Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2005
Datum publicatie
05-09-2005
Zaaknummer
AWB 05/1021 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU8729
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AY5498
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] In artikel 4, eerste en vijfde lid, WEC is het uitgangspunt vastgelegd dat ouders van leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs zich voor een bijdrage in de kosten van het dagelijks vervoer naar school kunnen wenden tot de gemeente waarin de leerling verblijft. Dat de wetgever voor dit uitgangspunt heeft gekozen blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wet gemeentelijke regelingen schoolvervoer (Stb. 1986, 719), waarbij artikel 54 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (thans: artikel 4 WEC) is aangepast (zie: Kamerstukken II, 18841, nr. 6, p. 18). Indien een leerling feitelijk in een andere gemeente verblijft dan die waarin zijn ouders wonen, dient die andere gemeente het schoolvervoer te bekostigen. Noch uit de tekst van artikel 4 WEC, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van het daarin bepaalde is af te leiden dat daarbij slechts één gemeente tot bekostiging van het schoolvervoer van een leerling kan zijn gehouden. [...]

Voorlopige voorziening in hoger beroep: verweerder hoeft tot uitspraak in bodemprocedure geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. LJN AU8729

Wetsverwijzingen
Wet op de expertisecentra
Wet op de expertisecentra 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/1021 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [Y], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van [X], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 5 juli 2004 heeft eiser ten behoeve van zijn minderjarige zoon [zoon eiser] bij verweerder voor het schooljaar 2004-2005 een aanvraag gedaan voor aangepast leerlingenvervoer in de oneven weken van het jaar.

Bij brief van 14 juli 2004 heeft de medewerkster welzijn en publiekszaken van de gemeente [X] eiser medegedeeld dat de aanvraag wordt afgewezen.

Bij brief van 1 augustus 2004 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Op 27 september 2004 is eiser gehoord door kamer 2 van de onafhankelijke adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften [gemeenten] (hierna: de adviescommissie).

Bij brief van 12 november 2004 heeft de adviescommissie advies uitgebracht.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft verweerder het besluit van 14 juli 2004 voor zijn rekening genomen en het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 16 februari 2005, ingekomen bij de rechtbank op 18 februari 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn nader aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 12 augustus 2005 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij de CNV Vakcentrale. Verweerder heeft zich, na voorafgaand bericht daartoe, niet laten vertegenwoordigen.

Motivering

De zoon van eiser, [zoon eiser], is meervoudig gehandicapt. Met ingang van 4 augustus 2004 verblijft hij in de oneven weken van het jaar van maandag tot en met vrijdag bij een woonproject te [X] van [woonproject]. Op de overige dagen van het jaar verblijft hij bij zijn ouders in [Y]. Deze situatie zal ongeveer 21/2 jaar voortduren. [zoon eiser] bezoekt [school] te [plaats], een school voor speciaal onderwijs (hierna: ook de school). De gemeente [Y] vergoedt het schoolvervoer in de even weken van het jaar.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (WEC), voorzover hier van belang, verstrekken burgemeester en wethouders ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dat artikel.

Op grond van artikel 4, vijfde lid, WEC, voorzover hier van belang, bepaalt die nadere regeling dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, en gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.

De Verordening leerlingenvervoer gemeente [X] (hierna: de Verordening) is een regeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, WEC.

Artikel 2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat het college ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toekent met inachtneming van het bepaalde in de Verordening.

Artikel 3, eerste lid, van de Verordening, voorzover hier van belang, bepaalt dat bekostiging van vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning, dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.

Artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening verstaat onder woning: de plaats waar de leerling feitelijk zijn hoofdverblijf heeft.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het woonproject in [X] niet kan worden aangemerkt als het hoofdverblijf van de zoon van eiser en derhalve evenmin als woning in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening. Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Verordening komt eiser dan ook niet voor bekostiging van leerlingenvervoer in aanmerking.

Eiser heeft verweerders standpunt gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 4, eerste en vijfde lid, WEC is het uitgangspunt vastgelegd dat ouders van leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs zich voor een bijdrage in de kosten van het dagelijks vervoer naar school kunnen wenden tot de gemeente waarin de leerling verblijft. Dat de wetgever voor dit uitgangspunt heeft gekozen blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wet gemeentelijke regelingen schoolvervoer (Stb. 1986, 719), waarbij artikel 54 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (thans: artikel 4 WEC) is aangepast (zie: Kamerstukken II, 18841, nr. 6, p. 18). Indien een leerling feitelijk in een andere gemeente verblijft dan die waarin zijn ouders wonen, dient die andere gemeente het schoolvervoer te bekostigen. Noch uit de tekst van artikel 4 WEC, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van het daarin bepaalde is af te leiden dat daarbij slechts één gemeente tot bekostiging van het schoolvervoer van een leerling kan zijn gehouden. Indien de leerling afwisselend in twee gemeenten een gebruikelijke feitelijke verblijfplaats heeft van waaruit hij naar school moet worden vervoerd, kan dan ook in beide gemeenten aanspraak op vergoeding worden gemaakt.

Met de in artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening neergelegde omschrijving van het begrip 'woning' is aansluiting gezocht bij voormeld uitgangspunt van de WEC. Uit de in dat artikel in gehanteerde term 'hoofdverblijf' vloeit voort dat het feitelijk verblijf in de gemeente (in meer of mindere mate) een structureel karakter dient te hebben (vgl.: Kamerstukken I, 25798, nr. 15b, p. 3). De opvatting van verweerder dat slechts sprake kan zijn van één hoofdverblijf vindt echter geen steun in de wet.

In dit geval verblijft de zoon van eiser gedurende het schooljaar een gelijk aantal weken in de gemeenten [Y] en [X]. Die situatie is van structurele aard. Naar het oordeel van de rechtbank moet [X] om deze redenen, naast [Y], als hoofdverblijfplaats van eisers zoon worden aangemerkt. Nu verder niet in geschil is dat aan alle andere voorwaarden is voldaan dient verweerder het schoolvervoer in de oneven weken van het jaar te bekostigen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de Verordening.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 11 januari 2005;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente [X] aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 136,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten de gemeente [X] aan eiser dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr.drs. J.J.I. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.R. Schouten-Korwa.