Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0870

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
12-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/5525 WAO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BC4769, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] De rechtbank is van oordeel dat bij de behandeling van het bezwaarschrift in dit geval niet volstaan mocht worden met het evalueren van de voorhanden medische gegevens en rapporten, maar dat door nieuw medisch onderzoek een vorm van medische arbitrage geïndiceerd was. Immers, twee artsen die derde-partij daadwerkelijk hadden onderzocht c.q begeleid, stonden in hun inschatting van de arbeidsmogelijkheden van derde-partij lijnrecht tegenover elkaar. Dit medische geschil wordt onvoldoende overtuigend beslecht door een verzekeringsgeneeskundig oordeel in bezwaar dat slechts op de evaluatie van de stukken is gebaseerd. Verweerder had een nieuw medisch onderzoek moeten entameren. Nu het medisch geschil in hoofdzaak het vakgebied der psychiatrie betrof, had het voor de hand gelegen dit nieuwe medisch onderzoek door een deskundige op dat vakgebied te doen plaatsvinden.

Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden moet het ervoor worden gehouden, dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende geobjectiveerd is. Het bestreden besluit komt daardoor wegens strijd met artikel 7:12 Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze uitspraak. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/5525 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

De gemeente Den Haag, Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn,

gevestigd te Den Haag, eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Derde-partij: [derde-partij]

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft verweerder aan derde-partij meegedeeld dat hij met ingang van 1 mei 2004 geen recht had op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Bij besluit van 25 november heeft verweerder het bezwaar dat namens eiseres tegen dit besluit was ingesteld, ongegrond verklaard.

Eiseres is tegen dit besluit in beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 juni 2005. Namens eiseres is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent. De derde-partij is niet verschenen.

Motivering

Tussen partijen is in geschil de mate van arbeidsongeschiktheid van derde-partij per 1 mei 2004.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat derde-partij arbeidsmogelijkheden heeft, die hem niet alleen in staat stellen om passend werk te verrichten, maar in feite ook toelaten dat hij zijn eigen werk bij de gemeente Den Haag verricht. Het standpunt van verweerder berust in hoofdzaak op het rapport van 12 mei 2004 van de verzekeringsarts Mirza, gelezen in samenhang met het rapport van 25 juni 2004 van de arbeidsdeskundige M.A. van Essen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat derde-partij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid. Daarbij beroept eiseres zich op de beoordeling van de bedrijfsarts H. Roelofs die in de zogeheten medische hoorzitting naar voren heeft gebracht dat derde-partij ernstige psychische klachten heeft en ongeschikt is voor elk werk.

Derde-partij acht zich volledig arbeidsongeschikt.

Verweerder heeft zich voor het nemen van het bestreden besluit laten adviseren door A.C.J. Wever, bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft het dossier en de bezwaren bestudeerd, waarna hij de casus in zijn rapport van 8 november 2004 heeft geëvalueerd, met als conclusie, dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat bij de behandeling van het bezwaarschrift in dit geval niet volstaan mocht worden met het evalueren van de voorhanden medische gegevens en rapporten, maar dat door nieuw medisch onderzoek een vorm van medische arbitrage geïndiceerd was. Immers, twee artsen die derde-partij daadwerkelijk hadden onderzocht c.q begeleid, stonden in hun inschatting van de arbeidsmogelijkheden van derde-partij lijnrecht tegenover elkaar. Dit medische geschil wordt onvoldoende overtuigend beslecht door een verzekeringsgeneeskundig oordeel in bezwaar dat slechts op de evaluatie van de stukken is gebaseerd. Verweerder had een nieuw medisch onderzoek moeten entameren. Nu het medisch geschil in hoofdzaak het vakgebied der psychiatrie betrof, had het voor de hand gelegen dit nieuwe medisch onderzoek door een deskundige op dat vakgebied te doen plaatsvinden.

Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden moet het ervoor worden gehouden, dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende geobjectiveerd is. Het bestreden besluit komt daardoor wegens strijd met artikel 7:12 Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze uitspraak.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 273,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D. Allewijn en in het openbaar uitgesproken op

22 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. van der Putten.