Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9590

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
AWB 03/54713
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV0431
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / artikel 1F VSV / personal participation / onderzoek en motivering.

Ten aanzien van de “personal participation” heeft verweerder onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat eiser in de periode 1992 tot mei 1997 zich als beroepsmilitair voor het SLA persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, verminking, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag en buitengerechtelijke executies. En dat eiser in de periode januari 1998 tot september 1999 zich schuldig heeft gemaakt aan plundering, mishandeling, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag, buitengerechtelijke executies en slavernij. Verweerder heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiser in de periode 1992 tot mei 1997 persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het mishandelen en martelen van gevangenen in de [...] Prison. Vastgesteld kan worden dat het bestreden besluit met betrekking tot de “personal participation” thans nog slechts wordt gedragen door eisers werkzaamheden als beroepsmilitair voor het SLA, voor zover die werkzaamheden eruit bestonden dat eiser gevangenen heeft doorverwezen naar de [...] Prison waardoor eiser persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het mishandelen en martelen van gevangenen. Derhalve is de vraag aan de orde of het bestreden besluit op deze basis nog voldoende draagkrachtig gemotiveerd is voor de conclusie dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F VSV. De rechtbank is van oordeel dat het niet aan haar is om thans in deze vraag te treden. Hiertoe is redengevend dat verweerder gebruik kan maken van de bevoegdheid om een persoon uit te sluiten van het Vluchtelingenverdrag. Mede in het licht van een brief van 28 november 1997 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie heeft verweerder zich verplicht om aan de uitsluiting uit hoofde van artikel 1F VSV een zorgvuldig onderzoek en een gedegen motivering ten grondslag te leggen. Aangenomen dient te worden dat verweerder in het voornemen en in het bestreden besluit alle genoemde werkzaamheden van eiser afzonderlijk en in samenhang bezien heeft gewogen en beoordeeld. Nu de rechtbank van oordeel is dat het merendeel van verweerders conclusies met betrekking tot de “personal participation” niet kunnen worden gedragen door het door verweerder verrichtte onderzoek en de gebruikte motivering, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte het gestelde in artikel 1F VSV aan eiser heeft tegengeworpen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/54713 OVERIO

V-nr.: 120.900.9481

inzake: A, […]1969, van Sierraleoonse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 18 november 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, thans aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 14 juli 2003 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 29 augustus 2003 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 19 september 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 16 oktober 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 4 december 2003 en aangevuld bij brief van 25 maart 2004. Op 9 februari 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17 september 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op 30 september 2004 heropend en verweerder een vraag gesteld. Bij schrijven van 28 oktober 2004 heeft verweerder een reactie ingediend. Bij schrijven van 11 november 2004 heeft eiser hierop gereageerd.

4. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 februari 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was S.T. Petrova, als tolk in de Engelse taal, ter zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft - kort weergegeven - het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is vanaf 1992 tot mei 1997 als beroepsmilitair werkzaam geweest voor het Sierraleoonse regeringsleger (SLA). Eiser is samen met zijn neef C bij het leger gegaan omdat zijn vader door de rebellen is vermoord. Eiser heeft bij het zevende bataljon infanterie gediend. In mei 1997 heeft eiser zich aangesloten bij de Armed Forces Revoluntionary Council (AFRC) onder leiding van Johnny Paul Koroma, die na een geslaagde coupe op 25 mei 1997 op 17 juni 1997 als president van Siërra Leone is geïnstalleerd. Vanaf februari 1998 tot en met 1999 heeft eiser nog voor het leger gewerkt. Hij heeft zich regelmatig verplaatst, omdat hij zich vanwege de burgerbevolking nergens veilig voelde. Eiser is tevens gevlucht omdat hij niet zonder problemen kon stoppen als beroepsmilitair.

III. RELEVANT WETTELIJK EN BELEIDSMATIG KADER

1. Ingevolge artikel 1(A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 21 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag) geldt voor de toepassing van dit verdrag als “vluchteling” elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2. Krachtens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

3. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

6. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid.

8. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt, indien artikel

1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

9. In paragraaf C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is de toepassing van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag nader uitgewerkt. Wat betreft de bewijslast en -maatstaf is in paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vc 2000 neergelegd dat verweerder moet aantonen dat er “ernstige redenen” zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd.

10. Teneinde te bepalen of de vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt in dat verband de “personal and knowing participation test” toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren daarvan, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, dan wel dat de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. Indien hiervan sprake is, kan aan de vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De “personal and knowing participation test” is in lijn met het gestelde in de artikelen 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome), aldus de Vc 2000.

IV. STANDPUNT VERWEERDER

1. Verweerder heeft zich - blijkens het voornemen van 14 juli 2003 dat als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd in het bestreden besluit 19 september 2003 - op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning en heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000.

2. Eiser vormt een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef, en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser kan derhalve geen aanspraak maken op de bescherming van de overige artikelen van het Vluchtelingenverdrag. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat er een rechtsgrond bestaat voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 3.107 van het Vb 2000 kan aan eiser evenmin een verblijfsvergunning worden verleend op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Uit eisers verklaringen kan volgens verweerder het volgende worden afgeleid. Eiser is vanaf 1992 tot mei 1997 als beroepsmilitair werkzaam geweest voor het Sierraleoonse regeringsleger (SLA). In deze periode heeft eiser deelgenomen aan gewelddadige acties tegen het Revolutionary United Front (RUF) en de burgerbevolking. In mei 1997 heeft eiser zich aangesloten bij de Armed Forces Revoluntionary Council (AFRC) onder leiding van Johnny Paul Koroma, die na een geslaagde coupe op 25 mei 1997 op 17 juni 1997 als president van Siërra Leone is geïnstalleerd. In deze periode, met name van januari 1998 tot midden februari 1998, heeft eiser deelgenomen aan gevechten tegen de troepen van de ECOMOG en Kamajors. Eiser heeft verklaard dat hij en zijn groep in februari 1998 veel burgers gedwongen hebben ingelijfd in de AFRC-gelederen.

4. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden voor de SLA en de AFRC (deels) aannemelijk en geloofwaardig. Eisers verklaring dat hij tot een vrijwilligersonderdeel van de SLA behoorde, acht verweerder niet geloofwaardig, omdat dit in tegenspraak is met de overige door eiser afgelegde verklaringen. Bovendien is eiser tot sergeant bevorderd en heeft hij specifieke verklaringen afgelegd met betrekking tot zijn werkzaamheden als verhoorder van gevangengenomen personen, waaronder de selectiecriteria voor het ontmaskeren van RUF-rebellen.

De stelling van eiser dat deelname aan het vrijwilligersonderdeel niet uitsluit dat hij beroepsmilitair was, wordt niet gevolgd. Eiser heeft niet onderbouwd dat de Siera Leone Voluntary Group heeft bestaan. Uit zijn verklaringen wordt verder geconcludeerd dat hij was ingedeeld bij het zevende bataljon dat een onderdeel is van het regeringsleger, dat hij een militaire training heeft ondergaan, dat hij is ingezet bij gevechtshandelingen en belast is geweest met het verhoren en martelen van krijgsgevangenen, onder wie RUF-strijders. Dit zijn taken die door een beroepsleger worden uitgevoerd en niet door een vrijwilligersonderdeel van het Sierraleoonse leger.

5.1. Met betrekking tot de werkzaamheden van eiser zijn twee van elkaar te onderscheiden perioden vastgesteld, te weten de periode van 1992 tot mei 1997 waarin eiser werkzaam was voor het SLA en de periode van januari 1998 tot september 1999, waarin hij activiteiten voor het AFRC heeft verricht.

5.2. Het ingestelde onderzoek naar de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft opgeleverd dat eiser in de periode van 1992 tot mei 1997 in verband moet worden gebracht met mishandeling, verminking, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag en buitengerechtelijke executies, waaronder standrechtelijke executies van gevangengenomen RUF-rebellen.

5.3. Met betrekking tot de tweede periode van januari 1998 tot september 1999 wordt eiser in verband gebracht met plundering, mishandeling, verminking, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag, buitengerechtelijke executie en slavernij.

6. Voornoemde gedragingen dienen allereerst te worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag, die zijn begaan tijdens een intern gewapend conflict. De gedragingen moeten tevens als absolute niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt.

7. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geweten heeft of had moeten weten dat door het SLA en het AFRC de hiervoor onder overwegingen 5.2 en 5.3 genoemde misdrijven werden begaan. Eiser is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij niets heeft geweten van het misdadige karakter van het SLA en het AFRC.

8.1. Verweerder heeft ten aanzien van eiser “personal participation” vastgesteld, zodat hij individueel voor de genoemde misdrijven verantwoordelijk kan worden gehouden.

In de eerste periode van 1992 tot mei 1997 heeft eiser volgens verweerder de volgende handelingen zelf verricht: het gebruik van geweld tegen gevangengenomen personen op wie de verdenking van betrokkenheid bij het RUF rustte tijdens de verhoren, het na de verhoren zonder een eerlijk proces executeren van gevangen genomen rebellen, deelname aan gevechten tegen het RUF waarbij burgers die niet deelnamen aan de strijd werden gedood, mishandeld en verminkt en waarbij hun bezittingen werden geconfisceerd. Aan eisers ontkenning dat hij deze misdrijven heeft gepleegd, wordt geen geloof gehecht. Eiser heeft tijdens de gehoren getracht zijn rol en verantwoordelijkheden te bagatelliseren dan wel te verhullen. Uit gezaghebbende bronnen blijkt dat het regeringsleger op grote schaal en stelselmatig gevangen genomen rebellen heeft gemarteld, verminkt, mishandeld en buitengerechtelijk geëxecuteerd en bovendien tijdens aanvallen tegen het RUF talloze burgers heeft gedood. Reeds hierom kan de eisers verklaring tijdens het aanvullend gehoor dat hij nimmer personen heeft gemarteld dan wel gedood, niet tot de conclusie leiden dat eiser genoemde misdrijven niet zou hebben gepleegd. Eiser heeft tevens verklaard dat mensen eerbied en respect voor hem hadden en dat wraak op de RUF-rebellen zijn motivatie is geweest om zich bij het regeringsleger aan te melden vanwege de omstandigheid dat de RUF-rebellen zijn vader hadden omgebracht.

Tevens komt uit verweerders onderzoek naar voren dat eiser voornoemde misdrijven direct heeft gefaciliteerd. Het handelen van eiser heeft er in wezenlijke mate toe bijgedragen dat de instanties, die belast waren met de door eiser overgedragen gevangenen aan de D gevangenis in Freetown, mishandeling, marteling, verminking, doodslag en buitengerechtelijk executie hebben gepleegd. Eiser is persoonlijk mede verantwoordelijk voor het begaan van deze misdrijven nu hij de betreffende personen met een begeleidende brief heeft overgedragen aan de D gevangenis indien na een verhoor nog twijfel bestond over hun eventuele betrokkenheid bij het RUF. Deze conclusie is gebaseerd op gezaghebbende bronnen waaruit blijkt dat in de D gevangenis talloze mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden. Eiser heeft hierdoor de omstandigheden geschapen waaronder de instanties die belast waren met de gang van zaken binnen de genoemde gevangenis de voornoemde misdrijven hebben kunnen plegen. Door een wezenlijke bijdrage te leveren aan de gepleegde misdrijven, moet eiser hier mede verantwoordelijk voor worden gehouden en dus als mededader worden beschouwd.

8.2. Met betrekking tot de tweede periode van januari 1998 tot september 1999 blijkt volgens verweerder uit eisers verklaringen dat hij zelf de volgende handelingen heeft verricht: de gedwongen inlijving van burgers, deelname aan gevechten tegen het regeringsleger en de ECOMOG waarbij burgers die deelnamen aan de strijd werden gedood, mishandeld of verminkt en waarbij hun bezittingen werden geconfisceerd. Bovendien werden gevangengenomen militairen zonder eerlijk proces geëxecuteerd. Deze gedragingen worden beschouwd als plundering, mishandeling, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag, buitengerechtelijke executie en slavernij.

Aan eisers ontkenning dat hij voornoemde misdrijven heeft gepleegd, wordt geen geloof gehecht nu eiser tijdens het aanvullend gehoor heeft getracht zijn rol en verantwoordelijkheden te bagatelliseren dan wel te verhullen. Bovendien blijkt uit gezaghebbende bronnen dat het AFRC in deze periode op grote schaal en stelselmatig gewelddadige operaties tegen de burgerbevolking heeft uitgevoerd. Reeds hierom kan de verklaring van eiser dat hij nimmer personen heeft gemarteld dan wel gedood, niet tot de conclusie leiden dat hij voornoemde misdrijven niet zou hebben gepleegd. Er wordt voorts geen geloof gehecht aan eisers verklaring over de wijze waarop hij aan zijn reissom is gekomen. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij het geld heeft verkregen uit de verkoop van de auto van zijn vader in 1999. Na confrontatie met de sterfdatum van zijn vader in 1991, heeft eiser geen afdoende verklaring kunnen geven voor de wijze van verwerving van genoemde financiële middelen voor zijn reis naar Nederland. Gelet hierop en in het licht van zijn verklaringen en hetgeen overigens bekend is uit openbare bronnen over de handelwijze van het AFRC, moet eerder worden aangenomen dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan de aanvallen op de dorpen waarbij huizen en bezittingen zijn geplunderd.

9. Gelet op het voorgaande is sprake van ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zodat eiser niet onder de bescherming van dit verdrag valt.

10. Uit het vluchtrelaas van eiser - bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Siërra Leone - kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11. In het verweerschrift heeft verweerder zich met betrekking tot de medische situatie van eiser, waarop is gewezen bij brief van 25 maart 2004, op het standpunt gesteld dat deze informatie reeds vanaf juli 2003 bekend was, zodat eiser deze eerder in de procedure had kunnen en dienen over te leggen. Het betreft dus geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000. Bovendien is niet gebleken dat de ziekte levensbedreigend is zodat eiser in dit kader geen beroep op artikel 3 van het EVRM kan doen.

12. In het schrijven van 28 oktober 2004 heeft verweerder - op de vraag van de rechtbank uit welke openbare en gezaghebbende bronnen blijkt dat in de periode 1992-1997 in de D Prison de handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht hebben plaatsgevonden - geantwoord dat verweerder geen bron(nen) heeft kunnen traceren waaruit blijkt dat gevangenen in de D Prison in die periode het slachtoffer zijn geworden van verminking, doodslag en buitengerechtelijke executie. Uit verschillende bronnen blijkt wel dat gevangenen in die periode slachtoffer zijn geworden van mishandeling en marteling. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar de “Country Reports on Human Rights Practices” over Sierra Leone van 1993, 1994, 1996, 1997 en 1998 van het U.S. Department of State en naar de rapportages van Amnesty International over Sierra Leone van 1996 en 1997.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Ten aanzien van het beroep op de medische toestand van eisers overweegt de rechtbank het volgende. Bij brief van 25 maart 2004 is voor het eerst op de medische toestand gewezen. Uit de daarbij gevoegde brief van dr. T Mudrikova en prof. dr. I.M. Hoepelman van 18 februari 2004 blijkt dat de ziekte in ieder geval in juli 2003 is geconstateerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid reeds eerder bekend was en derhalve ook eerder door eiser bekend had behoren te worden gemaakt. Derhalve wordt deze omstandigheid verder buiten beschouwing gelaten.

3. De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag restrictief dient te worden uitgelegd (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 16 januari 2004, JV 2004/130 en 17 januari 1995, RV 1995/1). Op grond van verweerders beleid is het aan verweerder om aan te tonen dat sprake is van “ernstige redenen om te veronderstellen” dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (zie onder andere de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 28 november 1997 (TK 1997-1998, 19 637, nr. 295), het Tussentijdsbericht Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV 2001/37) en paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vc 2000).

4. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond van eiser dat verweerder in het bestreden besluit - ter weerlegging van hetgeen eiser in de zienswijze heeft gesteld - ten onrechte slechts heeft verwezen naar het voornemen, niet kan slagen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangedragen. Nu het voornemen in het bestreden besluit als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, kon verweerder ter onderbouwing en motivering van hetgeen door eiser in de zienswijze is gesteld en door verweerder niet is gevolgd - ter voorkoming van onnodige herhalingen - naar het voornemen verwijzen.

5.1. Eiser heeft voorts als beroepsgrond naar voren gebracht dat verweerder de gefundeerde kritiek van eiser over de gang van zaken bij de gehoren ten onrechte heeft gepasseerd. Vooral het aanvullend gehoor (dat plaatsvond op 17 december 2002 en werd voortgezet op 7 maart 2003) had volgens eisers een inquisitoir karakter. Tijdens de gehoren heeft eiser kritiek geuit op de gang van zaken. Er is bij de gehoren een voor eiser buitengewoon onaangename sfeer gecreëerd, waarin hem vragen zijn gesteld die niets met artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te maken hebben. Gelet hierop kunnen de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen in redelijkheid niet aan eiser worden tegengeworpen. De aldus door eiser afgelegde wisselende verklaringen kunnen in geen geval zo worden uitgelegd dat eiser zijn rol heeft geprobeerd te bagatelliseren dan wel te verhullen.

5.2. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de verslagen van de gehoren kan worden afgeleid dat het aanvullend gehoor een confronterend karakter heeft gehad. Echter, gesteld noch gebleken is dat eiser niet in vrijheid heeft kunnen verklaren. Vastgesteld kan worden dat het aanvullend gehoor tal van verklaringen bevat die strijdig zijn met eerder door eiser afgelegde verklaringen. De rechtbank acht het niet onzorgvuldig dat hierover door verweerder is doorgevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet gebleken dat de verhoren de toets van de zorgvuldigheid niet kunnen doorstaan zodat deze beroepsgrond niet kan slagen.

6.1. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder ten onrechte geen geloof heeft gehecht aan zijn verklaring dat hij bij de Siera Leone Voluntary Group (SLVG) heeft gezeten.

6.2. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor van 17 januari 2000 - onder meer - heeft verklaard dat hij als beroepssoldaat in zijn levensonderhoud voorzag. Tevens heeft hij tijdens dit gehoor over zijn problemen gesproken vanwege de omstandigheid dat hij beroepssoldaat was geweest. Tijdens het gehoor van 17 december 2002 heeft eiser vervolgens ontkend dat hij tijdens het gehoor van 17 januari 2000 heeft verklaard dat hij beroepsmilitair bij het SLA was. Tijdens dit gehoor heeft hij verklaard dat hij als lid van de SLVG, dat niet officieel bij het regeringsleger hoorde, als vrijwilliger bij het leger was aangesloten.

6.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid geen geloof hoeven hechten aan eisers verklaring dat hij slechts als vrijwilliger deel heeft uitgemaakt van het regeringsleger. Hiertoe heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij vrijwilliger was bij de SLVG. Tevens heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven waarom hij in het gehoor van 17 december 2002 op zijn eerdere afgelegde verklaringen is teruggekomen. Immers, in de correcties en aanvullingen van 4 februari 2000 heeft eiser op geen enkele wijze aangegeven dat zijn verklaringen omtrent zijn werkzaamheden als beroepssoldaat onjuist in het verslag van het gehoor van 17 januari 2000 zijn neergelegd. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de latere blote ontkenning van eiser en de stelling in de zienswijze, dat de omstandigheid dat eiser zich beroepsmilitair heeft genoemd niet uitsluit dat hij deel uitmaakte van het vrijwilligersonderdeel van het SLA, onvoldoende zijn om eisers verklaringen omtrent de SLVG te geloofwaardig te achten.

7.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiser, voor zover deze zien op zijn werkzaamheden voor de SLA en de AFRC, geloofwaardig heeft bevonden. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden behoort volgens vaste jurisprudentie van de AbRS tot de verantwoordelijkheid van de minister en deze kan slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Dit is niet anders, wanneer het gaat om de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (zie onder meer de uitspraken van de AbRS van 27 januari 2003, JV 2003/103 en 7 augustus 2003, JV 2003/435).

7.2. Gelet op dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser omtrent zijn werkzaamheden voor de SLA en de AFRC geloofwaardig zijn.

Uit de uitspraak van de AbRS van 15 december 2004 (200405285/1) blijkt dat, uitgaande van het aldus niet onredelijk bevonden oordeel van verweerder over de feiten, de rechter vervolgens tot een beoordeling van het door de vreemdeling gedane beroep op vluchtelingschap en in voorkomend geval het hem tegengeworpen artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag komt, voor terughoudendheid bij de rechterlijke toetsing geen plaats is. Derhalve dient het standpunt van verweerder dat, gegeven dat het asielrelaas geloofwaardig wordt geacht, sprake is van 'knowing and personal participation' door de rechter zonder terughoudendheid te worden getoetst.

8. Ten aanzien van de vraag of verweerder ten aanzien van eiser “knowing participation” heeft kunnen aannemen omdat eiser weet heeft gehad of behoren te hebben van de door het SLA en de AFRC begane misdrijven, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij niets heeft geweten van de door deze organisaties begane misdrijven zodat geen sprake is van een significante uitzondering. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat nu gezaghebbende internationale organisaties, waaronder Amnesty International, over de door de strijdende partijen gepleegde misdrijven hebben gerapporteerd, het niet anders kan zijn dan dat de genoemde misdrijven wijdverspreid en op grote schaal hebben plaatsgevonden. Tevens moeten burgers die woonachtig waren in het betreffende conflictgebied, en zeker eiser die in de rang van sergeant werkzaam was in het regeringsleger, reeds eerder op de hoogte zijn geweest van de genoemde misdrijven alvorens hierover door de internationale organisaties over werd gerapporteerd. De stelling van eiser dat verweerder met betrekking tot eiser in dit kader nader onderzoek had moeten verrichten, kan dan ook niet slagen.

9.1. Eiser heeft zich in beroep eveneens gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder hem ten onrechte individueel verantwoordelijk heeft gehouden voor de aan hem verweten misdrijven in de genoemde periodes. Eiser heeft geen geweld gebruikt ten aanzien van gevangenen. Hij was een militair die streed aan de kant van de regering, hij kon zich onmogelijk een beeld vormen van de activiteiten van andere bataljons van het regeringsleger. Uit de berichten van Amnesty International kan ook niet worden afgeleid dat iedere militair bij het regeringsleger als medepleger of faciliteerder kan worden aangemerkt. De rang van sergeant impliceert geenszins dat eiser een zodanige positie had dat hij invloed kon uitoefenen op hetgeen door het regeringsleger werd gedaan. Het is voorts volkomen misplaatst dat in de verklaring van eiser dat gevangenen werden overgedragen naar de D gevangenis en dat als hij zijn werk niet had gedaan er mogelijk ernstiger mensenrechtenschendingen zouden hebben plaatsgevonden, een bevestiging kan worden gevonden voor de stelling dat hij wist wat die gevangenen in die gevangenis werd aangedaan. Voorts kan eiser niet verantwoordelijk worden gehouden voor de misdaden die na februari 1998 zijn gepleegd, want eiser is immers in februari 1998 uit Freetown vertrokken. De veronderstelling van verweerder dat eiser aan het geld voor de reis is gekomen door plunderingen, is speculatief.

9.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van de “personal participation” van eiser het volgende. Nu verweerder met betrekking tot eisers werkzaamheden twee van elkaar te onderscheiden perioden heeft vastgesteld - te weten de eerste periode van 1992 tot mei 1997 waarin eiser werkzaam was voor het SLA en de tweede periode van januari 1998 tot september 1999, waarin hij activiteiten voor het AFRC heeft verricht - zal ook de rechtbank deze perioden afzonderlijk beoordelen.

9.3. Verweerder heeft zich voor de periode 1992 tot mei 1997 op het standpunt gesteld dat, gelet op eisers verklaringen omtrent zijn motivatie, zijn werkzaamheden als verhoorder van gevangenen en zijn betrokkenheid bij de strijd, aangenomen moet worden dat eiser als beroepsmilitair voor het SLA persoonlijk tijdens verhoren geweld heeft gebruikt tegen gevangenen, na de verhoren gevangen genomen rebellen zonder een eerlijk proces heeft geëxecuteerd, deel heeft genomen aan gevechten tegen het RUF waarbij burgers die niet deelnamen aan de strijd werden mishandeld, verminkt en gedood, en waarbij hun bezittingen werden geconfisceerd.

Blijkens het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder eiser in deze periode tevens verantwoordelijk gehouden voor het direct faciliteren van mishandeling, marteling, verminking, doodslag en het buitengerechtelijk executeren van personen omdat hij gevangenen heeft overgedragen aan de D gevangenis in Freetown.

9.4. Met betrekking tot eisers werkzaamheden als beroepsmilitair voor het SLA in de periode 1992-1997 is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser afgelegde verklaringen over zijn werkzaamheden als beroepsmilitair niet zonder meer valt af te leiden dat hij zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de door het SLA gepleegde misdrijven. Uit de verslagen van de gehoren, die zien op eisers werkzaamheden als beroepsmilitair voor het SLA, blijkt dat eiser op de betreffende vragen van de contactambtenaar weinig concreet en voornamelijk ontwijkend over zijn werkzaamheden als beroepsmilitair heeft verklaard. Op hetgeen eiser wel heeft verklaard, is door de contactambtenaar niet nader toegespitst doorgevraagd. Nu in dit geval geen sprake is van omkering van de bewijslast, is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan het plegen van voornoemde misdrijven. De in het voornemen en bestreden besluit getrokken conclusie dat eiser persoonlijk voor het begaan van de misdrijven gepleegd door het SLA verantwoordelijk is, is grotendeels gebaseerd op de algemene ambtsberichten met betrekking tot Sierra Leone en de rapporten van onder meer Amnesty International en Human Rigths Watch. Verweerders conclusie gaat er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uit dat uit eisers enkele deelname aan het SLA-leger reeds volgt dat sprake is van “personal participation”. Deze conclusie is - mede gelet op de restrictieve interpretatie van 1(F) van het Vluchtelingenverdrag - te algemeen en derhalve onvoldoende toegesneden op eiser persoonlijk, zodat verweerder dit deel van het bestreden besluit niet draagkrachtig heeft gemotiveerd.

9.5. Ten aanzien van het in de periode 1992 tot mei 1997 direct faciliteren van de misdrijven gepleegd in de D Prison, overweegt de rechtbank dat verweerder in het schrijven van 28 oktober 2004 deels is teruggekomen van zijn conclusie, zoals neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit. Eiser kan volgens verweerder niet verantwoordelijk worden gehouden voor het direct faciliteren van verminking, doodslag en buitengerechtelijke executies. Uit de door verweerder onder IV.12 aangehaalde bronnen blijkt volgens verweerder wel dat gevangenen in de periode 1992 tot 1997 het slachtoffer zijn geworden van mishandeling en marteling.

9.6. Naar aanleiding van het voorgaande heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu uit het schrijven van 28 oktober 2004 blijkt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser het verminken, vermoorden en buitengerechtelijke executeren direct heeft gefaciliteerd. Voorts blijkt uit de thans overgelegde bronnen onvoldoende dat eiser medeverantwoordelijk moet worden gehouden voor het faciliteren van mishandeling en marteling. Uit de rapportages van Amnesty International blijkt bovendien dat sprake was van drie afzonderlijke gevangenissen die onder de D Prison vielen. Het is niet duidelijk aan welk gevangenisonderdeel eiser gevangenen heeft overgedragen en of alle onderdelen zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van mishandeling en marteling. Eiser heeft ook steeds ontkend dat hij iets met deze misdrijven te maken heeft gehad.

9.7. De rechtbank overweegt dat uit de door verweerder overgelegde stukken, afkomstig van Amnesty International en het US Department of State, niet blijkt dat eiser persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het direct faciliteren van verminking, doodslag en het buitengerechtelijk executeren in de D Prison. Anders dan eiser is de rechtbank echter van oordeel dat uit die stukken wel voldoende blijkt dat eiser, vanwege het doorsturen van gevangenen naar de D Prison, het mishandelen en martelen van gevangenen direct heeft gefaciliteerd.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet concreet heeft onderbouwd, noch voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat de D Prison was onderverdeeld in drie afzonderlijke gevangenissen met een verschillend regime. De rapportages van het US Departement of State van januari 1994, 1995, 1999 en de rapportages van Amnesty International van januari 1996 en september 1996 maken dan wel melding van respectievelijk D 11 Prison, D 22 Road en D 33 Prison, maar in diezelfde stukken en in de overige rapportages wordt voornamelijk gesproken over de D Prison in het algemeen. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt derhalve niet dat sprake was van verschillende gevangenissen.

9.8. Met betrekking tot eisers werkzaamheden als lid van het AFRC in de periode januari 1998 tot september 1999 is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser afgelegde verklaringen over zijn werkzaamheden in deze periode evenmin zonder meer valt af te leiden dat hij zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan het plegen van plundering, mishandeling, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag, buitengerechtelijke executies en slavernij.

Evenals met zijn werkzaamheden als beroepsmilitair voor het SLA heeft eiser ook met betrekking tot zijn werkzaamheden voor het AFRC weinig concreet verklaard. Gelet op eisers verklaringen heeft verweerder dan ook door eisers verklaringen in die motivering centraal te stellen onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser persoonlijk verantwoordelijk dient te worden gehouden voor de misdaden die de rebellen van het AFRC in het algemeen hebben gepleegd. Uit de door verweerder aangehaalde bronnen van onder meer Amnesty International, Human Rigths Watch en het US State Department blijkt weliswaar dat het AFRC zich schuldig heeft gemaakt aan diverse oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdaden, maar hieruit blijkt niet dat elk lid van het AFRC zich hieraan schuldig heeft gemaakt. De conclusie van verweerder gaat er naar het oordeel van de rechtbank derhalve eveneens ten onrechte van uit dat uit eisers deelname aan het AFRC reeds volgt dat sprake is van “personal participation”. Mede gelet op de restrictieve interpretatie van 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is dit te algemeen en onvoldoende geïndividualiseerd, zodat verweerder ook dit deel van het bestreden besluit niet draagkrachtig heeft gemotiveerd.

10.1. Ten aanzien van de “personal participation” is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat eiser in de periode 1992 tot mei 1997 zich als beroepsmilitair voor het SLA persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, verminking, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag en buitengerechtelijke executies. Tevens heeft verweerder onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat eiser in de periode januari 1998 tot september 1999 zich schuldig heeft gemaakt aan plundering, mishandeling, marteling, het vermoorden van burgers die niet aan de strijd deelnamen, doodslag, buitengerechtelijke executies en slavernij.

10.2. Gelet op hetgeen is overwogen in overweging V.9.7 heeft verweerder zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiser in de periode 1992 tot mei 1997 persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het mishandelen en martelen van gevangenen in de D Prison.

10.3. Derhalve kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit met betrekking tot de “personal participation” thans nog slechts wordt gedragen door eisers werkzaamheden als beroepsmilitair voor het SLA, voor zover die werkzaamheden eruit bestonden dat eiser gevangenen heeft doorverwezen naar de D Prison waardoor eiser persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het mishandelen en martelen van gevangenen. Gelet hierop is de vraag aan de orde of het bestreden besluit op deze (zeer versmalde) basis nog voldoende draagkrachtig gemotiveerd is voor de conclusie dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

10.4. De rechtbank is van oordeel dat het niet aan de rechtbank is om thans in deze vraag te treden. Hiertoe is redengevend dat verweerder gebruik kan maken van de bevoegdheid om een persoon uit te sluiten van het Vluchtelingenverdrag. Mede in het licht van de brief van 28 november 1997 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie (TK 1997-1998, 19 637, nr 295) heeft verweerder zich verplicht om aan de uitsluiting uit hoofde van 1(F) een zorgvuldig onderzoek en een gedegen motivering ten grondslag te leggen. Aangenomen dient te worden dat verweerder in het voornemen en in het bestreden besluit alle genoemde werkzaamheden van eiser afzonderlijk en in samenhang bezien heeft gewogen en beoordeeld. Nu de rechtbank van oordeel is dat het merendeel van verweerders conclusies met betrekking tot de “personal participation” niet kunnen worden gedragen door het door verweerder verrichtte onderzoek en de gebruikte motivering, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, mede gelet op overweging V.10.3 van deze uitspraak, ten onrechte het gestelde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

11. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen partijen voor het overige over en weer hebben aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI . BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Deze uitspraak is gewezen door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter,

mrs. H.B. van Gijn en C. Klomp, rechters, in tegenwoor-digheid van mr. D.Tajik-Smeets, griffier,

en openbaar gemaakt op 27 juni 2005.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: DT

Coll: JGa

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.