Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0296

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
02-08-2005
Zaaknummer
AWB 01/30228, 01/32173
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU8501
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stari Most-lijst / klemmende redenen van humanitaire aard / discretionaire bevoegdheid / motiveringsplicht.

Eisers komen voor op de zogenaamde Stari Most-lijst, waarvan verweerder heeft toegezegd dat de zaken van deze personen zullen worden herbeoordeeld. In deze zaak heeft verweerder volgens de rechtbank op geen enkele wijze gemotiveerd waarom eisers op grond van de herbeoordeling die heeft plaatsgevonden niet in aanmerking komen voor een vergunning op de c-grond van artikel 29 Vw 2000 met gebruikmaking van de aan hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het in het kader van die grond gevoerde beleid. Dat verweerder, gelet op de in het geding zijnde bevoegdheid, niet gehouden is tot een uitvoerige motivering kan aan verweerder worden toegegeven. Daarmee is echter niet gezegd dat verweerder géén motivering hoeft te geven. Ook mag van een redelijk handelend bestuursorgaan verwacht worden, mede gelet op de in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringsplicht, dat enige motivering wordt gegeven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling op grond van de bedoelde afwijkingsbevoegdheid per definitie niet te vatten is in criteria “omdat bezien wordt of er aanleiding bestaat om af te wijken van een beleidsregel, waarin wel criteria (kunnen) zijn opgenomen.” Echter uit de aan de rechtbank ter beschikking staande stukken blijkt dat verweerder, anders dan is gesteld, wel degelijk criteria heeft gehanteerd bij de herbeoordeling van de zaken van personen voorkomende op de Stari Most-lijst. Verweerder heeft in zaken waarin wel alsnog tot verlening van een verblijfsvergunning is overgegaan, maatgevend geacht de vraag of van deze personen bij terugkeer al dan niet verwacht kan worden een naar lokale maatstaven redelijk bestaan op te kunnen bouwen. In dat licht bezien hanteert verweerder dus wel degelijk een criterium en is de rechtbank van oordeel dat van verweerder tenminste verwacht mag worden dat gemotiveerd wordt op grond waarvan van eisers klaarblijkelijk, anders dan in de hiervoor in de beantwoording door verweerder van de gestelde vraag bedoelde gevallen, wel verwacht kan worden dat zij een naar lokale maatstaven redelijk bestaan op kunnen bouwen bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nrs. : AWB 01/30228 en AWB 01/32173

Inzake : A, eiser, en B e/v A, eiseres,

gemachtigde drs. J.W. de Haan, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te ‘s-Hertogenbosch,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

--------------------------

I. PROCESVERLOOP

1.1 Met ingang van 22 juli 2002 is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

1.2 Op 9 juli 2001 hebben eiser en eiseres, hierna gezamenlijk te noemen eisers, beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 14 juni 2001. Bij die besluiten heeft verweerder eisers geweigerd een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De beroepen zijn bij schrijven van 1 oktober 2001 gemotiveerd.

1.3 Bij brieven van 16 november 2001, 23 mei 2002, 12 november 2003, 21 januari 2004 en 21 juni 2004 heeft de gemachtigde van eisers nog aanvullende gronden en stukken ingediend.

1.4 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

1.5 De openbare behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden op 2 juli 2004, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, in gezelschap van hun minderjarige dochter, bijgestaan door hun gemachtigde drs. J.W. de Haan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. L. Verheijen.

1.6 Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank op

5 november 2004 het onderzoek in de zaken van eisers heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden.

1.7 Bij schrijven van 30 november 2004 heeft verweerder de door de rechtbank bij de heropeningsbeslissing aan hem gestelde vragen beantwoord.

1.8 Bij schrijven van 23 december 2004 heeft de gemachtigde van eisers gereageerd op het schrijven van verweerder van 30 november 2004 en nog stukken ingediend.

1.9 Bij schrijven van 1 april 2005 heeft de gemachtigde van eisers nog nadere stukken ingediend. Bij brief van 5 april 2005 heeft de rechtbank verweerder vervolgens op grond van het bepaalde in artikel 83, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de door eisers ingeroepen feiten en/of omstandigheden.

1.10 Na verwijzing van de zaken met toepassing van het bepaalde in artikel 8:10, tweede lid, van de Awb door de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer heeft de nadere behandeling van de beroepen plaatsgevonden ter openbare zitting van 14 april 2005, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, in gezelschap van hun twee minderjarige kinderen, bijgestaan door hun gemachtigde drs. J.W. de Haan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal. Tevens was ter zitting aanwezig als tolk mevrouw. G. Minic.

II. OVERWEGINGEN

2.1 Eisers, geboren op [...] 1975 respectievelijk [...] 1972, bezitten de Bosnische nationaliteit. Op 11 december 2000 hebben eisers aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Eisers zijn echtgenoten en behoren tot de bevolkingsgroep van de Bosnische Moslims. Blijkens de rapporten van nader gehoor hebben eisers aan hun aanvragen -zakelijk weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Eisers zijn afkomstig uit (de gemeente) Srebrenica, in de Republika Srpska, gelegen in Bosnië-Herzegovina. In juli 1995 maakten eisers de val van Srebrenica mee waardoor ze moesten vertrekken naar de Moslim-Kroatische Federatie, eveneens gelegen in Bosnië-Herzegovina. Daar woonden eisers tot en met 28 november 2000 in (de gemeente) Lukavac. Op 29 november 2000 zijn eisers uit Bosnië-Herzegovina vertrokken omdat de Servische eigenaar van het huis waarin zij toen nog samen met hun (schoon-)ouders woonden, weer in zijn eigen huis wilde wonen. De Servische eigenaar had eisers en hun schoonouders meerdere malen gevraagd zijn huis te verlaten. Eisers konden geen andere huisvesting vinden omdat zij dat niet konden betalen. Naar Srebrenica in de Republika Srpska konden zij niet terugkeren omdat zij Bosnische Moslims zijn. Voorts zijn eisers uit Bosnië-Herzegovina vertrokken vanwege de (slechte) algemene situatie aldaar en omdat zij geen werk konden vinden.

2.2 Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De afwijzing van de aanvragen van eisers is gebaseerd op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

2.3 De beroepen zijn, blijkens de gronden daarvan en het ter zitting aangevoerde, gericht tegen de bestreden besluiten voor zover daarbij is geweigerd aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op de gronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Vw 2000.

2.4 In deze procedure(s) dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten van 14 juni 2001 in zoverre de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.5 De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6 Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet Stb. 2000, 495 (Vw 2000). De Vreemdelingenwet, Stb. 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 heeft verweerder de door eisers ingediende aanvragen terecht aangemerkt als aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.7 Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

(...).”

2.8 Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; (...).”

2.9 Ingevolge artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.10 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.11 De rechtbank stelt voorop dat de algehele situatie in Bosnië-Herzegovina niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land en die, zoals eisers, behoren tot de bevolkingsgroep van de Bosnische Moslims, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve dienen eisers aannemelijk te maken dat er hen persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

2.13 Vastgesteld wordt dat eisers niet het toerekenbaar ontbreken van documenten in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is tegengeworpen door verweerder. Voorts wordt vastgesteld dat verweerder niet twijfelt aan de geloofwaardigheid van de door eisers afgelegde verklaringen in verband met hun asielrelazen.

2.14 Niet in geding is dat eisers onderling afhankelijke asielrelazen hebben.

2.15 Verder is niet in geding dat eisers blijkens hun verklaringen geen lid of sympathisant zijn of zijn geweest van een politieke partij of beweging in hun land van herkomst. Ook is niet in geding dat eisers, gelet op hun verklaringen, niet actief zijn geweest voor een politieke, maatschappelijke of religieuze organisatie in hun land van herkomst. Ten slotte is evenmin in geding dat eisers niet zijn gearresteerd of gedetineerd zijn geweest en geen problemen hebben ondervonden van de zijde van de Bosnische autoriteiten. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eisers gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag van de zijde van de Bosnische autoriteiten.

2.16 Ten aanzien van de verklaringen van eisers dat zij Bosnië-Herzegovina hebben verlaten vanwege het feit dat de Servische eigenaar van het huis waarin zij samen met hun (schoon-)ouders woonden weer in zijn eigen huis wilde wonen, zij geen andere huisvesting konden vinden omdat zij dat niet konden betalen, de (slechte) algemene situatie en zij geen werk konden vinden, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheden niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op vluchtelingschap in de zin van het Verdrag nu hiermee een beroep wordt gedaan op de algemene situatie in het land van herkomst. In zoverre is niet aannemelijk gemaakt dat er eisers persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag rechtvaardigen.

2.17 Aangaande de door eisers in beroep opgeworpen stelling dat zij vanwege het feit dat zij afkomstig zijn uit Srebrenica gediscrimineerd worden in Bosnië-Herzegovina, in het bijzonder in de Moslim-Kroatische Federatie, in die zin dat zij dermate ernstig in hun bestaansmogelijkheden beperkt worden dat hun leven onhoudbaar is geworden, overweegt de rechtbank als volgt.

2.18 Ingevolge onderdeel C1/4.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Een vreemdeling wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, indien hij aannemelijk maakt dat de discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan als hiervoor bedoeld én aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie.

2.19 Gesteld noch gebleken is dat vorenvermeld beleid kennelijk onredelijk is.

2.20 Naar dezerzijds oordeel is niet gebleken dat de door eisers gestelde discriminatie een dusdanige ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hen onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. De verklaringen van eisers bieden geen aanknopingspunten voor deze stelling. Bovendien hebben eisers deze stelling onvoldoende onderbouwd met stukken dan wel anderszins.

2.21 Vervolgens overweegt de rechtbank in dit kader nog als volgt.

2.22 Eisers hebben in beroep gewezen op de hervestigingsproblematiek waarmee zij bij terugkeer te maken krijgen en daarbij tevens gewezen op het verschijnsel van “ethnic engenering” (gedwongen terugkeer naar de plaats van herkomst vanwege politieke doeleinden); zij kunnen niet terug naar Srebrenica. Zo hebben eisers gesteld dat zij zich niet vrij kunnen hervestigen in Bosnië-Herzegovina. Enerzijds zijn zij gebonden aan de gemeente Lukavac vanwege de destijds aan hen verleende vluchtelingenkaart omdat zij, wanneer zij zich elders melden, hiermee direct weer worden terugverwezen naar deze gemeente. Anderzijds kunnen zij zich evenwel niet hervestigen in deze gemeente vanwege de tijdelijke geldigheidsduur van deze kaart en het feit dat deze kaart gebonden was aan het huisadres waar zij toentertijd hebben gewoond. Blijkens het afschrift van de overgelegde verklaring van de gemeente Lukavac van 4 mei 2001 is op die datum de eigendom van het huis waar de (schoon)ouders van eisers woonden teruggegeven aan de oorspronkelijke, Servische, eigenaar. De Bosnische lokale autoriteiten werpen voor interne ontheemden verder, aldus eisers, bureaucratische obstakels op door de eis te stellen dat burgers zich in een gemeente kunnen inschrijven als zij beschikken over een (vast) woonadres. Eisers beschikken niet over een (vast) woonadres. De lokale Bosnische autoriteiten trachten hiermee te voorkomen dat nieuwe vluchtelingen zich vestigen in hun gebied. Eisers hebben ter onderbouwing van het aangevoerde in verband met de hervestigingsproblematiek en het verschijnsel van “ethnic engenering” gewezen op passages uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Bosnië-Herzegovina van mei 1999 en april 2000, rapporten van het U.S. Department of State inzake Bosnië-Herzegovina van 1997 en 1999, een rapport van de Norwegian Refugee Council inzake Bosnië-Herzegovina van januari 2004 en een rapport van de UNHCR inzake Bosnië-Herzegovina van januari 2005.

2.23 Blijkens de bestreden besluiten en het ter zitting door de gemachtigde van verweerder aangevoerde is niet in geding -en wordt zelfs erkend- dat vreemdelingen afkomstig uit Bosnië-Herzegovina bij terugkeer te maken krijgen met (de) hervestigingsproblematiek zoals door eisers gesteld. Hiertoe is door verweerder gewezen op de relevante ambtsberichten inzake Bosnië-Herzegovina. Zo blijkt uit het ambtsbericht van 31 mei 1999 (pag. 45) dat, alhoewel terugkeer van personen die tot etnische meerderheden behoren naar meerderheidsgebieden niet op asielrelevante belemmeringen stuit, teruggekeerden wel vaak geconfronteerd worden met bureaucratische obstakels. “Naast etnische tegenstellingen blijven puur praktische obstakels, zoals de beperkte beschikbare woonruimte en de gecompliceerde regelgeving inzake het opeisen van de oorspronkelijke huizen en appartementen, terugkeer bemoeilijken.” Er worden nog altijd bureaucratische obstakels opgeworpen bij registratie. Een en ander wordt bevestigd in het ambtsbericht van 20 april 2000 (pag. 27) van de Minister van Buitenlandse Zaken. Bovendien blijkt uit laatstgenoemd ambtsbericht (pag. 28) dat terugkeerders zich bij problemen kunnen wenden tot het desbetreffende kantonnale of het ministerie voor vluchtelingen van de Federatie of tot het ministerie voor vluchtelingen in de Republika Srpska. “Op staatsniveau is het ministerie voor burgerzaken en communicatie verantwoordelijk voor vluchtelingen. Ook kunnen terugkeerders een beroep doen op organisaties als de OVSE, IPTF en UNHCR om hun zaak te behartigen bij de lokale autoriteiten.” Blijkens het door verweerder ingeroepen ambtsbericht van 5 juli 2002 (pag. 15) -welk ambtsbericht de rechtbank bij haar beoordeling betrekt op grond van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000- is de terugkeer van vluchtelingen en ontheemden één van de speerpunten van het beleid voor de wederopbouw van Bosnië-Herzegovina. “Van essentieel belang is het verschil tussen terugkeer van vluchtelingen en ontheemden naar meerderheidsgebied en de terugkeer naar minderheidsgebied.” Uit het door verweerder verder ingeroepen ambtsbericht inzake Bosnië-Herzegovina van 7 oktober 2003 (pag. 18) -welk ambtsbericht de rechtbank eveneens bij haar beoordeling betrekt op grond van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000- blijkt dat terugkeer naar een gebied waar de vluchteling behoort tot de etnische meerderheid voor alledrie de etnische groepen (Bosnische Serviërs, Bosniakken en Bosnische Kroaten) mogelijk is en over het algemeen zonder problemen verloopt. Voorts blijkt uit dit ambtsbericht dat er geen melding is gemaakt van gedwongen terugkeer binnen Bosnië-Herzegovina en dat alle Bosnische staatsburgers vrij zijn om hun woonplaats te kiezen. In hetgeen eisers hebben overgelegd zijn naar dezerzijds oordeel geen, althans onvoldoende, concrete aanknopingspunten gelegen die grond bieden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van voormelde ambtsberichten. De rapporten van het U.S. Department of State inzake Bosnië-Herzegovina van 1997 en 1999 leiden niet tot een ander oordeel vanwege het feit dat deze rapporten van beduidend oudere datum zijn dan het laatste ambtsbericht inzake Bosnië-Herzegovina van 7 oktober 2003. Uit de door eisers overgelegde rapporten van de Norwegian Refugee Council van 28 januari 2004 en de UNHCR van januari 2005 -die op grond van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep betrokken worden- komt geen wezenlijk ander beeld naar voren dan geschetst wordt in de hierboven genoemde ambtsberichten waar het gaat om de hervestigingsproblematiek van terugkeerders. Aan het door eisers in beroep overgelegde afschrift van de verklaring van de gemeente Lukavac van 4 mei 2001 wordt door de rechtbank geen waarde gehecht nu dit geen authentiek document is. Ook in hetgeen door eisers is aangevoerd, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten gelegen die leiden tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van voormelde ambtsberichten. Zo stelt de rechtbank vast dat de stelling van eisers in beroep dat zij meerdere lokale en internationale instanties hebben benaderd om hun (her)vestigingsproblemen op te lossen niet overeenkomt met de verklaring van eiser tijdens het nader gehoor (pag. 6). De aan hem tijdens dat gehoor gestelde vraag of hij (hiervoor) hulp heeft gezocht, heeft eiser ontkennend beantwoord. Tevens stelt de rechtbank vast dat eiseres tijdens het nader gehoor (pag. 5) heeft verklaard dat zij zelf niet bij de autoriteiten is geweest om hun problemen op te lossen maar dat haar schoonvader en eiser wel naar de gemeente zijn gegaan. Eisers hebben geen verklaring gegeven voor deze tegenstrijdigheden in hun verklaringen.

2.24 Vervolgens overweegt de rechtbank dat met het erkennen van de hervestigingsproblematiek door verweerder nog niet gezegd is dat eisers daarmee redenen hebben aangevoerd die leiden tot het aannemen van gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag. Geconcludeerd wordt dat verweerder dan ook terecht het standpunt heeft ingenomen dat eisers kunnen terugkeren naar Bosnië-Herzegovina.

2.25 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eisers in het land van herkomst gegronde redenen hebben te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Derhalve kan de weigering van verweerder om eisers niet in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de grond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de rechterlijke toets doorstaan.

2.26 Met betrekking tot het beroep op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt als volgt overwogen.

2.27 Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, pp. 37-38) wordt een verblijfsvergunning verleend op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

2.28 Ingevolge de genoemde artikelen dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen bij uitzetting een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

2.29 Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het beroep op vluchtelingschap is niet aannemelijk dat gedwongen terugkeer van eisers strijd oplevert met bovengenoemde artikelen.

2.30 Ook anderszins hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat juist zij bij uitzetting een reëel risico lopen te worden onderworpen aan een behandeling of bestraffing in voormelde zin. Van concrete aanknopingspunten daartoe is niet gebleken.

2.31 Voor zover eisers met de door hen in beroep overgelegde medische informatie een beroep hebben willen doen op de verleningsgrond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank nog als volgt.

2.32 Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) kan er onder omstandigheden sprake zijn van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Alleen indien er zeer uitzonderlijke omstandigheden en dwingende redenen van humanitaire aard zijn, kan uitzetting bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Ook moet de ziekte onder meer in een vergevorderd stadium zijn gekomen, dan wel op korte termijn levensbedreigend zijn. De rechtbank verwijst daartoe onder meer naar de uitspraken van het EHRM van 2 mei 1997 (RV 1997, 70; St. Kitts) en 6 februari 2001 (JV 2001/103; Bensaïd).

Hoewel uit bedoelde medische informatie naar voren komt dat eisers psychische klachten (PTSS) hebben, is gesteld noch gebleken dat er in de gevallen van eisers sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en dwingende redenen van humanitaire aard als vorenbedoeld. Voorts is gesteld noch gebleken dat de klachten van eisers in een vergevorderd stadium zijn, dan wel op korte termijn levensbedreigend zijn.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de klachten van eisers niet van dien aard zijn dat moet worden aangenomen dat hun uitzetting in strijd zou komen met artikel 3 van het EVRM.

2.33 Gelet op het vorenstaande kunnen de besluiten van verweerder, om eisers geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op -kort gezegd- de zogenaamde b-grond te verlenen, eveneens de aan de rechtbank toekomende toets doorstaan.

2.34 Aangaande het beroep op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt als volgt overwogen.

2.35 Door eisers is allereerst een beroep gedaan op het door verweerder gevoerde traumatabeleid zoals neergelegd in onderdeel C1/4.4 van de Vc 2000. Voorts hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat het beroep op de zogenaamde

c-grond tevens beoordeeld dient te worden in relatie tot overige klemmende redenen van humanitaire aard. Daarbij hebben eisers verwezen naar het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/2 en TBV 2001/29.

2.36 Ten aanzien van het beroep op het traumatabeleid overweegt de rechtbank dat het traumatabeleid ingevolge onderdeel C1/4.4.2.1 van de Vc 2000 ziet op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde -limitatief opgesomde- gebeurtenissen voor een vreemdeling zodanig traumatiserend zijn geweest, dat van hem of haar niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. Dit betreft zowel traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of willens is bescherming te bieden. De betrokken vreemdeling zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken vreemdeling uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken vreemdeling binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken vreemdeling zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstig karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten.

2.37 Gesteld noch gebleken is dat vorenvermeld beleid kennelijk onredelijk is.

2.38 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beroep van eisers op het traumatabeleid niet voor honorering in aanmerking komt. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

2.39 Niet in geschil is dat de gebeurtenissen die eisers in 1995 hebben meegemaakt gebeurtenissen zijn die behoren tot de hiervoor bedoelde gebeurtenissen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat er causaal verband is tussen de gebeurtenissen in juli 1995 en het vertrek van eisers in 2000. Verweerder heeft hierbij in overweging genomen dat de hiervoor genoemde termijn van zes maanden is verstreken en eisers geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat zij hun land niet eerder konden verlaten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, enerzijds vanwege de lange duur gelegen tussen die gebeurtenissen en anderzijds omdat de verklaringen die eisers met betrekking tot de reden van hun vertrek in eerste instantie hebben afgelegd vooral aangeven dat hun vertrek zijn oorsprong vindt in de problematiek rond huisvesting en de slechte algehele situatie in hun land van herkomst. Die omstandigheden kunnen echter niet leiden tot een geslaagd beroep op het traumatabeleid.

2.40 Voor zover eisers een beroep doen op bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, wordt als volgt overwogen.

2.41 Onderdeel C1/4.4.2.4 van de Vc 2000 luidt als volgt:

"In gevallen waarin de asielzoeker individuele klemmende redenen van humanitaire aard aanvoert die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, kunnen die aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het dient hierbij te gaan om dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. Humanitaire redenen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, kunnen niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bijvoorbeeld een hoge leeftijd of lichamelijke klachten heeft, is onvoldoende reden om aan te nemen dat terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ook de algemene humanitaire omstandigheden in het land van herkomst - zoals de omstandigheid dat het niveau van de beschikbare basisvoorzieningen naar Nederlandse maatstaven te wensen overlaat - kunnen geen reden zijn voor verlening van de verblijfsvergunning."

2.42 De rechtbank begrijpt het in dit verband aangevoerde aldus dat eisers zich enerzijds beroepen op hun gezondheidstoestand als gevolg van hetgeen zij meegemaakt hebben en anderzijds een beroep doen op de omstandigheden waarin zij bij terugkeer komen te verkeren. Met betrekking tot dit eerste aspect overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2003 (JV 2003, 432) dat het beleid inzake bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, zoals dit is uitgewerkt in onderdeel C1/4.4.2.4 van de Vc 2000, blijkens onderdeel C1/4.4.1 van de Vc 2000, zoals dat luidt sedert de wijziging bij TBV 2002/29, niet van toepassing is op traumata. Indien de gestelde traumatische feiten en of omstandigheden met betrekking tot gebeurtenissen in het land van herkomst derhalve niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op het traumatabeleid, kunnen dezelfde feiten en of omstandigheden niet alsnog aanleiding geven tot een geslaagd beroep op andere klemmende redenen van humanitaire aard als in voormeld TBV bedoeld. De door eisers overigens in dit verband aangevoerde omstandigheden, vooral betrekking hebbende op de huisvestingsproblematiek en de problematiek rond de "ethnic engenering" heeft verweerder, gelet op voormeld beleid, in redelijkheid kunnen aanmerken als feiten en of omstandigheden die eveneens geen grond geven voor verlening van een verblijfsvergunning op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

2.43 De rechtbank ziet zich tot slot nog voor de vraag gesteld naar de betekenis van de door verweerder toegezegde herbeoordeling van zaken van personen die voorkomen op de zogenaamde Stari Most lijst. Deze toezegging tot een herbeoordeling van bepaalde lopende zaken is gebaseerd op een schrijven van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 oktober 2003.

2.44 Niet in geschil is dat eisers voorkomen op deze lijst en ook voldoen aan de objectieve criteria voor een herbeoordeling op grond van die toezegging. Naar verweerder heeft aangegeven, heeft deze herbeoordeling ook plaatsgevonden, niettegenstaande het feit dat van deze herbeoordeling niet uit stukken blijkt en eisers over de uitkomst van die herbeoordeling niet zijn geïnformeerd.

2.45 Ter zitting van 14 april 2005 is door de gemachtigde van verweerder desgevraagd te kennen gegeven dat die herbeoordeling niet is gebaseerd op nieuw beleid, maar dat die herbeoordeling geplaatst dient te worden in het kader van de beoordeling door verweerder of, gelet op alle omstandigheden van het geval waartoe ook kunnen behoren feiten en of omstandigheden ontstaan na het vertrek uit het land van herkomst, aanleiding bestaat om met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid aan daarvoor in aanmerking komende personen alsnog een verblijfsvergunning toe te kennen op grond van de zogenoemde c-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank dient de toezegging van verweerder tot die herbeoordeling daarmee aangemerkt te worden als een feit respectievelijk omstandigheid daterend van ná het bestreden besluit dat, respectievelijk die, relevant kan zijn voor de in het geding zijnde verblijfsvergunningen. Ter voormelde zitting is verder door verweerder te kennen gegeven dat het schrijven van verweerder van 30 november 2004 gezien dient te worden als een standpunt van verweerder als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 en dat verweerder ook afziet van een eventuele verdere schriftelijke stellingname in dit verband nu het standpunt van verweerder duidelijk wordt geacht en hetgeen door of namens eisers overigens is aangevoerd niet tot een ander standpunt leidt.

2.46 De rechtbank overweegt vervolgens als volgt. Verweerder heeft op geen enkele -inzichtelijke en kenbare- wijze gemotiveerd waarom eisers op grond van de herbeoordeling die heeft plaatsgevonden niet in aanmerking komen voor een vergunning op de c-grond met gebruikmaking van de aan hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het in het kader van die grond gevoerde beleid. Dat verweerder, gelet op de in het geding zijnde bevoegdheid, niet gehouden is tot een uitvoerige motivering kan aan verweerder worden toegegeven. Daarmee is echter niet gezegd dat verweerder géén motivering hoeft te geven. Ook ter zake van een beslissing tot het niet gebruik maken van meergenoemde bevoegdheid mag van een redelijk handelend bestuursorgaan verwacht worden, mede gelet op de in artikel 3:46 van de Awb neergelegde motiveringsplicht, dat enige motivering wordt gegeven.

De rechtbank heeft hierbij het volgende mede in overweging genomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling op grond van de bedoelde afwijkingsbevoegdheid per definitie niet te vatten is in criteria “omdat er bezien wordt of er aanleiding bestaat om af te wijken van een beleidsregel, waarin wel criteria (kunnen) zijn opgenomen.” Wat ook moge zijn van de juistheid van voormeld standpunt, uit de aan de rechtbank ter beschikking staande stukken blijkt dat verweerder, anders dan is gesteld, wel degelijk criteria heeft gehanteerd bij de herbeoordeling van de zaken van personen, voorkomende op de Stari Most lijst. Uit het verslag van een schriftelijk overleg van 5 februari 2004 van verweerder met de vaste commissie voor Justitie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 19 637 en 29 344, nr. 796), overgelegd door eisers bij schrijven van 23 december 2004, citeert de rechtbank de navolgende passage op de pagina’s 15 en 16 van dat verslag:

“Vraag:

Op welke gronden heeft u besloten om juist deze 17 personen die op de Stari Mostlijst voorkomen alsnog een vergunning te verlenen?

Antwoord:

In deze dossiers heb ik gebruik gemaakt van mijn inherente afwijkingsbevoegdheid omdat deze personen, hoewel zij niet conform het Nederlandse asielbeleid in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning, gelet op de individuele omstandigheden die naar voren zijn gekomen uit de desbetreffende dossiers, niet verwacht kan worden een naar lokale maatstaven redelijk bestaan op te kunnen bouwen bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina. (…)”

2.47 Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verweerder dus in zaken waarin wel alsnog tot verlening van een verblijfsvergunning is overgegaan, maatgevend heeft geacht de vraag of van deze personen bij terugkeer al dan niet verwacht kan worden een naar lokale maatstaven redelijk bestaan op te kunnen bouwen. In dat licht bezien hanteert verweerder dus wel degelijk een criterium en is de rechtbank van oordeel dat van verweerder tenminste verwacht mag worden dat gemotiveerd wordt op grond waarvan van eisers klaarblijkelijk, anders dan in de hiervoor in de beantwoording door verweerder van de gestelde vraag bedoelde gevallen, wel verwacht kan worden dat zij een naar lokale maatstaven redelijk bestaan op kunnen bouwen bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina.

2.48 Op grond van bovenstaande overwegingen zijn de bestreden besluiten onvoldoende deugdelijk en draagkrachtig gemotiveerd en dienen deze besluiten te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, waarin is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.49 Uit het voorgaande vloeit voort dat de beroepen gegrond zijn.

2.50 De rechtbank acht tenslotte termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze samenhangende zaken worden 2,5 punten toegekend (1 punt voor de indiening van de beroepschriften, 1 punt voor de verschijning ter zitting en een 0,5 punt voor de nadere zitting), met een waarde per punt van € 322,-. Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Aangezien aan eisers een toevoeging is verleend, dient die vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

2.51 Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken, aan de zijde van eisers begroot op € 805,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank, zittinghoudende te Roermond.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), J.M.E. Derks en M.I.J. Hegeman (leden) in tegenwoordigheid van mr. J. Verstaen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de (wnd.) griffier:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: 9 juni 2005