Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0888

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
12-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/4844 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Al bij al komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand moet worden gelaten. Hetgeen van de zijde van eiseres daartegen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Met name is het niet zo dat het alsnog voor het einde van de wachttijd inzetten van het tweede spoor ertoe leidt dat geen reparatoire sanctie meer kan worden opgelegd. Immers, feit blijft dat ten tijde van de aanvraag WAO te weinig reïntegratie-inspanningen waren verricht zodat een nieuwe WAO-aanvraag moest plaatsvinden, waardoor een nieuwe administratieve beoordelingsprocedure in gang moest worden gezet. De reparatoire loondoorbetalingsplicht is uitdrukkelijk ook bedoeld om dat tijdverlies te ondervangen. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/4844 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 26 april 2004 heeft verweerder aan eiseres, wiens werknemer [werknemer] (hierna ook te noemen: [werknemer]) een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) had aangevraagd, meegedeeld dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting met vier maanden, namelijk over de periode van 14 juni 2004 tot en met 13 oktober 2004, verlengde, op grond van de overweging dat de reïntegratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest.

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar dat eiseres tegen dit eerder genoemde besluit had ingesteld, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is eiseres in beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 14 juni 2005. Als vertegenwoordiger van eiseres is verschenen [betrokkene], bijgestaan door mr. L. de Groot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

Motivering

Voor haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

De onderneming van eiseres exploiteert een aantal vrachtauto's; het personeelsbestand bestaat voornamelijk uit chauffeurs. Tot deze chauffeurs behoorde de heer [werknemer]. Nadat [werknemer] al eerder een periode van arbeidsongeschiktheid had doorgemaakt, waarna eiseres hem in eigen werk had gereïntegreerd, blesseerde hij op 16 juni 2003 bij het verrichten van zijn werkzaamheden zijn linkerknie.

In oktober 2003 is [werknemer] voor enkele uren per week, als bijrijder op korte ritten, weer aan het werk gegaan. In december 2003 werd duidelijk dat hij niet in aanmerking kwam voor een knieprothese.

Op 20 januari 2004 bezocht [werknemer] de bedrijfsarts van Arboned, J. Pasman. Deze rapporteerde onder meer:

"Werknemer kan geen kniebelastende taken uitvoeren. Dit belet zijn functioneren als chauffeur, zowel wat betreft het rijden zelf, als wat betreft het laden en lossen van de vrachtwagen. Mogelijk zou hij in een vrachtwagen met automatische transmissie tijdens het rijden minder knieproblemen ervaren. Mogelijk is sprake van blijvende beperkingen tav kniebelastende arbeid.

Na het beschikbaar komen van de informatie van de behandelaar zal gericht arbeidskundig onderzoek helderheid kunnen scheppen over de reïntegratiemogelijkheden bij eigen werkgever (interne traject), of elders (externe traject)".

Op 23 februari 2004 bezocht de heer [werknemer] wederom het spreekuur van de bedrijfsarts. Nu rapporteerde de bedrijfsarts onder meer het volgende:

"Informatie van de behandelsector is nog niet voorhanden. Gelet op het trage herstel tot nu toe, bestaat onverminderd de verdenking dat werkhervatting als chauffeur blijvend beperkt zal zijn, in ieder geval zullen de actuele beperkingen niet op korte termijn verdwijnen. Werkgever en werknemer zullen daarom gezamenlijk de consequenties van blijvende beperkingen voor eigen werk, en de mogelijkheden tot werkhervatting in passend ander werk dienen te onderzoeken. Een arbeidskundig onderzoek wordt geadviseerd".

De directeur van eiseres reageerde op dit rapport met een brief van 27 februari 2004 aan de bedrijfsarts. Hierin gaf hij aan in zijn bedrijf geen mogelijkheden te zien om de heer [werknemer] te reïntegreren. De brief eindigt met de zinnen:

"Omdat het in de hele transport branche kommer en kwel is, zijn er heel weinig vacatures. Vooralsnog zijn er voorlopig geen alternatieven te verzinnen voor de heer [werknemer]".

Inmiddels had de heer [werknemer] op 14 februari 2004 bij verweerder een WAO-aanvraag ingediend. Op 9 maart 2004 vroeg verweerder bij eiseres en de heer [werknemer] het bij die aanvraag ontbrekende reïntegratieverslag op. Op 31 maart 2003 schreef de directeur van eiseres, mede namens de heer [werknemer], aan verweerder een brief over de reïntegratiepogingen. Daarin komt de volgende passage voor:

"Om toch aan te tonen dat wij wel van goede wil zijn hebben wij via Arboned een offerte aangevraagd voor een reïntegratiebureau om dit proces te begeleiden. Als deze offerte en voorwaarden marktconform zijn dan zullen wij dit bureau inschakelen om ons verder te begeleiden".

Bij brief van 26 april 2004 heeft verweerder aan eiseres vervolgens een loonsanctie van 4 maanden opgelegd wegens onvoldoende reïntegratie-inspanningen.

Op 10 en 11 mei 2004 heeft de arbeidsdeskundige van Arboned J.M. Zuijdervliet-Droog gesprekken met [werknemer] en de directeur van eiseres gevoerd. Dit leidde tot inschakeling van "Capability" voor een reïntegratietraject tweede spoor. Dit traject verliep positief en kansrijk tot [werknemer]'s gezondheidstoestand in maart 2005 verslechterde.

Op basis van deze feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.

Het verwijt dat verweerder eiseres maakt is, dat de reïntegratie van de heer [werknemer] buiten het eigen bedrijf (het zogeheten tweede spoor) met te weinig voortvarendheid ter hand is genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres dit verwijt op goede gronden maakt. Immers, nadat in januari/februari 2004 duidelijk werd dat een werkhervatting als chauffeur in de onderneming van eiseres er niet meer inzat, duurde het nog tot 10 en 11 mei 2004 eer een arbeidskundig onderzoek plaatsvond, zodat pas daarna daadwerkelijk met de begeleiding naar ander werk werd begonnen. Aannemelijk is dat bij meer voortvarendheid het traject bij Capability al in het voorjaar van 2004 opgestart had kunnen worden.

Nu verweerder de reïntegratie-inspanningen van eiseres terecht als onvoldoende heeft aangemerkt, heeft hij terecht een loonsanctie opgelegd. De opgelegde sanctie, vier maanden loondoorbetalingsplicht, acht de rechtbank in dit geval evenredig gezien de tijd die door het te laat inzetten van het tweede spoor verloren is gegaan.

Al bij al komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand moet worden gelaten. Hetgeen van de zijde van eiseres daartegen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Met name is het niet zo dat het alsnog voor het einde van de wachttijd inzetten van het tweede spoor ertoe leidt dat geen reparatoire sanctie meer kan worden opgelegd. Immers, feit blijft dat ten tijde van de aanvraag WAO te weinig reïntegratie-inspanningen waren verricht zodat een nieuwe WAO-aanvraag moest plaatsvinden, waardoor een nieuwe administratieve beoordelingsprocedure in gang moest worden gezet. De reparatoire loondoorbetalingsplicht is uitdrukkelijk ook bedoeld om dat tijdverlies te ondervangen.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D. Allewijn en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. van der Putten.