Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1158

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2005
Datum publicatie
17-08-2005
Zaaknummer
KG 05/840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[...] De Staat vordert - zakelijk weergegeven -, na wijziging van eis,

RDM te veroordelen ervoor te zorgen dat vóór 1 september 2005, of zoveel later als redelijk wordt geacht, een aanvang is gemaakt met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten overeenkomstig de door de Koninklijke Marine gestelde voorschriften, alsmede, voor het geval gedaagde in gebreke blijft, haar te veroordelen ervoor zorg te dragen dat beide onderzeeboten uiterlijk 1 oktober 2005 in Nederland zijn teruggekeerd, althans te gehengen en te gedogen dat de onderzeeboten met toestemming van de curator van RDM Submarines B.V. uiterlijk 1 oktober 2005 in Nederland zijn teruggekeerd, zulks op straffe van de verbeurte van een dwangsom.

[...] 3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden toegewezen als hierna vermeld. RDM heeft aangevoerd dat niet meer vóór 1 september a.s. een aanvang gemaakt kan worden met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten. Hoewel zij vele malen in de gelegenheid is gesteld om aan de gestelde eisen te voldoen en daarop niet dan wel in een zeer laat stadium heeft gereageerd, zal haar op praktische gronden nog een terme de grace tot 1 oktober 2005 gegund worden.

De voorzieningenrechter gaat er van uit dat in het geval van terugkeer van de onderzeeboten naar Nederland toestemming wordt gevraagd aan de curator van RDM Submarines B.V., nu RDM Submarines de uitvoervergunning met wederinvoerverplichting heeft verkregen en RDM Submarines inmiddels failliet is verklaard. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2005,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 05/840 van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën),

zetelende te Den Haag,

eiser,

procureur mr. H.Th. Bouma,

tegen:

de besloten vennootschap

RDM Technology Holding B.V.,

gevestigd te Breda en kantoorhoudende te Curaçao,

gedaagde,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. L.C.J.M. Spigt te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "de Staat" en "RDM".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 augustus 2005 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 12 december 1995 heeft de Staat met RDM een overeenkomst gesloten tot verkoop aan RDM van twee onderzeeboten, de Zwaardvis en de Tijgerhaai.

1.2. Overeengekomen werd dat RDM de onderzeeboten mocht doorverkopen aan een voor de Staat, in termen van wapenexportbeleid, aanvaardbare partij. Op grond van artikel 11.3 van de koopovereenkomst dienden de onderzeeboten te worden gesloopt indien ze op 31 december 2000 nog niet waren verkocht.

1.3. Artikel 11. 3 van de overeenkomst luidt alsvolgt, waarbij RNLN staat voor Royal Netherlands Navy:

"If the RDM does not sell one or more of the Submarines mentioned in paragraph 1.1 before December 31,2000, that Submarine(s) shall be dismantled and scrapped in accordance with the stipulations of the RNLN. Parties may mutually agree to extend this date if required."

1.4. In het najaar van 2000 zijn de onderzeeboten verscheept naar een geprivatiseerde Maleisische marinewerf, vooruitlopend op een eventuele verkoop van de boten aan Maleisië. Aan de voor export benodigde vergunning, welke aan RDM Submarines B.V. is verstrekt, is een wederinvoerverplichting gekoppeld, hetgeen betekent dat na het verstrijken van de looptijd de boten moeten worden teruggebracht naar Nederland.

1.5. Maleisië heeft besloten niet tot koop over te gaan.

1.6. De Staat heeft de datum waarop de onderzeeboten moeten worden gesloopt, een aantal malen uitgesteld, uiteindelijk tot 31 december 2004. Voor de wederinvoerverplichting is uitstel verleend tot dezelfde datum.

1.7. Bij brief van 4 november 2004 heeft de Staat RDM bericht dat geen uitstel meer wordt verleend, tenzij aangetoond wordt dat verkoop aan een voor de Staat aanvaardbare derde partij op korte termijn te verwachten is, en dat de onderzeeboten zo spoedig mogelijk na 31 december 2004 moeten worden gesloopt in overeenstemming met de voorwaarden zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen.

1.8. Bij brief van 8 maart 2005 heeft de Staat RDM meegedeeld er bij gebreke van enige reactie van RDM van uit te gaan dat geen sprake is van serieuze onderhandelingen over de verkoop van de onderzeeërs. De Staat heeft RDM tevens aangezegd zorg te dragen voor het ontmantelen en slopen van de boten in overeenstemming met de daarvoor binnen Nederland geldende wet- en regelgeving.

1.9. Bij brief van 22 april 2005 heeft RDM de Staat voorgesteld een lijst van werven over te leggen die de sloop zouden kunnen uitvoeren.

1.10. Bij brief van 29 april 2005 heeft de Staat aan RDM bericht dat het selecteren van de werf aan RDM wordt overgelaten, mits de desbetreffende werf sloopt overeenkomstig de richtlijnen van de Koninklijke Marine zoals bepaald in artikel 11.3 van de overeenkomst van 12 december 1995, hetgeen inhoudt dat de sloop moet geschieden overeenkomstig de richtlijnen van IMO: "Guidelines on Ship Recycling". De Staat heeft voorts bericht dat de onderzeeboten en alle onderdelen daarvan moeten worden verschroot, omdat het strategische goederen betreft.

De Staat heeft RDM tevens verzocht binnen veertien dagen te berichten met welke werf RDM tot overeenstemming is gekomen.

1.11. Bij brief van 9 mei 2005 heeft RDM bezwaar gemaakt tegen de verplichting om alle onderdelen van de onderzeeboten te verschroten.

1.12. Bij brief van 20 mei 2005 heeft de Staat aan RDM meegedeeld dat eventueel voor bepaalde niet-strategische onderdelen uitzondering kan worden gemaakt. De Staat heeft RDM voorgesteld dat zij een lijst zendt van onderdelen waarvan verkoop mogelijk aan de orde is, opdat de Staat kan beoordelen of, en zo ja, onder welke voorwaarden verkoop is toegestaan. Tevens heeft de Staat er op gewezen dat de in de brief van 29 april 2005 genoemde termijn is verstreken en dat hij voornemens is rechtsmaatregelen te nemen.

1.13. Bij brief van 23 mei 2005 heeft RDM aan de Staat meegedeeld dat zij de onderhandelingen over de sloop met de werven niet kan afhandelen zolang niet duidelijk is welke onderdelen wel en welke onderdelen niet moeten worden gesloopt.

1.14. Bij brief van 2 juni 2005 heeft de Staat aan RDM meegedeeld zijn standpunt in zijn brief van 29 april 2005 te handhaven met dien verstande dat de niet-strategische goederen op de bij de brief van 2 juni gevoegde lijst I vrij verkoopbaar zijn en de militair strategische goederen op lijst II alleen na toestemming van de Staat mogen worden verkocht, en bij gebreke daarvan moeten worden verschroot. RDM is tevens aangezegd binnen veertien dagen te berichten met welke werf tot overeenstemming is gekomen en wanneer met de sloop wordt aangevangen. De Staat heeft voorts meegedeeld dat verder uitstel niet meer zal worden verleend.

1.15. RDM heeft tot op heden geen gehoor gegeven aan voormelde sommaties van de Staat.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

De Staat vordert - zakelijk weergegeven -, na wijziging van eis,

RDM te veroordelen ervoor te zorgen dat vóór 1 september 2005, of zoveel later als redelijk wordt geacht, een aanvang is gemaakt met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten overeenkomstig de door de Koninklijke Marine gestelde voorschriften, alsmede, voor het geval gedaagde in gebreke blijft, haar te veroordelen ervoor zorg te dragen dat beide onderzeeboten uiterlijk 1 oktober 2005 in Nederland zijn teruggekeerd, althans te gehengen en te gedogen dat de onderzeeboten met toestemming van de curator van RDM Submarines B.V. uiterlijk 1 oktober 2005 in Nederland zijn teruggekeerd, zulks op straffe van de verbeurte van een dwangsom.

Daartoe voert de Staat het volgende aan.

RDM is er niet in geslaagd een koper voor de onderzeeboten te vinden. De boten liggen thans nog steeds aan een kade van de Maleisische werf. Sinds begin 2003 heeft RDM de facturen voor onder meer liggeld, het houden van toezicht en het verrichten van kleine onderhoudswerkzaamheden niet meer betaald. In november 2004 heeft de Staat bericht dat na 31 december 2004 geen uitstel van de sloopverplichting meer zou worden verleend, tenzij zij zou kunnen aantonen dat een verkoop van de boten nabij was. RDM is daarin niet geslaagd. Hoewel RDM heeft bevestigd dat zij voor de sloop zou zorg dragen is zij daartoe nog steeds niet overgegaan.

De situatie is spoedeisend, omdat het risico bestaat dat de onderzeeboten of essentiële onderdelen daarvan in de macht komen van derden. De vorderingen van de werf op RDM lopen iedere dag verder op. Indien de werf besluit zich op de boten te verhalen, bestaat het gevaar dat de Staat het zicht en de controle op de boten volledig kwijtraakt. De onderzeeboten bevatten onderdelen en systemen met een militair-strategisch karakter. Deze onderdelen en systemen mogen niet zonder meer aan derden worden verkocht. Voorts hebben vertegenwoordigers van de werf bij de Staat aangedrongen op een oplossing. De boten beginnen door corrosie en lekkage over te hellen. Tenslotte bestaat bij verkoop door de werf het risico dat de boten gesloopt worden op een andere wijze dan de Staat voorstaat.

RDM voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. RDM heeft aangevoerd dat de Staat geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat RDM mondeling met de werf, waar de boten thans liggen, is overeengekomen dat de werf geen juridische actie zal ondernemen tot 1 februari 2006, zodat de onderzeeboten in elk geval tot die datum niet in handen van derden zullen vallen. RDM heeft het bestaan van die afspraak echter op geen enkele wijze met bewijzen gestaafd. Nu niet is betwist dat facturen van de werf onbetaald zijn gelaten en de Staat onweersproken heeft gesteld dat de werf heeft laten weten de uitslag van deze procedure te zullen afwachten alvorens rechtsmaatregelen te nemen, is het spoedeisend belang van de Staat voldoende komen vast te staan.

3.2. Vaststaat dat de voorwaarde in artikel 11.3 van de koopoverkomst is vervuld in die zin dat de onderzeeboten niet uiterlijk op de nader vastgestelde datum van 31 december 2004 zijn verkocht en dat de boten dus door RDM moeten worden gesloopt. Vast staat voorts dat RDM heeft bevestigd tot ontmanteling en sloop bereid te zijn. RDM heeft echter aangevoerd dat zij nog steeds niet tot sloop over is gegaan omdat er onduidelijkheid bestaat over de voorwaarden van ontmanteling en sloop.

Dat verweer snijdt geen hout. RDM heeft op de sommatie van de Staat van 4 november 2004 eerst geantwoord dat zij druk bezig was met de verkoop van de onderzeeboten. Bij gebreke van enige verdere actie van RDM heeft de Staat RDM vervolgens bij brief van 8 maart 2005 aangezegd dat de boten gesloopt moesten worden, waarna RDM op 22 april 2005 met een voorstel kwam over het selecteren van een werf die de sloopwerkzaamheden zou verrichten. Pas bij brief van 9 mei 2005 heeft RDM bezwaar gemaakt tegen het standpunt van de Staat over de wijze waarop de sloop dient te geschieden, namelijk inclusief alle onderdelen. RDM heeft daarbij verwezen naar zogenaamde rode en groene lijsten met strategische en niet-strategische onderdelen die volgens haar door partijen bij de overeenkomst als onderdeel daarvan waren bedoeld, op grond waarvan bepaalde onderdelen van de onderzeeboten verkocht zouden kunnen worden. Voormeld bezwaar van RDM is echter zowel tardief als onjuist. In eerdergenoemde brief van 4 november 2004 is RDM aangezegd dat de sloop diende plaats te vinden. Bepalend daarvoor is hetgeen in de overeenkomst van 12 december 1995 is overeengekomen, in het bijzonder in artikel 11.3, waarin onder meer bepaald is dat gesloopt moet worden in overeenstemming met de voorschriften van de Koninklijke Marine. Het had op de weg van RDM gelegen zich toen reeds te informeren over bedoelde voorschriften van de Koninklijke Marine.

Bovendien is niet aannemelijk geworden dat RDM er van mocht uitgaan dat de door haar bedoelde lijsten onderdeel uitmaakten van de overeenkomst. De Staat heeft dat betwist en verklaard dat die lijsten waren opgesteld in het kader van een in 1994 voorgenomen export van vergelijkbare onderzeeboten aan Taiwan en dat zij niet golden voor de overeenkomst van 1995. RDM heeft tegenover die betwisting haar verweer niet nader onderbouwd. Uit de tekst van artikel 11.3 van de overeenkomst kan bovendien niet worden afgeleid dat bij de sloop van de onderzeeboten moet worden gehandeld overeenkomstig de door RDM bedoelde lijsten uit 1994. Indien dat de bedoeling van partijen was geweest had een uitdrukkelijke verwijzing naar die lijsten voor de hand gelegen en daarvan is geen sprake.

3.3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de overeenkomst tussen partijen aldus moet worden uitgelegd dat RDM de onderzeeboten dient te slopen overeenkomstig de (thans geldende) voorschriften van de Staat (Koninklijke Marine).

RDM heeft nog aangevoerd dat de Staat misbruik maakt van zijn bevoegdheid door sloop te vorderen van onderdelen die niet militair strategisch zijn. De lijst met militair strategische onderdelen die de Staat bij brief van 2 juni 2005 aan RDM heeft gezonden bevat volgens haar veel onderdelen die niet strategisch zijn. Zij heeft er belang bij om die tegen een zo hoog mogelijke opbrengst te verkopen.

Geoordeeld wordt dat niet aannemelijk is geworden dat de voorschriften, waaronder voorbedoelde lijsten van 2 juni 2005 en de IMO guidelines on Ship Recycling, die volgens de Staat in acht moeten worden genomen bij ontmanteling en sloop van de onderzeeboten, onredelijkheid zijn. Dat er in 1994 mogelijk andere voorschriften zouden zijn gehanteerd doet aan het voorgaande niet af. Van misbruik van bevoegdheid is naar voorlopig oordeel geen sprake.

3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden toegewezen als hierna vermeld. RDM heeft aangevoerd dat niet meer vóór 1 september a.s. een aanvang gemaakt kan worden met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten. Hoewel zij vele malen in de gelegenheid is gesteld om aan de gestelde eisen te voldoen en daarop niet dan wel in een zeer laat stadium heeft gereageerd, zal haar op praktische gronden nog een terme de grace tot 1 oktober 2005 gegund worden.

De voorzieningenrechter gaat er van uit dat in het geval van terugkeer van de onderzeeboten naar Nederland toestemming wordt gevraagd aan de curator van RDM Submarines B.V., nu RDM Submarines de uitvoervergunning met wederinvoerverplichting heeft verkregen en RDM Submarines inmiddels failliet is verklaard.

Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum worden gebonden.

3.5. Er zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.6. RDM zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt RDM ervoor te zorgen dat vóór 1 oktober 2005 een aanvang is gemaakt met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten overeenkomstig de door de Koninklijke Marine gestelde voorschriften;

veroordeelt RDM, voor het geval zij met voormelde veroordeling in gebreke blijft, te gehengen en te gedogen dat de onderzeeboten met toestemming van de curator van RDM Submarines B.V. uiterlijk 1 november 2005 in Nederland zijn teruggekeerd;

bepaalt dat RDM een dwangsom verbeurt van € 100.000,- per dag voor iedere dag dat zij de terugkeer van de onderzeeboten naar Nederland verhindert, tot een maximum van € 25.000.000,--;

bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.5 is vermeld;

veroordeelt RDM in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.145,60, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 244,-- aan griffierecht en € 85,60 aan dagvaardingskosten, met de bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van veertien dagen na heden;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 augustus 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

evm