Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1481

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
26-08-2005
Zaaknummer
AWB 03/44188
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / motiveringsgebrek / dwang.

In eisers geval is sprake van knowing en personal participation, maar verweerder heeft eisers verweer dat de gedragingen zijn verricht onder dwang van de RUF-rebellen en dat eiser mitsdien is gevrijwaard van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd weerlegd. Vooropgesteld wordt dat verweerder het relaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft zijn standpunt dat geen sprake was van dwang, maar eerder van commitment onderbouwd met de verwijzing naar het ACVZ-advies van januari 2001 met betrekking tot artikel 1F VSV. Hieruit valt af te leiden dat er in theorie een moment in die elf maanden dat eiser bij het RUF verbleef is geweest dat eiser kon ontsnappen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze stelling niet voldoende gemotiveerd in hoeverre het door eiser aangevoerde buitensporig geweld waarmee hij is bedreigd, ten tijde van aansluiting bij de rebellen en ten tijde van zijn verblijf bij de rebellen, in combinatie met zijn leeftijd, is betrokken. Tevens acht de rechtbank van belang dat in het beleid van verweerder met betrekking tot het verweer “dwang”, zoals dat is neergelegd in C1/5.13.3.3 Vc 2000, de uitleg van de ACVZ, te weten dat van een dwangsituatie in beginsel slechts sprake zal kunnen zijn in geval van een eenmalig incident, aangezien tussentijdse onttrekking veelal mogelijk moet worden geacht voordat een nieuwe dwangsituatie ontstaat, niet wordt gegeven. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:12 Awb. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/389

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/44188

Datum uitspraak: 8 juli 2005

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A te B, eiser,

gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser, van Sierraleoonse nationaliteit, heeft op 23 januari 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 28 januari 2003 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Daarop heeft eiser zijn zienswijze schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 28 juli 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser tijdig beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn op 11 september 2003 aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 juni 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, ambtenaar ten departemente. Als tolk was aanwezig J. Hellings.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Volgens verweerder heeft eiser zich schuldig gemaakt aan misdrijven of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag), waardoor de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing zijn.

In artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat de bepalingen daarvan niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Blijkens C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) gaat verweerder er in zijn beleid van uit dat het aan hem is om aan te tonen dat er “ernstige redenen” zijn te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt.

Teneinde te kunnen bepalen of een vreemdeling voor de in dit artikel genoemde handelingen individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden, dient vooreerst de “personal and knowing participation test” te worden toegepast. Beoordeeld moet worden of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Onder personal participation wordt niet slechts verstaan het door de vreemdeling zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door hem direct faciliteren hiervan, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen tot het plegen van het misdrijf.

Indien de vreemdeling als verweer aanvoert dat hij zijn handelingen heeft verricht onder dwang, dan voert verweerder het beleid dat de vreemdeling in ieder geval niet gevrijwaard is van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen indien:

- geen geloof kan worden gehecht aan het bestaan van de gestelde dwang;

- voor hem de mogelijkheid bestond zich te onttrekken aan het begane misdrijf;

- hij reeds geruime tijd in dienst was alvorens de dwang voorzienbaar optrad, of

- de mate van dwang niet opweegt tegen de ernst van het begane misdrijf.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij vanaf begin januari 2000 tot november 2000 als gevangene deel heeft uitgemaakt van een groep rebellen behorend tot het Revolutionary United Front (RUF) in Sierra Leone. Volgens verweerder heeft eiser onder meer verklaard dat hij heeft deelgenomen aan gewelddadige aanvallen op dorpen in de omgeving van Matatoko en later in de provincie Kono, waarbij burgers werden vermoord, verkracht, mishandeld en beroofd. Verweerder voert aan dat deze verklaringen stroken met hetgeen uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en andere bronnen (Human Rights Watch en Amnesty International) in het algemeen bekend is over de misdrijven die RUF-strijders tijdens de oorlog in Sierra Leone hebben begaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit afdoende uiteengezet is waarom ten aanzien van eiser “knowing participation” mag worden verondersteld. Volgens verweerder heeft het naar aanleiding van eisers verklaringen ingestelde onderzoek naar de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag opgeleverd dat eiser in verband dient te worden gebracht met verkrachting, het faciliteren van verkrachting en mishandeling van burgers en plundering. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens de aanvallen vrouwen heeft vastgehouden zodat andere rebellen hen konden verkrachten en dat hij zelf ook vrouwen heeft verkracht en in elkaar heeft geslagen. Verder heeft eiser verklaard dat hij huizen heeft geplunderd en in brand gestoken en dat hij de bewoners heeft mishandeld op dusdanige wijze dat hij zelf niet meer kan zeggen of zij de mishandelingen hebben overleefd. Ook heeft eiser verklaard dat hij vrouwelijke gevangenen met een stuk touw heeft geslagen wanneer zij hun opdrachten niet goed uitvoerden. Verweerder is, naar het oordeel van de rechtbank terecht, van mening dat het hier misdrijven betreft die dusdanig ernstig van aard zijn dat het ook voor eiser evident moet zijn geweest dat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd. Bij dit standpunt is meegewogen dat het niet geloofwaardig wordt gevonden dat eiser als zestienjarige niet in staat zou zijn geweest de consequenties van zijn daden voldoende te overzien en morele keuzes te kunnen maken. Voorts wordt ten aanzien van de handelingen overwogen dat eiser wist of had moeten weten dat deze misdrijven onderdeel waren van een wijdverbreide of stelselmatige aanval van het RUF gericht tegen een burgerbevolking, omdat het misdadige karakter van de aanvallen reeds ten tijde van de inlijving van eiser wijdverbreid bekend was.

Tevens heeft verweerder zich in het bestreden besluit, naar het oordeel van de rechtbank terecht, op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van eiser sprake is van “personal participation”.

Uit verweerders onderzoek is gebleken dat eiser zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, mishandeling en plundering. Daarnaast heeft eiser verkrachting direct gefaciliteerd. Uit eisers verklaringen blijkt dat zijn handelen er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat de RUF-rebellen een aantal verkrachtingen hebben gepleegd, omdat eiser heeft verklaard dat hij de vrouwen moest vasthouden wanneer de rebellen hen verkrachtten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande voldoende steekhoudende argumenten aangedragen ter onderbouwing van zijn standpunt dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als omschreven in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Ten aanzien van eisers verweer, dat eiser zelf een gevangene was van het RUF en dat hij de misdrijven onder dwang heeft gepleegd, heeft verweerder in het bestreden besluit, waarin de overwegingen uit het voornemen worden overgenomen en als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, het volgende aangevoerd. Blijkens artikel 31, eerste lid, onder d, van het Statuut van Rome inzake het Internatonaal Strafhof (Trb. 2000, 120), wordt gesproken van dwang als er ten tijde van de gedragingen van een persoon sprake is van een situatie van “een onmiddellijke doodsdreiging voor de persoon of een andere persoon of een dreiging van voortdurend of dreigend ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijkerwijs handelt teneinde deze dreiging af te wenden, mits de persoon niet de bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel wat hij tracht te voorkomen”. Nu uit eisers verklaringen blijkt dat eiser in ieder geval negen keer heeft deelgenomen aan aanvallen op dorpen waarbij de misdrijven zijn begaan, vindt verweerder het niet geloofwaardig dat eiser iedere keer dat hij zich schuldig maakte aan een van deze misdrijven door een of meerdere rebellen direct bedreigd werd met onmiddellijk, ernstig en niet te herstellen gevaar, dan wel dat er voor eiser geen enkele mogelijkheid was om het plegen van een dergelijke handeling te voorkomen. Verweerder verwijst daarbij naar het oordeel van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) in haar advies met betrekking tot artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van januari 2001 (in het voornemen is abusievelijk januari 2003 vermeld), waarin ten aanzien van dwang is gesteld dat van een dwangsituatie in beginsel slechts sprake kan zijn in geval van een eenmalig incident, aangezien tussentijdse onttrekking veelal mogelijk moet worden geacht. Nu eiser heeft verklaard in de week waarin hij zich realiseerde al een maand niet te worden bewaakt te zijn ontsnapt, was het voor eiser mogelijk zich eerder te onttrekken. Verweerder is dan ook van mening dat eiser in deze laatste periode vrijwillig bij de rebellen heeft verbleven. Voorts doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring dat zijn verblijf bij de rebellen gedwongen is geweest. Bovendien blijkt uit eisers verklaringen omtrent de ontsnapping dat eiser een vertrouwensrelatie had met de baas van zijn groep, C. Eisers verklaring dat hij desondanks door zijn baas werd behandeld als iedere andere gevangene, volgt verweerder niet. Verweerder vindt het namelijk niet aannemelijk dat eiser een zak met diamanten krijgt van zijn baas, terwijl de baas weet dat er geen of weinig bewaking aanwezig is.

In beroep heeft eiser, in aanvulling op zijn zienswijze, onder meer aangevoerd, dat hij onder dwang voor de rebellen werkzaamheden heeft moeten verrichten. Bij alle incidenten stond eiser onder directe bedreiging, die dusdanig ernstig was dat hij had te vrezen voor zijn dood of ernstig lichamelijk letsel. Verweerder acht dit niet aannemelijk, maar eiser stelt dat het aan verweerder is om aan te tonen dat dit niet het geval is. Voorts heeft eiser zijn gedragingen niet gebagatelliseerd in het aanvullend gehoor. Verder betwist eiser verweerders standpunt dat het voor eiser mogelijk moet zijn geweest zich tussentijds te onttrekken. In de zienswijze heeft eiser uitgelegd dat hij steeds werd bewaakt of werd opgesloten en dat hij ongeveer in de laatste maand niet meer werd bewaakt. Toen eiser zich dat laatste realiseerde heeft hij het aangedurfd te ontsnappen.

Gelet op hetgeen door eiser in beroep, waarbij hij heeft gewezen op hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd, en gelet op hetgeen ter zitting is aangevoerd acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser de hem verweten gedragingen niet onder dwang zou hebben verricht onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Blijkens eisers verklaringen – die niet zijn betwist door verweerder – heeft eiser zich niet vrijwillig aangesloten bij het RUF, maar werd hij gevangen genomen. Eiser heeft voorts verklaard dat hij geen kans zag om te ontsnappen omdat hij steeds werd bewaakt of werd opgesloten door de rebellen. Onder deze omstandigheden moest eiser meewerken aan de gedragingen waarmee hij in verband wordt gebracht (verkrachting, het faciliteren van verkrachting en mishandeling van burgers en plundering). Voorts heeft eiser concreet aangegeven waaruit de directe bedreiging, waaronder hij bij al deze incidenten stond, bestond. Zo heeft eiser verklaard dat zijn oom is vermoord en ook anderen die niet gehoorzaamden. Eiser is zelf mishandeld, onder meer toen hij niet hard genoeg liep op weg naar Kono. Ook heeft eiser verklaard dat “als ze het langzaam deden (het verkrachten van een vrouw) ze werden geslagen”. Verder heeft eiser verklaard dat hij en zijn mannelijke medegevangenen de vrouwelijke gevangenen moesten slaan als ze te moe waren om bijvoorbeeld te koken. De rebellen zeiden dat als de mannen de vrouwen niet sloegen, de mannen zelf geslagen zouden worden. Ook heeft eiser tijdens het nader gehoor aangegeven dat gevangenen werden gedood als de rebellen dachten dat de gevangenen wilden ontsnappen. Er was sprake van buitensporig geweld jegens de gevangenen, aldus eiser. In zijn zienswijze, waarnaar eiser in beroep heeft verwezen en welk standpunt hij ter zitting heeft verduidelijkt, heeft eiser aangevoerd dat het gelet op zijn leeftijd en de traumatische ervaring en dat hij geen verzorger meer had, niet van hem verwacht mag worden dat hij zich tegen de rebellen teweer zou stellen. Voorts heeft eiser in de zienswijze aangevoerd dat uit de detentie-omstandigheden genoegzaam kan worden afgeleid dat ontsnappen volstrekt onmogelijk was en dat de enkele poging daartoe levensgevaarlijk zou zijn. Pas nadat eiser al enkele weken niet meer werd bewaakt, realiseerde hij zich dat en durfde hij pas aan ontsnappen te denken. Op basis van deze verklaring kan niet door verweerder geconcludeerd worden dat in de periode daarvoor ontsnappen wel mogelijk zou zijn, aangezien eiser heeft verklaard dat de omstandigheid dat hij niet meer werd bewaakt samenhing met de vredesonderhandelingen.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat eiser zijn gedragingen niet heeft verricht onder dwang van de RUF-rebellen en dat hij mitsdien niet gevrijwaard is van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Vooropgesteld wordt dat verweerder het relaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft zijn standpunt dat geen sprake was dwang (maar eerder van commitment) onderbouwd met de verwijzing naar het ACVZ-advies. Hieruit valt af te leiden dat er in theorie een moment in die elf maanden dat eiser bij het RUF verbleef is geweest dat eiser kon ontsnappen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze stelling niet voldoende gemotiveerd in hoeverre het door eiser aangevoerde buitensporig geweld waarmee hij is bedreigd, ten tijde van aansluiting bij de rebellen en ten tijde van zijn verblijf bij de rebellen, in combinatie met zijn leeftijd, is betrokken. Tevens acht de rechtbank van belang dat het beleid van verweerder met betrekking tot het verweer “dwang”, zoals dat is neergelegd in C1/5.13.3.3 van de Vc 2000, de uitleg van de ACVZ, te weten dat van een dwangsituatie in beginsel slechts sprake zal kunnen zijn in geval van een eenmalig incident, aangezien tussentijdse onttrekking veelal mogelijk moet worden geacht voordat een nieuwe dwangsituatie ontstaat, niet geeft. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit leidt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

? 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

? waarde per punt € 322,-;

? wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.K.B. van Daalen als voorzitter en mrs. A.A.H. Schifferstein en H. Benek als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.P.J. Tillie als griffier op 8 juli 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: 11 juli 2005