar daarin niet zou volgen, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte bij de gerechtvaardigde verdediging tegen de al dan niet vermeende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door zijn vader, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Deze overschrijding is naar de mening van de verdediging het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging en dissociatie die werd veroorzaakt door de aanranding door zijn vader.

De aanranding door zijn vader, gekoppeld aan de vermijdende en afhankelijke persoonlijkheid van de verdachte en de bij hem bestaande verhoogde angsttoestand, heeft aldus de raadsvrouw geleid tot een excessieve gemoedsbeweging. Die gemoedsbeweging waarin de angst de overhand kreeg, in combinatie met de langdurig grotendeels slapeloze nachten, heeft er vervolgens toe geleid dat de verdachte gedissocieerd raakte, hetgeen er toe leidde dat hij grotendeels de controle over zijn handelen verloor en de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreed.

Subsidiair heeft de raadsvrouw namens de verdachte betoogd dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt, zodat hij dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het handelen van de verdachte het gevolg was van zijn psychische toestand op dat moment en dan met name van de dissociatieve toestand waarin hij zich bevond. De toestand van extreme angst en paniek met als gevolg de dissociatieve toestand van de verdachte op het moment van steken van zijn vader vormt naar de mening van de verdediging een van buiten komende psychische drang waartegen weerstand redelijkerwijs niet van de verdachte kon worden gevergd.

De rechtbank verwerpt het beroep van de raadsvrouw op noodweer c.q. noodweer-exces.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. Hij is erop uitgegaan, gewapend met twee messen en een stok, om bij de bakker waar zijn vader ook dagelijks zijn boodschappen pleegt te doen, een broodje te gaan kopen. Toen hij daarna - derhalve niet onverwacht - oog in oog kwam te staan met zijn vader, heeft hij hem aangesproken en is vervolgens op zijn vader gaan insteken. Er is derhalve geen sprake van een noodweersituatie. De verdachte had zich aan de confrontatie met zijn vader kunnen en dienen te onttrekken. Integendeel gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte de confrontatie heeft gezocht. Niet gebleken is dat de vader, die zich aanvankelijk niet bewust was van de aanwezigheid van de verdachte achter het busje, dreigend is opgetreden tegen de verdachte.

Nu niet aannemelijk is dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, faalt het beroep op noodweerexces evenzeer.

Weliswaar zijn er aanwijzingen dat het slachtoffer aan het ontsporen was en weliswaar acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte een hevige gemoedstoestand ervoer toen hij - zij het niet onverwacht - oog in oog kwam te staan met zijn vader en ook wil de rechtbank aannemen dat de verdachte behoorlijk gespannen was vanwege de situatie met betrekking tot zijn vader. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat er onvoldoende onderbouwing is voor de stelling van de verdachte dat hij en zijn gezin/familie acuut gevaar liepen van de zijde van zijn vader. Ook uit de brieven die van het slachtoffer zijn gevonden en uit getuigenverklaringen blijkt hier niet van. Indien de angst van de verdachte voor het slachtoffer zo groot was als hij schetst, dan zouden er, in eerdere stadia, andere mogelijkheden zijn geweest om hulp in te roepen; de verdachte heeft hiervan geen - dan wel in onvoldoende mate - gebruik gemaakt.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald over de aanwezigheid van ogenblikkelijk gevaar waartegen verdediging geboden was. Derhalve wordt het beroep op putatief noodweer verworpen.

De rechtbank heeft in het vorenstaande reeds blijk gegeven van haar oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. In dit licht kan naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake zijn van een geslaagd beroep op psychische overmacht indien vast zou komen te staan dat "een van buiten komende drang waartegen weerstand weliswaar niet geheel onmogelijk is, maar welke weerstand redelijkerwijs niet van de verdachte kan worden gevergd", bij de verdachte aanwezig was zowel op het moment van steken als tijdens het daaraan voorafgaande traject. De feiten zoals die uit het dossier blijken en de bevindingen van de beide deskundigen wijzen evenwel niet in die richting. Weliswaar beschrijven beide deskundigen een al jaren geleden op gang gekomen dissociatief proces, welk proces zou zijn toegenomen vlak voor het steken, waardoor de verdachte - zeker in combinatie met de bij hem aanwezige aanpassingsstoornis alsmede de vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis - verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, doch beide deskundigen zijn ook stellig in hun opvatting dat de verdachte op het moment dat hij de messen en de stok bij zich stak nog over keuzemogelijkheden beschikte en het gevaar van deze wapens onderkende. Bovendien hebben de deskundigen ter zitting aangegeven dat zij niet hebben kunnen vaststellen of er sprake is geweest van een toestand van dissociatieve amnesie ten tijde van het steken dan wel of het "zwarte gat" pas daarna is ontstaan. Deskundige Kaiser wijst er verder op dat een getuige de dader hoorde roepen: "Het is mijn vader. Hij bedreigt mijn kinderen met de dood en nou moet hij zelf dood" hetgeen er op zou kunnen wijzen dat de verdachte zich op dat moment meer bewust was van zijn handelen dan hij tijdens het onderzoek toonde. De rechtbank is van oordeel dat deze uitroep in combinatie met de uitlatingen van de verdachte vlak na de steekpartij en het verzenden van een sms-bericht naar zijn moeder zich moeilijk laten verenigen met een volledige dissociatieve amnesie, ook al sluiten de deskundigen dit niet uit. Tenslotte wijst de rechtbank er op dat de deskundigen - anders dan de rechtbank - met de verdachte mee zijn gegaan in zijn verhaal dat er geen sprake is geweest van planmatig handelen en dat de confrontatie met zijn vader derhalve volkomen onverwacht was, hetgeen mogelijkerwijs tot een andere interpretatie van de gebeurtenissen aanleiding geeft.

Het geheel overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat er geen sprake was van psychische overmacht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

De verdachte heeft zijn vader van het leven beroofd.

Er waren bij de verdachte al enige tijd spanningen met betrekking tot zijn vader die de verdachte en zijn omgeving het leven zuur maakte. Toen de verdachte op zijn werk gebeld werd door zijn echtgenote die hem mededeelde dat zijn vader weer had gebeld, is de verdachte naar huis gegaan, heeft zich omgekleed, heeft twee messen en een stok bij zich gestoken, en is naar de bakker gegaan waar zijn vader zijn inkopen pleegt te doen. Toen de verdachte zijn vader daadwerkelijk bij de bakker naar binnen zag gaan, heeft hij zich verscholen achter een busje en heeft daar gewacht tot het slachtoffer weer naar buiten kwam. Toen hij uiteindelijk oog in oog kwam te staan met het slachtoffer, heeft hij hem aangesproken en is vervolgens op zijn vader gaan insteken. De verdachte heeft zijn vader meer dan 30 messteken toegebracht. Het slachtoffer is aan de gevolgen hiervan in de ambulance overleden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij na kalm beraad heeft beschikt over het leven van zijn vader, door op klaarlichte dag, op de openbare weg, in een drukke woonwijk met winkels, op zijn vader in te steken. Iemand opzettelijk het leven benemen vormt een grote inbreuk op de rechtsorde en kan niet getolereerd worden.

Omtrent de persoon van de verdachte is op 15 juni 2005 een rapport uitgebracht door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater te 's-Gravenhage. Deze deskundige komt onder meer tot de volgende conclusies.

De jeugd en de traumatische belevingen van betrokkene van de gezinssituatie zijn van invloed geweest op het plegen van het telastgelegde feit.

Toen zijn vader in de laatste maanden forse bedreigingen ging uiten, leidde dat bij betrokkene tot het herbeleven van de kinderlijke angsten en woede ten opzichte van zijn vader, die hij in zijn jeugd verdrongen had.

Er was sprake van een aanpassingsstoornis bij betrokkene aan de situatie die hij niet adequaat oploste maar waarbij hij een lichte mate van dissociatie ging vertonen. Toen zijn vader ook doodsdreigingen uitte naar verdachtes vrouw en kinderen, verloor hij in toenemende mate de controle over zijn denken en gevoelens. De langdurende slapeloze nachten vanuit de spanning door deze situatie hebben bij betrokkene mogelijk bijgedragen aan dat controleverlies.

Er wordt, alles overziende, door onderzoeker besloten tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van het telastgelegde omdat er weliswaar ten tijde van het begaan van het telastgelegde feit bij betrokkene sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, maar hij maakte de keuze om de wapens waarvan hij het gevaar kende bij zich te nemen, terwijl het steken met het mes zelf waarschijnlijk in een toestand is gebeurd vanuit dissociatie.

De kans op herhaling is minimaal en slechts aanwezig als betrokkene weer in deze extreme omstandigheden terecht zou komen.

De deskundige heeft haar rapport ter terechtzitting toegelicht en ook genuanceerd in navolgende zin:

- er was bij de verdachte, vóór het steken, sprake van een persoonlijkheidsstoornis met dissociatieve neigingen, op grond waarvan er sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid;

- weliswaar werd er een toename van de dissociatie gezien, maar er valt niet te zeggen of er ten tijde van het steken met het mes sprake was van volledige dissociatie; de conclusie van de deskundige stopt bij het steken;

- indien de verdachte bewust zou hebben gestoken, zou hierbij, op grond van zijn voorgeschiedenis, verminderde toerekeningsvatbaarheid kunnen passen; indien de verdachte als in een schemertoestand zou hebben gehandeld, dan zou tot ontoerekeningsvatbaarheid zijn geconcludeerd; het is niet mogelijk tot het een of het ander te concluderen;

- er kan op het moment van steken sprake zijn geweest van een fugue-achtige situatie - een buiten zichzelf zijn - maar het is ook mogelijk dat dat niet zo is; de aard van het delict (het feit dat de verdachte meer dan dertig keer heeft ingestoken op zijn vader) wijst wel op controleverlies;

- als de verdachte zijn vader tegenkomt, is er nog geen sprake van een fugue-toestand, wel van een bepaalde mate van dissociatie, maar hij kòn - in verminderde mate - nog keuzes maken;

- op het moment dat de herinnering van de verdachte stopt, stopt het onderzoek;

- het feit dat de verdachte na het steken bepaalde uitspraken heeft gedaan, sluit niet uit dat er toch sprake is geweest van een fugue-situatie;

- het kan de verdachte niet worden verweten als hij in een toestand van dissociatie is geraakt, hij heeft daar geen greep op; wel kan hem worden verweten dat hij gedeeltelijk de keuze heeft gemaakt om zelf wapens mee te nemen;

-er kan niet met 100% zekerheid gezegd worden dat de verdachte niet simuleert.

Voorts is op 12 juni 2005 een rapport omtrent de verdachte uitgebracht door Prof.dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog te Enschede. Deze deskundige komt onder meer tot de volgende conclusies.

Betrokkene was al in een toestand van verminderd bewustzijn toen hij "beroerd" naar huis was gegaan. Hij kon echter wel beseffen dat hij op een gegeven moment "wapens" meenam voordat hij naar de bakkerij ging om zich eventueel te kunnen verdedigen.

Onderzoeker acht het aannemelijk dat betrokkene aanvankelijk wel in een zekere gedissocieerde toestand maar toch ook in een zekere vrijheid heeft gehandeld, terwijl het steken in een meer gedissocieerde toestand en daarmee in een verminderde mate van vrijheid heeft plaatsgevonden.

Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd betrokkene ten aanzien van het telastgelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ook deze deskundige heeft zijn rapport ter terechtzitting toegelicht en genuanceerd, en wel in navolgende zin:

- achteraf is niet meer na te gaan wat er in werkelijkheid heeft plaatsgevonden;

- niet uit te sluiten valt dat de verdachte planmatig tewerk is gegaan en dat er pas daarna sprake is van verdringing;

- het is mogelijk dat de verdachte een aantal dingen aan het reconstrueren is;

- aannemelijk kan worden geacht dat er al langere tijd een dissociatief proces gaande was;

- het aantal messteken dat de verdachte zijn vader heeft toegebracht past niet bij een planmatig handelen, wel bij een proces;

- er was sprake van een lichte dissociatie, die is toegenomen ten tijde van of kort voor het steken, maar het zijn hypothesen;

- er is achteraf niet te onderzoeken of er sprake was van volledige dissociatie, terwijl het ook niet uit te sluiten valt;

- het is niet onmogelijk dat het zenden van het sms'je naar zijn moeder zo snel na het delict, geschied is in een situatie van dissociatie, maar de dissociatie op dat moment is niet in die mate aanwezig als ervoor;

- op het moment dat de verdachte, voordat hij op pad ging, de wapens bij zich stak, had hij nog voldoende vrije wil;

- alles afwegende en ook rekening houdend met onzekerheden concludeert de deskundige tot verminderde toerekeningsvatbaarheid als een soort compromis, "omdat we het ook niet weten".

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 16 juni 2005, alsmede op het adviesrapport van de Reclassering Nederland d.d. 30 augustus 2005.

Gelet op het vorenstaande en met name gelet op de toelichting die de deskundigen op hun rapport hebben gegeven, neemt de rechtbank de conclusie van de beide deskundigen dat er bij de verdachte sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van het delict over en maakt die tot de hare.

De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte een moeilijk leven heeft gehad, opgroeiend in een gezin met de grote druk van een overheersende vader en dat hij, mede onder invloed hiervan, een persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld met een neiging tot dissociëren (op grond waarvan de verdachte thans verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht).

De rechtbank weegt voorts mee dat de verdachte zich verantwoordelijk achtte voor de bescherming van zijn vrouw, kinderen, moeder en zuster en zich daarin geheel alleen voelde staan. De verdachte heeft door de moord op zijn vader op een volstrekt verkeerde manier een uitweg gezocht uit voor hem te groot wordende problemen.

Voorts zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte laten wegen dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

In al hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding een sterk matigende werking op de op te leggen straf te doen uitgaan.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat na te melden gevangenisstraf passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 3, onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 en 5, verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met betrekking tot deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 en 2.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij

- gewijzigde - dagvaarding impliciet primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MOORD;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt, dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 21 december 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 24 december 2004;

verklaart onttrokken aan het verkeer het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 3, te weten: 1.00 STK Knipmes Kl:grijs;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 en 5, te weten: 4. 1.00 STK Stanleymes Kl:zwartgeel STANLEY breekmes; 5. 1.00 STK Honkbalknuppel Kl:bruin houten knuppel;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 en 2, te weten: 1. 1.00 STK Band SONY cassette, cassettebandje klpd driebergen; 2. 3.00 STK DVD-speler;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Geerars, voorzitter,

De Jong en Eisses, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2005.