Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0004

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2005
Datum publicatie
26-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/10783
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU7932
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd / geprivilegieerde status / artikel 3.93, lid 1, a en c, Vb 2000.

Blijkens het verslag van het gehoor van de Ambtelijke Commissie gehouden op 27 januari 2005 liep het contract van de vader van eiseres af medio februari 2005 en zou hij daarna nog drie maanden in dienst blijven bij het OPCW. Tot die tijd had de vader van eiseres nog de geprivilegieerde status. Niet in geding is dat eiseres meerderjarig is en dat zij langer dan tien jaar als vreemdeling in Nederland heeft verbleven. Echter eiseres komt, als afhankelijk gezinslid, als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, onder c, Vb 2000 eerst in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd indien de vreemdeling bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, onder a, Vb 2000 (haar vader) anders dan door eigen toedoen, zijn geprivilegieerde status heeft verloren. De rechtbank ziet geen grond de tweede zinsnede artikel 3.93, eerste lid, onder a, Vb 2000 niet van toepassing te achten op de persoon die afhankelijk gezinslid als bedoeld onder c van die bepaling is van een onder a, eerste zinsnede, bedoelde persoon. Niet alleen is dat grammaticaal de eerst aangewezen interpretatie, ook de toelichting bij het Vb 2000 stelt expliciet dat het pas de bedoeling is de personen onder a en hun afhankelijke gezinsleden voor een verblijfsvergunning in aanmerking te brengen indien zij hun geprivilegieerde status verliezen. Verder overweegt de rechtbank dat een andere uitleg ertoe zou leiden dat deze personen een dubbele verblijfsstatus in Nederland zouden krijgen, hetgeen evident niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit was aan deze voorwaarde nog niet voldaan, immers de vader van eiseres had op dat tijdstip zijn status nog niet verloren. Tijdens het bovenvermelde gehoor op 27 januari 2005 is door eiseres aangegeven dat de betrekking van haar vader bij de OPCW eindigt per medio februari 2005, waarna zijn geprivilegieerde status nog drie maanden voortduurt en medio mei wordt beëindigd. Dat betekent dat op dat tijdstip eiseres dus weliswaar nog niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.93, onder a en c, Vb2000, maar dat wel reeds vaststond dat zij binnen een afzienbare periode daar wel aan zou gaan voldoen. Deze omstandigheid heeft verweerder in het geheel niet bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank vat op grondslag van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de beroepsgronden omtrent de wijze van besluitvorming mede op als gericht tegen de zorgvuldigheid waarmee die is verricht. Gelet op de duur en het verloop van de procedure had verweerder het nemen van het besluit op de aanvraag kunnen aanhouden totdat de vader van eiseres daadwerkelijk zijn status had verloren en eiseres aan de voorwaarden van artikel 3.93 Vb2000 voldeed. Door direct te beslissen zonder deze omstandigheid (kenbaar) bij de besluitvorming te betrekken heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:2 Awb. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/10783 ONBTDN

Inzake : A, eiseres, V-nummer 270.294.3098, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. B. Hiddinga, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. M.R. Verdoner, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres, geboren op [...] 1980, bezit de Iraanse nationaliteit.

Zij verblijft sedert 1993 als vreemdeling in Nederland. Bij schrijven van 24 november 2003 heeft zij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres heeft op 3 september 2004 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.

Op 8 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij schrijven van 9 maart 2005 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 juli 2005. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.L. Hofdijk, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft geoordeeld, dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat het bestreden besluit niet op voet van het bezwaar is genomen. Namens eiseres is een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De beschikking geeft direct een inhoudelijk oordeel op de aanvraag en wijst deze af. Door dit verlies van instantie kan eerst in beroep op een aantal kwesties in worden gegaan.

Namens eiseres is gewezen op een aantal zaken waarin wel aan kinderen van geprivilegieerden een verblijfsvergunning werd verleend, terwijl de hoofdpersoon nog in dienst was van een internationale organisatie. De status van de vader van eiseres is niet ter sprake gekomen tijdens de hoorzitting en wordt nu koud tegengeworpen. Het bestreden besluit vermeldt niet welke bijzondere geprivilegieerden status de vader wel heeft. Verweerder toont weinig begrip voor de werk- en leefomstandigheden van het personeel van internationale organisaties. Deze blijven vaak langer dan tien jaar in dienst bij hun werkgever, wonen en werken in Nederland en hun sociale leven speelt zich hier af. De stelling dat uit B12/3.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat de verblijfsstatus van de hoofdpersoon bepalend is voor de status van afhankelijke gezinsleden is onjuist. Uit artikel 3.93, eerste lid onder b en c, van het Vreemdelingenbesluit blijkt immers dat een afhankelijk gezinslid van een onder b genoemde geprivilegieerde die in Nederland verblijft, in aanmerking komst voor een verblijfsvergunning onbepaalde tijd. Beleid kan daar niet aan afdoen.

Voorts bevat artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit geen verplichting om een machtiging tot voorlopig verblijf te bezitten voor een aanvraag voor onbepaalde tijd.

3. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de ingediende stukken op het standpunt dat eiseres niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb biedt verweerder de bevoegdheid om, in afwijking op de in het eerste lid van dit artikel neergelegde verplichting, direct een reële beslissing op de aanvraag te nemen gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, als onderdeel van de beslissing op het bezwaar tegen het niet-tijdig beslissen. De wetgever heeft het bestuur de keuze gelaten tussen deze mogelijkheid en het nemen van een afzonderlijke primair besluit op de aanvraag. In dit geval blijkt uit het bestreden besluit onmiskenbaar dat hier de eerste mogelijkheid is gekozen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik kon maken van de in voormeld artikel gegeven bevoegdheid direct en als onderdeel van de beslissing op bezwaar een besluit op de aanvraag te nemen, mede aangezien er vóór het nemen van het bestreden besluit een hoorzitting heeft plaatsgevonden waarbij namens eiseres inhoudelijke aspecten van deze zaak naar voren zijn gebracht.

De rechtbank stelt voorts vast, en zulks is ook niet weersproken, dat niet tijdig op de aanvraag van eiseres is beslist. In zoverre was het bezwaar dus gegrond. Niettemin heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar ongeclausuleerd ongegrond verklaard, hetgeen dus ten onrechte is. In zoverre is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag gegrond te verklaren.

5. Voor de toepassing van de Vw 2000 en de daarop berustende bepalingen (hierna tezamen: de vreemdelingenwetgeving) wordt onder een vreemdeling verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld (artikel 1, aanhef en onderdeel m, Vw 2000). Vaststaat dat eiseres niet de Nederlandse nationaliteit bezit en evenmin op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld. Derhalve wordt eiseres ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel m, Vw 2000 aangemerkt als een vreemdeling en is op haar de vreemdelingenwetgeving van toepassing.

De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van 22 april 2005, Awb 04/55242.

6. Ingevolge artikel 20, eerste lid onder a, Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Ingevolge het tweede lid wordt een dergelijke vergunning niet onder beperkingen verleend.

6.1. Op grond van artikel 3.93 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven:

a. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is verloren;

b. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post, of

c. als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling, bedoeld onder a of b.

6.2. Het beleid met betrekking tot diplomaten en personeel van diplomatieke zending of consulaire posten en personeel van internationale organisaties en gezinsleden is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000), hoofdstuk B12.

7. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en de behandeling ter zitting op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 3.93, onder c Vb 2000, omdat haar vader nog immer de bijzondere geprivilegieerde status bezit, als hiervoor genoemd onder a.

Niet in geding is dat de vader van eiseres ten tijde van het bestreden besluit in dienst was van de in Den Haag gevestigde Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OPCW). Blijkens het hierboven genoemde beleid, onderdeel 4.18 worden als geprivilegieerde vreemdelingen krachtens een internationale overeenkomst beschouwd: de uitvoerend Secretaris, de Plaatsvervangend Uitvoerend Secretaris en overige personeelsleden en hun inwonende gezinsleden werkzaam bij deze instelling. Op grond van de zogenoemde ‘zetelovereenkomst’ betreffende de OPCW genieten (voorzover hier van belang) functionarissen met de rang P-5 en hoger dezelfde voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten als die welke worden toegekend aan diplomaten met vergelijkbare rang van in Nederland gevestigde diplomatieke zendingen overeenkomstig het Verdrag van Wenen.

Blijkens de gedingstukken wordt de vader van eiseres aangemerkt als medewerker P5 bij de OPCW. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vader van eiseres ten tijde van het bestreden besluit moest worden beschouwd als een vreemdeling met een bijzondere geprivilegieerde status, als bedoeld in artikel 3.93, onder a, Vb 2000.

7.1. Blijkens het verslag van het gehoor van de Ambtelijke commissie gehouden op 27 januari 2005 liep het contract van de vader van eiseres af medio februari 2005 en zou hij daarna nog drie maanden in dienst blijven bij het OPCW. Tot die tijd had de vader van eiseres nog de geprivilegieerde status. Niet in geding is dat eiseres meerderjarig is en dat zij langer dan tien jaar als vreemdeling in Nederland heeft verbleven. Echter eiseres komt, als afhankelijk gezinslid, als bedoeld onder c, eerst in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd indien de vreemdeling bedoeld onder a (haar vader) anders dan door eigen toedoen, zijn geprivilegieerde status heeft verloren. De rechtbank ziet geen grond de tweede zinsnede van het bepaalde onder a van artikel 3.93 van het Vb 2000 niet van toepassing te achten op de persoon die afhankelijk gezinslid als bedoeld onder c van die bepaling is van een onder a, eerste zinsnede, bedoelde persoon. Niet alleen is dat grammaticaal de eerst aangewezen interpretatie, ook de toelichting bij het Vb 2000 stelt expliciet dat het pas de bedoeling is de personen onder a en hun afhankelijke gezinsleden voor een verblijfsvergunning in aanmerking te brengen indien zij hun geprivilegieerde status verliezen. Verder overweegt de rechtbank dat een andere uitleg ertoe zou leiden dat deze personen een dubbele verblijfsstatus in Nederland zouden krijgen, hetgeen evident niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit was aan deze voorwaarde nog niet voldaan, immers de vader van eiseres had op dat tijdstip zijn status nog niet verloren.

7.2. Tijdens het bovenvermelde gehoor op 27 januari 2005 is door eiseres aangegeven dat de betrekking van haar vader bij de OPCW eindigt per medio februari 2005, waarna zijn geprivilegieerde status nog drie maanden voortduurt en medio mei wordt beëindigd.

Dat betekent dat op dat tijdstip eiseres dus weliswaar nog niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.93, onder a en c, van het Vb2000, maar dat wel reeds vaststond dat zij binnen een afzienbare periode daar wel aan zou gaan voldoen.

Deze omstandigheid heeft verweerder in het geheel niet bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank vat op grondslag van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, de beroepsgronden omtrent de wijze van besluitvorming mede op als gericht tegen de zorgvuldigheid waarmee die is verricht. Gelet op de duur en het verloop van de procedure had verweerder het nemen van het besluit op de aanvraag kunnen aanhouden totdat de vader van eiseres daadwerkelijk zijn status had verloren en eiseres aan de voorwaarden van artikel 3.93 Vb2000 voldeed.

Door direct te beslissen zonder deze omstandigheid (kenbaar) bij de besluitvorming te betrekken heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

7.3. Het beroep voor zover gericht tegen de weigering om aan eiseres op grond van artikel 3.93, onder c, Vc 2000 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Verweerder dient in zoverre opnieuw te beslissen.

7.4 Daarbij overweegt de rechtbank dat, naar ter zitting is gebleken, thans de vader van eiseres niet meer in dienst van de OPCW is en hij dus anders dan door eigen toedoen zijn geprivilegieerde status heeft verloren, zodat eiseres thans wel voldoet aan artikel 3:93, onder c, van het Vb 2000.

8. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerders tegenwerping van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a Vw 2000, het mvv-vereiste, niet kan worden gevolgd, nu deze tegenwerping niet ziet op de door eiseres gedane aanvraag. Verweerder heeft in zoverre de aanvraag beoordeeld aan de hand van de criteria voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Zo’n vergunning is evenwel niet aangevraagd. In zoverre is verweerder bij het nemen van het bestreden besluit dus buiten de grenzen van de aanvraag getreden. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:3, derde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 20 van de Vw 2000. Overigens stelt eiseres terecht dat zij op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder c, Vc 2000, is vrijgesteld van dit vereiste.

Aangezien verweerder in zoverre buiten de aanvraag is getreden hoeft in zoverre geen nieuw besluit genomen te worden.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

10. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 138,-- dient te vergoeden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gericht tegen het ongegrond verklaren van het bezwaar tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op aanvraag gegrond;

2. verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op aanvraag gegrond, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

3. verklaart het beroep gegrond voor zover verweerder in het bestreden besluit heeft geoordeeld over de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw 2000;

4. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

5. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

7. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 138,--.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2005, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: