Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1160

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
17-08-2005
Zaaknummer
05/3759 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van die wet is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr. AWB 05/3759 WAZ

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:54

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 31 mei 2005, bij de rechtbank ingekomen op 3 juni 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 april 2005.

Motivering

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van die wet is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 19 april 2005, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is begonnen op 20 april 2005 en geƫindigd op 31 mei 2005. Het beroepschrift is op 2 juni 2005 ter post bezorgd en op 3 juni 2005 bij de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, niet tijdig ingediend.

Eiser heeft als reden voor de overschrijding van de beroepstermijn opgegeven dat in verband met het dreigend verstrijken van de beroepstermijn gekozen is voor het toezenden van het beroepschrift per TPG, zulks met het oog op de ontvankelijkheid. Het beroepschrift is niet meer op tijd voor de lichting van 18.00 uur van 31 mei 2005 ter post aangeboden en dat de reden is dat het niet op de eerstvolgende werkdag door de rechtbank is ontvangen. Daarmee is geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven. Eiser had immers in ieder geval tijdig beroep kunnen instellen, zonodig op nader aan te voeren gronden. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.

Aldus gegeven door mr. V.J. de Haan en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier M.A. Gerritsma.