Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1146

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2005
Datum publicatie
17-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/17518, 04/17519
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nieuwe feiten en omstandigheden / lidmaatschap APFP / motivering.

De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de dienstoproep een bevestiging is van het streven van de autoriteiten om eiser vanwege zijn werk als lijfwacht van Elchibey, in samenhang met zijn lidmaatschap van de klassieke APFP, door middel van (een oproep voor) de militaire dienst, uit te schakelen. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder in de bestreden besluiten niet kon volstaan met de verwijzing naar de overwegingen in de beschikkingen van 18 september 2000, inzake de ongeloofwaardige verklaringen van eisers omtrent de aanleiding voor hun vertrek in 1999, nu eisers relaas door verweerder in die beschikkingen niet rechtens relevant ongeloofwaardig is bevonden. Slechts is in die, door de rechtbank bij uitspraak van 10 april 2003 bevestigde, beschikkingen overwogen dat eisers tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het tijdstip van hun vertrek in 1999. Noch in die besluiten noch in de rechterlijke uitspraak is echter van de ongeloofwaardigheid van eisers relazen uitgegaan. Grondslag voor zowel de beschikkingen als de rechterlijke uitspraak was daarentegen de, niet aannemelijk gemaakte, vrees voor vervolging. Gelet hierop heeft verweerder met voormelde motiveringen op ieder van de door eisers overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid onvoldoende recht gedaan aan de context van eisers asielrelaas. De stukken kunnen in redelijkheid kan worden aangemerkt als het begin van bewijs van eisers stelling dat wie lijfwacht van Elchibey is geweest en lid van de klassieke APFP, nog steeds in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Verweerder heeft derhalve aanvullend onvoldoende gemotiveerd waarom in casu geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb, danwel, casu quo, dat geen sprake is van zodanig bijzondere, op deze individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden dat zij de noodzaak wettigen om de in het Nederlandse recht neergelegde procedureregel van artikel 4:6, tweede lid, Awb niet tegen te werpen, conform voormelde uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 04/17518 BEPTDN

AWB 04/17519 BEPTDN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1974, eiser, en

B, geboren op [...] 1974, eiseres,

en hun minderjarige kind, C, geboren op [...] 2000,

allen van Azerbajdjsaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. T.E. Breton de Munck, advocaat te Lisse,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.B. Jansen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. INLEIDING

Bij beslissing van 25 maart 2004 heeft verweerder de -herhaalde- aanvragen van eiser en eiseres (hierna: eisers) van 1 oktober 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eisers hebben hiertegen beroepen bij deze rechtbank ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar eisers in persoon zijn verschenen. Ter zitting is namens eisers verschenen mr. M.J. Baaij, kantoorgenoot van bovenvermelde gemachtigde, die de zaak heeft waargenomen. Eisers en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. OVERWEGINGEN

Niet in geschil is dat eisers op 9 december 1999 aanvragen om toelating als vluchteling hebben ingediend. Deze aanvragen heeft verweerder bij besluiten van 12 maart 2002 niet ingewilligd. Bij uitspraak van 10 april 2003 heeft deze rechtbank de tegen voornoemd besluit ingediende beroepschriften ongegrond verklaard en de verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen.

De aanvragen van 1 oktober 2003 die thans ter beoordeling voorliggen dienen, gelet op het asielrelaas zoals eisers dat aan deze aanvragen ten grondslag hebben gelegd, derhalve ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Vw, te worden beschouwd als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Het tweede lid van artikel 4:6 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Voor de rechterlijke toetsing maakt het geen verschil dat het bestuursorgaan in de motivering van zijn beslissing buiten het (beperkte) toetsingskader van de nova is getreden. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State moet artikel 4:6 Awb door de rechtbank ambtshalve getoetst worden.

De door eisers ingestelde beroepen kunnen, eveneens naar vaste Afdelingsjurisprudentie, slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere besluiten waarbij de toelating van eisers is geweigerd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan die verweerder noopten tot heroverweging van de eerdere afwijzing.

Daaronder moeten onder andere worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust (onder andere AbRS, 19 mei 2004, JV 2004/313).

Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen (uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45).

Eisers hebben een groot aantal stukken ingebracht waaruit naar hun mening blijkt dat zij terecht vrezen voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag. Eisers stellen dat deze documenten in onderlinge samenhang bezien een onderbouwing vormen van hun asielrelaas als wederom weergegeven in met name de zienswijze. Daarin heeft eiser uiteengezet dat hij van 1993 tot 1999 behoudens een gevangenisstraf in december 1996 onafgebroken als lijfwacht van wijlen Abdulfazl Aliev (hierna genoemd: Elchibey) werkzaam is geweest, dat hij in 1996 een aanvaring heeft gehad met Aliaqa Husseinof, toen hoofd van de afdeling uitstel militaire dienst en thans hoofd van alle militaire districten van Azerbeidzjan, die, in 1996, volledig op de hoogte bleek van eisers werkzaamheden voor Elchibey, eiser intimideerde en hem aanmerkte als vijand van de regering. Door zijn toedoen moest eiser, ondanks wettelijk uitstel, toch de militaire dienst in, waarna hij zich enige tijd schuil hield, gearresteerd werd en door toedoen van Elchibey na ruim een maand in januari 1997 weer werd vrijgelaten, met toestemming van de rechter dat hij weer naar de universiteit kon. Vervolgens bleek dat Husseinof de rector onder druk had gezet om eiser niet meer toe te laten, waarna Elchibey eiser heeft geadviseerd om, vanwege veiligheidsredenen, niet in het leger te gaan. Hierna heeft eiser zijn werkzaamheden als lijfwacht hervat. Op 8 november1998 is Elchibey met eiser klemgereden en mishandeld. Zulks nadat eiser in een café bekenden had ontmoet die voor de broer van de president werkten. Op 1 januari 1999 werd eiser door die zelfde mensen weer mishandeld, omdat ze hem herkenden als lijfwacht van Elchibey; in juli 1999 is eiser mishandeld en naar de geheime dienst gebracht die alles van hem bleek te weten sinds 1993 en hem ondervroeg over documenten die Elchibey in vertrouwen aan eiser zou hebben gegeven. Een en ander is aanleiding geweest voor de vlucht van eisers.

Blijkens het Rapport van gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser, naar aanleiding van het overleggen van stuk 24, gedateerd 5 augustus 2003, terzake van zijn lidmaatschap van de Azerbeidzjaanse Volks Front Partij (APFP) een toelichting gegeven op de structuur van deze partij, een en ander voorts onderbouwd met stuk 25, een rapport van Human Rights. Eisers toelichting luidt dat deze APFP in 1989 werd opgericht als belangrijkste en indertijd enige tegenwicht tegen de communistische partij. In juni 1992 werd Elchibey tot president van Azerbeidzjan gekozen. Een jaar later werd Elchibey verdreven door Heydar Aliev. De APFP is sinds oktober 1997 opgesplitst. De liberale lichting wordt geleid door Karimov. De andere vleugel, de klassieke APFP, volgt de lijn van Elchibey en wordt geleid door Fattayef. De klassieke APFP, waartoe eiser behoort, is niet door de overheid geregistreerd. De liberale groep is wel door de overheid erkend, onder dezelfde afkorting APFP. Voormeld stuk 24 van de APFP is opgesteld door de klassieke APFP en behelst onder meer een lijst van leden die respectievelijk na de presidentsverkiezingen in 1998 tot lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld en APFP-aanhangers die tussen 1999 en 2002 aan repressie onderworpen zijn geweest. Eiser stelt dat dit stuk 24 staaft dat wie tot de vleugel van Fattayef behoort als tegenstander wordt beschouwd en strafrechtelijk wordt vervolgd. Het stuk is naar ambassades en vertegenwoordigers van internationale organisaties in Azerbeidzjan gezonden; er wordt voorts in gerapporteerd hoe de huidige regering tussen 1998 en 5 augustus 2003 met leden van de klassieke APFP is omgegaan. Eiser wordt in stuk 24 vermeld als voormalig lijfwacht van Elchibey die omdat hij de vervolgingen niet kon verdragen in 1999 is geëmigreerd. De opsteller van het stuk, vice-voorzitter Beybala Abil, zit nu zelf in een Azerbeidzjaanse gevangenis. Uit email-correspondentie (stuk 32) d.d. 4 juli 2003 tussen Vluchtelingenwerk Nederland en ene Eldar van Human Rights Center Azerbaijan, antwoordt deze laatste desgevraagd onder meer dat het enkele lidmaatschap van APFP geen probleem vormt, dat het iets anders is als iemand ook lijfwacht van Elchibey is geweest en dat Elchibey nooit namen van bodyguards heeft willen geven aan de autoriteiten. Voorts vermeldt de mail incidenten met andere lijfwachten. In een als stuk 31 overgelegde pagina van het ambtsbericht van 10 juni 2003 wordt van Eldar Zeynalov vermeld dat deze mensenrechtenactivist in dat kader in april 2003 ernstige problemen heeft ondervonden, waartegen de autoriteiten hem geen adequate bescherming boden. Als stuk 28 legt eiser een oproep voor de militaire dienst over, gedateerd 10 oktober 2000. De moeder van eiser heeft deze oproep niet eerder aan eiser gegeven -en eiser was ook niet bekend met het bestaan ervan- omdat zij deze telkens weer aan de Militaire Politie toonde om zo te laten zien dat er geen contact tussen haar en eiser bestond. Deze oproep staaft volgens eisers dat eiser door de autoriteiten in Azerbeidzjan officieel nog steeds wordt gezocht, dat Husseinof daar thans achter zit en dat eiser bij terugkeer, gelet op de gehele voorgeschiedenis, naar het grensgebied zal worden gestuurd zodat hij gemakkelijk kan worden gedood. Uit de overige door eisers overgelegde documenten blijkt volgens eisers eveneens dat eiser als gevolg van zijn werk als lijfwacht, in samenhang met zijn lidmaatschap van de APFP, nog steeds in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten gesteld en er in het verweerschrift bij volhard dat eisers met de door hen overgelegde stukken niet hebben aangetoond dat eisers vanwege het lidmaatschap van de APFP van eiser dan wel zijn werk als lijfwacht van de oud-president van Azerbeidzjan moeten vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De naam van eiser komt weliswaar voor op de lijst van leden van de APFP, maar slechts als een van degenen die het land heeft verlaten ten gevolge van de gestelde onrechtvaardige behandeling danwel gestelde vervolging van sommige leden van de APFP, niet als een van diegenen die zelf strafrechtelijk worden vervolgd danwel veroordeeld. Voorts heeft verweerder overwogen dat de overige documenten zien op andere voormalige lijfwachten van Elchibey, dus niet op eiser persoonlijk. Ten aanzien van eisers stelling dat de dienstoproep bevestigt dat hij nog steeds gevaar loopt overweegt verweerder dat eiser dit stuk eerder in de procedure had kunnen en dus moeten inbrengen, waarbij verweerder eisers stelling dat zijn moeder een dergelijke “standaard” oproep voor eiser zou verzwijgen onaannemelijk acht nu eiser immers niet te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Het stuk als zodanig kan overigens niet tot die conclusie leiden nu daaruit niet blijkt dat eisers dienstweigering op zich zelf -verweerder hanteert hierbij de zogenaamde Antikian criteria als verwerkt in het beleid- tot vluchtelingschap kan leiden. In het verweerschrift tenslotte heeft verweerder gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6, lid twee, Awb.

Terzake overweegt de rechtbank dat verweerder hiermee in redelijkheid onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de dienstoproep een bevestiging is van het streven van de autoriteiten om eiser vanwege zijn werk als lijfwacht van Elchibey, in samenhang met zijn lidmaatschap van de klassieke APFP, door middel van (een oproep voor) de militaire dienst, uit te schakelen. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder in de bestreden besluiten niet kon volstaan met de verwijzing naar de overwegingen in de beschikkingen van 18 september 2000, inzake de ongeloofwaardige verklaringen van eisers omtrent de aanleiding voor hun vertrek in 1999, nu eisers relaas door verweerder in die beschikkingen niet rechtens relevant ongeloofwaardig is bevonden. Slechts is in die, door de rechtbank bij uitspraak van 10 april 2003 bevestigde, beschikkingen overwogen dat eisers tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het tijdstip van hun vertrek in 1999. Noch in die besluiten noch in de rechterlijke uitspraak is echter van de ongeloofwaardigheid van eisers relazen uitgegaan. Grondslag voor zowel de beschikkingen als de rechterlijke uitspraak was daarentegen de, niet aannemelijk gemaakte, vrees voor vervolging. Gelet hierop heeft verweerder met voormelde motiveringen op ieder van de door eisers overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid onvoldoende recht gedaan aan de context van eisers asielrelaas. In dat verband acht de rechtbank met name van belang dat de, na de rechtelijke uitspraak van 10 april 2003 opgekomen, mail van 4 juli 2003, in samenhang met de overige stukken, in redelijkheid kan worden aangemerkt als het begin van bewijs van eisers stelling dat wie lijfwacht van Elchibey is geweest en lid van de klassieke APFP, nog steeds in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat.

Verweerder heeft derhalve gelet op het voorgaande in het verweerschrift aanvullend onvoldoende gemotiveerd waarom in casu geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb, danwel, casu quo, dat geen sprake is van zodanig bijzondere, op deze individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden dat zij de noodzaak wettigen om de in het Nederlandse recht neergelegde procedureregel van artikel 4:6 lid 2 Awb niet tegen te werpen, conform voormelde uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland.

De beroepen zijn mitsdien gegrond.

De bestreden beschikkingen kunnen niet in stand blijven en zullen worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel als vervat in artikel 3:46 Awb. Verweerder zal worden opgedragen nieuwe beschikkingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor de (samenhangende) beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van eisers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005, in tegenwoordigheid van mr. F.K. Williams als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.