Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1829

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2005
Datum publicatie
01-09-2005
Zaaknummer
AWB 03/6407, 03/6430
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / cessation clause / dwingende redenen / toetsingvolgorde / genderbeleid.

Volgens eisers moet verweerder eerst vaststellen of zij vluchteling waren toen zij Afghanistan verlieten, en pas vervolgens oordelen of zij op grond van artikel 1C VSV, de zogenaamde cessation clause, geen vluchteling meer zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met dwingende redenen om van toepassing van die bepaling af te zien. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt onjuist is. Verweerder mag, gelijk de toetsingsvolgorde bij toepassing van artikel 1F VSV, ook onmiddellijk bezien of eisers in ieder geval geen vluchteling meer zijn. De dwingende redenen zijn geen beperking op toepassing van de cessation clause op grond van wet of verdrag, maar op grond van beleid, namelijk paragraaf C6/31.2.4.3 Vc 2000. Verweerder mocht de cessation clause in casu toepassen. Verweerder heeft echter verzuimd te toetsen aan de beleidsregel. Vernietiging op grond van motiveringsgebrek, ook omdat verweerder verzuimd heeft te toetsen aan het beleid ten aanzien van verwesterde vrouwen en meisjes in Afghanistan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr.: AWB 03/6407

AWB 03/6430

V-nr: 070.206.8793

070.206.8795

inzake: 1. A, geboren op [...] 1951, eiser en

2. B, geboren op [...] 1964, eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen,

C, geboren op [...] 1990, D, geboren op [...] 1991 en E, geboren op [...]1996,

allen van de Afghaanse nationaliteit, hierna te noemen eisers,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van

het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 30 oktober 2001 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

Op 20 september 2002 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brief van 18 oktober en 24 december 2002 hebben eisers hun zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluiten van 13 januari 2003 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

2. Bij beroepschriften van 31 januari 2003,aangevuld bij brieven van 28 september 2004 en 13 maart 2005, hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 5 maart 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Op 6 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2005. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.J. Omarkhel, tolk Dari.

II. Asielrelaas

Vanwege zijn werk als kunstenaar heeft eiser problemen gehad met de Mujaheddin. Met de hulp van een invloedrijk persoon zijn deze problemen opgelost. Eiser had een spottende tekening gemaakt van een hooggeplaatst commandant. De directeur van de rechtbank van F heeft eiser geholpen om te voorkomen dat hij voor deze tekening berecht zou worden. Eiser heeft toen geen tekeningen meer gemaakt. Samen met vrienden was eiser bezig met geheime activiteiten tegen de Taliban. Eiser maakte cartoon-tekeningen om de wandaden van de Taliban te bekritiseren en openbaar te maken. Een van de vrienden had tekeningen van eiser in zijn bezit. Op 1 september 2001 hebben de Taliban deze vriend opgepakt en huiszoeking verricht. Op 4 september 2001 kreeg eiser, terwijl hij in de Moskee was om te bidden, te horen dat de Taliban in zijn winkel waren om hem te arresteren. Eiser is toen direct naar zijn woning gegaan en heeft belastende papieren en schilderijen in brand gestoken. Vervolgens is eiser met zijn gezin naar de woning van zijn schoonvader gegaan. De schoonvader heeft eiser en zijn gezin geholpen te vluchten. Op 9 september 2001 heeft eiser zijn land verlaten en is met de hulp van een reisagent naar Nederland gevlucht. Het asielrelaas van eiseres is afhankelijk van dat van eiser.

III. Standpunten partijen

1. Eisers hebben aan het beroep ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Ten eerste stellen eisers dat verweerder in strijd met artikel 39, eerste lid, Vw 2000 heeft gehandeld nu in de beschikking een nieuwe afwijzingsgrond is opgenomen. Primair stellen zij zich op het standpunt dat verweerder een nieuw voornemen had moeten uitbrengen en subsidiair dat zij op grond van artikel 3:2 Awb opnieuw dienden te worden gehoord.

Ten aanzien van het vluchtelingschap stellen eisers dat verweerder in strijd met de zogenaamde cessationclause handelt. Eiser was op het moment van zijn vlucht een vluchteling in de zin van het Verdrag. In de onderhavige beschikking is niet voldaan aan de zware eisen die het vluchtelingenverdrag stelt aan het verlies van de vluchtelingenstatus door verbetering van omstandigheden. Verder is verweerder niet ingegaan op paragraaf 82 van het Handbook on procedures and criteria for determining refugee status (hierna: het Handbook) van de UNHCR terwijl hier wel naar is verwezen in de zienswijze. Eisers stellen dat zij ook in de huidige situatie in Afghanistan nog steeds te vrezen hebben voor vervolging. Gelet op de aard van zijn kunstwerken zal eiser ook in het huidige Afghanistan problemen ondervinden zowel van de zijde van de overheid als van de burgers van Afghanistan die nog steeds de leer van de Taliban aanhangen.

Ten aanzien van het risico dat eisers lopen op een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hebben zij in de zienswijze verwezen naar het algemeen ambtsbericht van augustus 2002; verweerder is hier niet op ingegaan. Voorts wordt in de beschikking niet ingegaan op de psychische gesteldheid van eiser, bij de beoordeling van het risico als bedoeld in artikel 3 EVRM, dient dit te worden betrokken.

Ten aanzien van eiseres stellen zij zich op het standpunt dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het speciale beleid als neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/29.

Voorts doen eisers een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. In de bestreden beschikking heeft verweerder dit ten onrechte beperkt tot het zogenoemde traumatabeleid terwijl deze grond ook ziet op andere klemmende redenen van humanitaire aard. Dit is een ongeoorloofde beperking van het ruimere wettelijke begrip. Tot slot voert verweerder ten onrechte geen speciaal beleid van categoriale bescherming meer voor Afghanistan. Verweerder is in de beschikking onvoldoende ingegaan op hetgeen eisers hierover in de zienswijze hebben aangevoerd.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Voor de beoordeling van de aanvraag is van belang de huidige situatie in Afghanistan. Verweerder verwijst hiervoor naar het algemeen ambtsbericht van 19 augustus 2002 (DPV/AM-772662). Gelet hierop zijn er geen gronden om eisers in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op een van de gronden als bedoeld in artikel 29 Vw 2000.

IV. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in het licht van het bepaalde in artikel 8:69 Awb in rechte stand kunnen houden.

2. Eisers klagen dat verweerder gehouden was een nieuw voornemen uit te brengen, alvorens hij als (subsidiaire) afwijzingsgrond mocht gebruiken zijn oordeel dat eiser (ook) geen vluchteling was onder het Taliban-regime, omdat daaraan in het voornemen geen overwegingen waren gewijd. Het betoog van eisers is in zijn algemeenheid juist. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 september 2004, JV 2004, 413.

Echter, de grond voor de afwijzing van de aanvragen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, is gelegen in de beoordeling van de veranderde en huidige situatie in Afghanistan. De overwegingen in de bestreden beschikking ten aanzien van de problemen die eisers in het verleden hebben ondervonden van de Taliban, zijn ten overvloede door verweerder in de beschikking opgenomen, zodat, zolang de beschikking zonder deze overwegingen kan standhouden, deze klacht niet tot de vernietiging van het besluit leidt. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in evengenoemde uitspraak van de Afdeling. Nu, zoals uit volgende zal blijken, de beschikking, zij het met een nadere motivering, stand zou kunnen houden zonder de ten overvloede gegeven overwegingen, faalt deze klacht van eisers vooralsnog.

3. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de klacht van eisers over het niet nader horen faalt. In het wettelijk stelsel ten aanzien van de procedurele bepalingen bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is geen hoorplicht opgenomen. Eisers zijn conform artikel 39, tweede lid, Vw 2000 in de gelegenheid gesteld hun zienswijze schriftelijk uit te brengen.

4. Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van de Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

e. (…)

f. (…).

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

7. Ingevolge artikel 1, onder l, Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag).

Ingevolge artikel 1(A)-2 Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 1(C)-5 Vluchtelingenverdrag houdt dit verdrag op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien: (…) hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan, met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen.

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 03/6407

8. Blijkens het bestreden besluit neemt verweerder, uitgaande van de geloofwaardigheid van het asielrelaas,

het standpunt in dat eiser met de door hem gestelde feiten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in geval van terugkeer naar het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder juist is en overweegt daartoe het volgende.

9. In de bestreden beschikking is door verweerder gemotiveerd weergegeven dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onder het huidige regime in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn activiteiten als kunstenaar. In het voornemen heeft verweerder dit standpunt onderbouwd onder verwijzing naar het ambtsbericht van 19 augustus 2002. Uit dit ambtsbericht blijkt dat van overheidswege geen officiële restricties van kracht zijn jegens niet overheidsgebonden media. Daarnaast stelt verweerder dat eisers gestelde vrees voor de plaatselijke bevolking in verband met de aard van zijn schilderijen geen grond is eiser aan te merken als vluchteling. Eisers stelling dat de bevolking analfabeet is en dat zij het gedachtegoed van de Taliban nog aanhangen, maakt dit niet anders.

Eisers klacht richt zich er tegen dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan de door eiser aangehaalde paragraaf 82 van het Handbook. De rechtbank overweegt dat deze paragraaf ziet op de situatie dat vrees voor vervolging bestaat op grond van een politieke mening die door de vreemdeling ook daadwerkelijk is geuit en die onder de attentie van de autoriteiten is gekomen dan wel een mening die hij gelet op zijn sterke overtuigingen niet voor zich zal kunnen houden. Het gaat om dit laatste, eiser denkt zijn overtuiging niet voor zich kunnen houden en daarom vanwege zijn alsdan gedane kunstuitingen in de problemen te zullen komen met het huidige regime.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de gestelde problemen van eiser als kunstenaar, paragraaf 82 van het Handbook niet relevant is, zodat verweerder hier in de bestreden beschikking niet op in hoefde te gaan. Immers, eiser heeft met zijn kunst in het verleden de misstanden onder het Taliban-regime aan de kaak gesteld. De uiting van die politieke opvatting via zijn kunst zal onder het huidige regime een andere betekenis hebben. In het besluit en voornemen heeft verweerder dit door verwijzing naar de verandering van het regime en de persvrijheid in voldoende mate onder ogen gezien. Ook overigens is in hetgeen door eiser is aangevoerd, geen grond te vinden voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

10. Eisers betogen in beroep dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de cessation clause, neergelegd in artikel 1(C)-5 Vluchtelingenverdrag. Reeds in de zienswijze was door eisers naar voren gebracht dat verweerder dit had moeten doen. In het bijzonder, aldus in deze zienswijze, had bezien moeten worden of er geen sprake was van dwingende redenen om de cessation clause niet toe te passen in verband met de psychische marteling die eisers hebben ondergaan onder het regime van de Taliban en de voortduring van hun psychische klachten. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

11. Een vreemdeling wordt vluchteling of verliest die status indien voldaan is aan bepalingen uit het Vluchtelingenverdrag. Het verkrijgen of verlies van die status hangt niet af van een beslissing of handeling van de staat die al dan niet bescherming verleent. De erkenning als vluchteling heeft declaratoire werking.

Indien een asielzoeker zijn land verlaat, en nadien de situatie in zijn land zich wijzigt, dan kan hij gedurende enige tijd de status van vluchteling hebben gehad, en die weer verloren hebben op grond van de cessation clause zonder dat het een of ander door een staat is erkend of vastgesteld. De staat die een asielverzoek van een dergelijke vreemdeling beoordeelt, zal slechts tot de niet-erkenning kunnen overgaan, indien hij vaststelt dat de asielzoeker na het verlaten van zijn land van herkomst geen vluchteling is geweest, dan wel dat de betrokkene geen vluchteling meer is door de werking van de cessation clause. Die staat kan niet volstaan met vaststelling dat de asielzoeker op het moment van beoordeling niet voldoet aan de vluchtelingendefinitie van artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in het meergenoemde Handbook, de uitspraak van de ABRS van 12 november 2004, nr. 200404769/1, LJN AR7443, en de J.C. Hathaway, The law of Refugee Status, 1991, p. 190. Daaraan doet niet af dat artikel 1(C)-5 Vluchtelingenverdrag handelt over omstandigheden in verband waarmee de betrokkene als vluchteling is erkend. In het licht van de bedoeling van het verdrag zal dit de normale situatie zijn, namelijk een spoedige beoordeling van het asielverzoek na het verlaten van het land van herkomst en een eventuele latere wijziging van omstandigheden. De onderhavige situatie, waarin die beoordeling lang uitblijft en in de tussen tijd de situatie in het land van herkomst wijzigt, moet in het licht van de bedoeling van het verdrag als uitzonderlijk worden beschouwd. Daarom moet aan de woorden “is erkend” geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Dit betekent niet dat verweerder in het laatst bedoelde geval eerst moet vaststellen of de betrokkene vluchteling is geweest, alvorens te beoordelen of de cessation clause in werking is getreden: verweerder zal in een dergelijk geval kunnen volstaan met beoordeling van dit laatste, naast, indien dat nodig is, te onderzoeken of de betrokkene in het licht van de nieuwe situatie in zijn land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de ABRS van 27 oktober 2003, JV 2003, 555 ten aanzien van de exclusion clause van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.

12. Niet in geschil is dat eisers hun land van herkomst hebben verlaten toen het regime van de Taliban nog aan de macht was, namelijk op 9 september 2001. In het voornemen met het oog op de beide thans bestreden besluiten heeft verweerder op 20 september 2002 overwogen dat hij niet behoefde in te gaan op de problemen die eisers van de zijde van de Taliban hadden ondervonden, omdat Afghanistan inmiddels niet meer onder controle stond van dit regime, maar van de Noordelijke Alliantie, en dat inmiddels een interim-regering was aangesteld, hetgeen is bekrachtigd met een resolutie van de VN-Veiligheidsraad. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 19 augustus 2002.

In de bestreden besluiten 13 januari 2003 heeft verweerder verwezen naar het voornemen en herhaald dat de Taliban niet meer aan de macht zijn en dat er een nieuwe regering is. Verweerder heeft hieraan de conclusie verbonden dat de aanvraag beoordeeld moest worden naar de huidige situatie in het land van herkomst. In het verweerschrift heeft verweerder in dit standpunt volhard.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus, zij het zonder verwijzing naar artikel 1(C)-5 Vluchtelingenverdrag, wel getoetst heeft aan de cessation clause en op de genoemde overwegingen terecht tot het oordeel is gekomen dat er in Afghanistan na het vertrek van eisers uit dat land sprake is van een bestendige en ingrijpende wijziging van de omstandigheden, die hebben geleid tot andere politieke en stabiele machtsstructuren, waardoor de vrees voor vervolging door de Taliban is weggevallen. In dit licht kon verweerder volstaan met deze vaststelling en behoefde hij niet meer te beoordelen of eisers onder het Taliban-regime moesten worden erkend als vluchteling. In zoverre zijn verweerders overwegingen daaromtrent inderdaad ten overvloede gegeven.

14. Rest de vraag of, zoals eisers betogen, de cessation clause buiten toepassing moet blijven wegens dwingende omstandigheden, zoals genoemd in de uitzonderingsregel, ook neergelegd in artikel 1(C)-5 Vluchtelingenverdrag. Eisers hebben in dat verband een beroep gedaan op de omstandigheid dat zijn psychisch gemarteld zijn en de gevolgen daarvan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift heeft gereageerd op deze reeds in de zienswijze opgenomen bedenking tegen het voorgenomen besluit.

15. De bedoelde uitzonderingsregel heeft volgens het verdrag alleen betrekking op vreemdelingen, die de status van vluchteling hebben op grond van artikel 1(A)-1 Vluchtelingenverdrag. Gesteld noch gebleken is dat eisers op grond van de regelingen in dat artikellid, die dateren uit de periode 1926 tot en met 1939, beschouwd worden als vluchteling.

Verweerder heeft in paragraaf C6/31.2.4.3 Vreemdelingencirculaire 2000 deze uitzonderingsregel herhaald in de parafrase van artikel 1(C) Vluchtelingenverdrag. De rechtbank beschouwt, gelet op paragraaf 136 van het Handbook, deze weergave als een van het verdrag afwijkende, voor vreemdelingen gunstigere beleidsregel. De regel ziet, gelet op het tijdstip waarop deze werd geformuleerd (1951) en de doelgroep waarvoor hij werd geschreven (de slachtoffers van vervolging vóór en in de Tweede Wereldoorlog), op omstandigheden waarin sprake is geweest van zeer zware en wrede vervolgingshandelingen. Van dergelijke omstandigheden is in het asielrelaas van eisers geen sprake. Eisers hebben volgens hun relaas immers Afghanistan verlaten voordat sprake was van feitelijke vervolgingshandelingen van de zijde van de Taliban. Verweerder kon derhalve afzien van het toepassen van deze uitzonderingsregel. Dat diende evenwel in het licht van hetgeen in het voornemen en de beschikking is overwogen en gelet op het karakter en de inhoud van de regel, naar aanleiding van de expliciete bedenking in het voornemen wel gemotiveerd te geschieden.

16. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de verblijfsvergunning op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kunnen weigeren, doch is hij tekortgeschoten in zijn verplichting het besluit op dit punt deugdelijk te motiveren. Het besluit komt derhalve in aanmerking voor vernietiging op grond van artikel 3: 46 Awb.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Zij overweegt daartoe als volgt. De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte is voorbij gegaan aan de verwijzingen in de zienswijze naar het algemeen ambtsbericht wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank stelt vast dat gelet op de inhoud van de door eiser ingediende zienswijze het ambtsbericht enkel is aangehaald in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en d, Vw 2000. Deze klacht van eiser faalt derhalve.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er een 3 EVRM risico bestaat op grond van zijn psychische gesteldheid. Eiser verwijst naar de overgelegde medische verklaringen van het Medisch Orgaan Asielzoekers (MOA). Ten aanzien van dit standpunt overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 2 mei 1997 (RV 1997/70) en 6 februari 2001 (JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Mocht eiser van mening zijn dat hij op medische gronden voor verblijf in aanmerking dient te komen, dan staat eiser de mogelijkheid ter beschikking hiervoor een reguliere aanvraag in te dienen. Ook deze klacht van eiser faalt.

18. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de verblijfsvergunning op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 kunnen weigeren.

19. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank verstaat de gronden van eiser ten aanzien van het zogenaamde traumatabeleid aldus dat eiser kennelijk heeft bedoeld te stellen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 zich niet beperkt tot het zogenaamde traumatabeleid. Ten aanzien van deze stelling van eiser merkt de rechtbank als eerste op dat verweerder ten aanzien van deze bepaling de bevoegdheid heeft beleid te voeren nu deze wettelijke bepaling hier de ruimte voor geeft. Derhalve is verweerder ook bevoegd dit beleid te beperken tot het zogenaamde traumata beleid, de stelling van eiser duidt derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Verweerder heeft echter in de bestreden beschikking wel getoetst aan een bredere opvatting over genoemd artikel. In het voornemen, welk in de bestreden beschikking als ingelast en herhaald beschouwd dient te worden, is immers door verweerder overwogen dat:

“Evenmin is gesteld noch gebleken dat er in casu sprake is van een bijzondere individuele klemmende reden van humanitaire aard, verband houdende met de reden van vertrek en het asielrelaas, wat aanleiding zou kunnen geven voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. “

In de bestreden beschikking is overwogen dat de zienswijze niet noopte tot een nadere overweging. De klacht van eiser faalt.

20. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat in dit geval geen sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000.

21. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 overweegt de rechtbank het volgende.

Ter zake van de vraag of een asielzoeker op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt, komt verweerder, zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 8 november 2001 (200104464/1, JV 2002/12) een ruime beoordelingsmarge toe.

Bij de beoordeling van de vraag of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is, beziet verweerder of wordt voldaan aan de maatstaven, neergelegd in artikel 3.106 Vreemdelingenbesluit 2000 en de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588), in het bijzonder aan de maatstaf of sprake is van een, naar plaatselijke maatstaven gemeten, categoriale humanitaire noodsituatie, dat wil zeggen of in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat ten gevolge van de algemene humanitaire situatie.

Bij brief van 9 september 2002 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft de Minister bericht dat het kabinet, naar aanleiding van het ambtsbericht over Afghanistan van 19 augustus 2002 van de Minister van Buitenlandse Zaken, heeft besloten het categoriale beschermingsbeleid te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het categoriale beschermingsbeleid voor Afghanistan niet langer geïndiceerd was. Daartoe wordt overwogen dat de ABRS bij uitspraak van 4 februari 2003, kenmerk 200206105/1, de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid heeft gesanctioneerd. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat uit diverse bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan niet is verbeterd, is onvoldoende om dit anders te maken. De klacht treft dan ook geen doel.

22. Op grond van het voorgaande wordt het beroep gegrond verklaard.

23. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 03/6430

24. Blijkens het bestreden besluit neemt verweerder, uitgaande van de geloofwaardigheid van het asielrelaas,

het standpunt in dat eiseres met de door haar gestelde feiten niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in geval van terugkeer naar het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het relaas van eiseres is volledig afhankelijk van dat van haar echtgenoot, eiser. Gelet op hetgeen hierboven is gesteld ten aanzien van het beroep van eiser, heeft verweerder ook ten aanzien van eiseres terecht gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, doch leidt het besluit op dit punt aan een motiveringsgebrek, op grond waarvan het in verband met artikel 3:46 Awb moet worden vernietigd.

25. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ten aanzien van dit standpunt overweegt de rechtbank als volgt.

Voor wat betreft het beroep van eiseres op haar medische omstandigheden, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven in rechtsoverweging 9 is overwogen ten aanzien van het beroep van eiser.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in de bestreden beschikking voorbij is gegaan aan het feit dat eiseres en haar dochter verwesterde vrouwen zijn en dat eiseres reeds voor haar vertrek uit het land van herkomst problemen heeft ondervonden, het is voor eiseres en haar dochter onmogelijk zich wederom aan te passen aan de Middeleeuwse normen die in het land van herkomst tot op de dag van vandaag gelden. Eiseres verwijst naar TBV 2003/22 waarin een speciaal beleid ten aanzien van Afghaanse vrouwen is opgenomen alsmede naar het ambtsbericht van augustus 2002 waarin de situatie van vrouwen in Afghanistan duidelijk naar voren komt. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier in de bestreden beschikking op geen enkele wijze op in is gegaan.

26. Gelet op het vorenstaande kan het standpunt van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 geen standhouden en komt het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:46 Awb in aanmerking voor vernietiging, zodat het beroep gegrond is.

27. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

V. Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 03/6407

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-(zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 03/6430:

1. verklaart het beroep gegrond

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-(zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2005, door mr. O.L.H.W.I. Korte, lid van de enkelvoudige kamer, bij verhindering van de zittingsgriffier in tegenwoordigheid van mr. F.M. Rensenbrink, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag; zie ook www.raadvanstate.nl). Ingevolge artikel 69, eerste lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 27 juli 2005

Conc:FR

Bp: -

D:B