Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2496

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
15-09-2005
Zaaknummer
AWB 04/41313, 04/41324
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV5306
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / vrouwen / westerse levensstijl / WBV 2004/60.

Eiseres is afkomstig uit Afghanistan en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking dient te komen voor verblijf op grond van haar westerse levensstijl. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het vrouw-zijn van eiseres geen grond voor verblijfsaanvaarding vormt. De rechtbank heeft het volgende overwogen. Uitgangspunt van het in het WBV 2004/60 van 5 oktober 2004, onder 4.2.1 weergegeven beleid inzake Afghaanse vrouwen is dat het aannemen van een westerse levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel niet zal leiden tot verblijfsaanvaarding. Echter, het gebruik van de term ‘in de regel’ duidt op een zekere ruimte voor uitzonderingen op dit algemene uitgangspunt. Nu eiseres reeds in de zienswijze heeft gewezen op haar westerse levensstijl en die van haar dochter had verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit moeten motiveren waarom in dit individuele geval desalniettemin van hen kan worden gevergd zich bij terugkeer te accommoderen. Verweerder heeft dit echter nagelaten. De conclusie dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000 wordt derhalve niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegen motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 04 / 41313 (beroepszaak eiser)

AWB 04 / 41324 (beroepszaak eiseres)

inzake: A, geboren op [...] 1965, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

B, geboren op [...] 1973, van Afghaanse nationaliteit, eiseres,

en hun minderjarige kinderen, tezamen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.G. Aalbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 19 maart 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag heeft eiser op 16 september 2004 beroep ingesteld. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 oktober 2004 afgewezen.

1.2 Eiseres heeft op 16 oktober 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag heeft eiseres op 16 september 2004 beroep ingesteld. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 19 november 2004 afgewezen.

1.3 Verweerder heeft twee afzonderlijke verweerschriften ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 juni 2005. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag.

2.3 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.4 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.5 Eisers hebben ter onderbouwing van hun aanvragen het volgende aangevoerd. Eisers zijn afkomstig uit Afghanistan en zijn Tadzjiek. Eiser heeft zijn land in september 1987 verlaten uit vrees voor de fundamentalisten vanwege zijn politieke ideeën en zijn lidmaatschap van Setam Melli, een communistische anti-religieuze groepering. Tevens vreesde eiser te worden gedood omdat de fundamentalisten bang waren dat hij de dood van zijn oom zou willen wreken. Omdat eiser hierdoor in het buitenland moest verblijven heeft eiseres zich eveneens genoodzaakt gezien om uit Afghanistan te vertrekken.

2.6 Verweerder heeft zich ter zitting op het primaire standpunt gesteld dat het asielrelaas van eisers positieve overtuigingskracht ontbeert. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor problemen van de zijde van de fundamentalisten. Eisers komen ook niet in aanmerking voor verblijf op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, Vw. Het vrouw-zijn van eiseres vormt evenmin een grond voor verblijfsaanvaarding.

2.7 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw omdat zij in verband met eisers politieke ideeën en de dood van eisers oom te vrezen hebben voor problemen met de fundamentalisten. Tevens dient eisers verblijf te worden verleend op grond van hun westerse levensstijl. Voorts hebben eisers een beroep gedaan op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, d en e, Vw.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder op 14 oktober 2004 en 19 november 2004 reële besluiten heeft genomen. Derhalve is aan de onderhavige beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit het belang komen te ontvallen. Nu door eisers ook geen gronden zijn aangevoerd op grond waarvan nog enig belang aanwezig geacht zou moeten worden, zal de rechtbank de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

2.9 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.10 Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank toerekenbaar geen documenten overgelegd ter staving van identiteit en nationaliteit. De verklaring dat eiser zijn paspoort heeft moeten afstaan aan de reisagent is niet verschoonbaar. Immers, eiser draagt in dezen een eigen verantwoordelijkheid. Voor eiseres geldt dat uit het bestreden besluit noch uit het voornemen blijkt dat haar het ontbreken van documenten wordt tegengeworpen.

2.11 Nu eiser toerekenbaar geen identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kon overleggen, die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag, heeft verweerder die omstandigheid bij de waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen ten nadele van eiser bij het onderzoek naar de aanvraag kunnen betrekken. Dit geldt echter niet voor eiseres, nu niet is gebleken dat haar het ontbreken van documenten wordt tegengeworpen.

2.12 De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de Minister) pleegt het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de vreemdeling alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet. Indien aan dat laatste vereiste niet wordt voldaan, dan mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.13 Met toepassing van de hiervoor weergegeven maatstaf is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Niet is onderbouwd dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Nergens wordt er door verweerder melding gemaakt van hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen of tegenstrijdigheden. Verweerder heeft derhalve niet in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Nu niet is gebleken dat eiseres het ontbreken van documenten wordt tegengeworpen, heeft verweerder in haar geval in redelijkheid niet kunnen concluderen dat haar relaas niet geloofwaardig is.

2.14 Met betrekking tot het betoog dat eiseres vanwege haar westerse levensstijl in aanmerking dient te komen voor verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw, overweegt de rechtbank het volgende. In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2004/60 van 5 oktober 2004 staat over vrouwen die (in Nederland) een westerse levensstijl hebben aangenomen onder 4.2.1 het volgende vermeld. ‘Overtreding van de geldende sociale normen kan blijkens het ambtsbericht voor het betrokken individu ernstige gevolgen hebben. Hoewel dit zo is, zal het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers, het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen.’ Uitgangspunt van het beleid is dat het aannemen van een westerse levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst niet zal leiden tot verblijfsaanvaarding. Echter, het gebruik van de term ‘in de regel’ duidt op een zekere ruimte voor uitzonderingen op dit algemene uitgangspunt. Nu eiseres reeds in de zienswijze heeft gewezen op haar westerse levensstijl en die van haar dochter, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit moeten motiveren waarom in dit individuele geval desalniettemin van hen kan worden gevergd zich bij terugkeer te accommoderen. Verweerder heeft dit echter nagelaten. De conclusie dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw wordt derhalve niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegen motivering.

2.15 Nu het beroep van eiseres reeds gegrond zal worden verklaard op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw, behoeven de overige gronden geen verdere bespreking.

2.16 Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw overweegt de rechtbank het volgende. Niet is gebleken dat eiser in verband met zijn lidmaatschap van Setam Melli of politieke opvattingen problemen heeft ondervonden van de zijde van de fundamentalisten. Eisers detentie in 1980 in verband met verdenking van lidmaatschap van voornoemde groepering vond plaats voordat hij lid werd. Na zijn vertrek uit Afghanistan in 1987 is eiser bovendien nog diverse malen met vakantie geweest in zijn land van herkomst, zonder daarbij ooit problemen van de zijde van de fundamentalisten te hebben ondervonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser derhalve niet aannemelijk weten te maken dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn politieke opvattingen en zijn lidmaatschap van Setam Melli. De omstandigheid dat eiser zijn politieke activiteiten in het buitenland heeft voortgezet leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft deze activiteiten immers verricht onder pseudoniem, zodat het niet aannemelijk is dat men hiervan in het land van herkomst op de hoogte is. Voorts acht de rechtbank de enkele stelling dat eiser is verwesterd en dat dit voor iedereen waarneembaar is, onvoldoende voor verblijfsaanvaarding op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

2.17 Ten aanzien van de stelling dat eiser het risico loopt te worden uitgeschakeld door de fundamentalisten omdat zij bang zijn voor eerwraak van de zijde van eiser in verband met de dood van zijn oom, overweegt de rechtbank dat deze louter op vermoedens van eiser berust. Uit de omstandigheid dat eisers vader bezoek heeft gehad van fundamentalisten volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat eiser in verband met de dood van zijn oom in de negatieve belangstelling van de fundamentalisten staat. Gelet op het voorgaande alsmede hetgeen is overwogen omtrent vluchtelingschap komt eiser niet in aanmerking voor verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

2.18 Eiser heeft gesteld dat hij bij terugkeer in een humanitaire noodsituatie terecht zal komen. Een nadere onderbouwing van deze stelling ontbreekt echter. De rechtbank acht dit onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

2.19 Eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw slaagt evenmin. Bij brief van 9 september 2002 (Tweede Kamer, 2001-2002, 19 637, nr. 680) heeft de Minister op grond van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 19 augustus 2002 besloten om het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Afghanistan te beëindigen. Bij uitspraak van 4 februari 2003, 200206105/1 is dat beleid door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) gesanctioneerd. Bij brief van 5 januari 2004 (Tweede Kamer, 2003-2004, 19 637, nr. 792) heeft de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer bericht dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 12 november 2003 voor de Minister geen aanleiding vormt om zijn standpunt met betrekking tot het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghanistan te wijzigen. Bij uitspraak van 9 november 2004, 200405058/1 is ook dat beleid door de Afdeling gesanctioneerd.

2.20 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep van eiseres heeft verweerder niet op goede gronden kunnen beslissen dat eiser in zijn hoedanigheid van echtgenoot niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw.

2.21 De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:46 Awb.

2.22 De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

2.23 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 966,-- (2 punten voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart de beroepen voor het overig gegrond;

3.3 vernietigt de bestreden besluiten;

3.4 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvragen van 19 maart 2002 en 16 oktober 2001 met inachtneming van deze uitspraak;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005, in tegenwoordigheid van

mr. C.C. Flaes als griffier.

afschrift verzonden op: 25 juli 2005

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.