Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9572

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/6801
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / vertrouwensbeginsel.

Naar aanleiding van een herhaalde asielaanvraag bepaalde de rechtbank (AWB 04/9377) dat een in de beroepsfase door eiser overgelegde brief van de honorair consul van de Ugandese ambassade in Brussel geen novum is in de zin van artikel 83 Vw 2000 en derhalve niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Verweerder stelde in een brief aan eiser dat zij bereid was om de brief van de honorair consul alsnog inhoudelijk te beoordelen en stelde eiser daarvoor in de gelegenheid om een nieuwe aanvraag in te dienen, waarbij de nieuwe aanvraag ook ambtshalve aan het staatlozenbeleid zou worden getoetst. Verweerder heeft deze herhaalde aanvraag evenwel afgewezen op grond van 4:6, tweede lid, Awb. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit. Verweerder heeft immers door toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, Awb in strijd gehandeld met een duidelijke en onvoorwaardelijke toezegging. Aldus doende heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Middelburg

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/6801 V 120.100.1832

Inzake : A, eiser, gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. H. Verbaten, medewerker bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1973 en dat hij de Burundische nationaliteit bezit. Hij verblijft sedert 6 september 2000 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Eiser heeft op 7 september 2000 en 18 februari 2004 twee eerdere asielaanvragen ingediend. De afwijzingen van deze aanvragen zijn bij uitspraken van deze rechtbank van respectievelijk 25 februari 2003 (AWB 01/28719) en van 14 mei 2004 (AWB 04/9377) in rechte komen vast te staan.

Op 23 augustus 2004 heeft eiser een herhaalde aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 7 februari 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Op 15 februari 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 31 mei 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, met bijstand van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden, indien na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, die bij de vorige beschikking niet bekend waren en die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd.

Eiser heeft opnieuw asiel aangevraagd omdat het voor hem niet mogelijk is om terug te keren naar Uganda. Ter onderbouwing legt eiser verklaringen van de honorair consul van de Ugandese ambassade te Brussel over van 25 februari 2004 en 28 april 2005, waarin staat dat aan eiser geen laissez passer of een paspoort kan worden verstrekt omdat eiser niet beschikt over de Ugandese nationaliteit.

2. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser overgelegde brief van de Ugandese ambassade van 25 februari 2004 niet is aan te merken als een nieuw feit en/of omstandigheid in de zin van 4:6 van de Awb. Uit deze brief blijkt volgens verweerder in het geheel niet dat eiser de toegang tot het grondgebied van Uganda ontzegd wordt en dat de Ugandese autoriteiten hem de toegang tot het Ugandese grondgebied ontzeggen. Voorts stelt verweerder dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder naar de ambassade is kunnen gaan om een visum aan te vragen. Tot slot stelt verweerder dat nu eiser heeft gesteld dat hij zich bij de huidige aanvraag beroept op zaken die hij al heeft aangedragen tijdens de eerdere procedures er geen sprake kan zijn van nieuwe feiten en/of omstandigheden in de zin van 4:6 van de Awb.

3. In beroep is door eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de derde asielaanvraag heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Eiser stelt zich op het standpunt dat de brieven van de honorair consul van 25 februari 2004 en 28 april 2005 wel degelijk nieuwe feiten betreffen in de zin van voornoemd artikel. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de wedertoelating van eiser op Ugandees grondgebied aannemelijk is en baseert zich aldus eiser op verouderde ambtsberichten. De brief vormt derhalve een concrete aanwijzing dat de ambtsberichten waarop verweerder zich baseert onjuist en onvolledig zijn, aldus eiser. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Eiser verwijst hierbij naar een brief van verweerder van 28 juni 2004, waarin wordt gesteld dat eiser een nieuwe aanvraag kan indienen, waarbij de aanvraag ook ambtshalve aan het staatlozenbeleid zal worden getoetst. Uit het bestreden besluit van 7 februari 2005 blijkt volgens eiser geenszins dat de aanvraag inhoudelijk is getoetst, maar dat deze is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen aanwezig zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door eiser ingestelde beroep kan in beginsel slechts leiden tot de beoordeling of verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging nopen.

4.2. Allereerst overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 8:58 van de Awb partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen.

Eiser heeft bij brief van 30 mei 2005 een nader stuk ingediend. De rechtbank zal dit stuk wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrekken, omdat niet is gebleken dat en waarom eiser met de in die brief vervatte informatie niet eerder had kunnen en derhalve behoren te komen.

4.3. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel, dat het derde asielrelaas van eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht ter ondersteuning van zijn herhaalde asielaanvraag. Niet valt in te zien waarom eiser de genoemde brieven van de honorair consul van de Ugandese ambassade niet eerder heeft kunnen overleggen. Reeds in de eerste asielprocedure was immers bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 25 februari 2003 ( AWB 01/28719) in rechte vast komen te staan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet terug kan keren naar Uganda. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij de gedane verzoeken aan de Ugandese ambassade niet eerder heeft kunnen doen.

4.4. Eiser heeft in zijn brief van 20 mei 2005, houdende aanvullende gronden, gesteld dat sprake is van bijzondere op zijn individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden en daarbij verwezen naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 19 februari 1998, de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45). De rechtbank is evenwel van oordeel dat de door eiser aangevoerde argumenten van algemene aard zijn en niet zijn aan te merken als specifieke, op zijn geval toegesneden, feiten en omstandigheden. Een beroep op de zogenaamde "Bahaddar-toets" kan dan ook niet tot een gegrond beroep leiden.

4.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedane toezegging in de brief van 28 juni 2004 niets af doet aan de omstandigheid dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 Awb. Dit standpunt van verweerder kan niet worden gevolgd en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verweerder stelt in zijn brief van 28 juni 2004 aan gemachtigde van eiser het volgende:

"Ik ben - ondanks mijn door de rechtbank gesanctioneerde standpunt ten aanzien van genoemde brief van 25 februari 2004 - bereid om deze brief alsnog inhoudelijk te beoordelen en stel u cliënt daarvoor in de gelegenheid om een nieuwe aanvraag in te dienen, waarbij de aanvraag ook ambtshalve aan het staatlozenbeleid zal worden getoetst. Hiervoor kan uw cliënt een afspraak maken met de HASA-lijn te Ter Apel. Ik heb de medewerker van de HASA-lijn hiervan op de hoogte gebracht."

De rechtbank komt gelet op deze passage tot de vaststelling dat verweerder een duidelijke en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, ertoe strekkende dat een door eiser in te dienen nieuwe asielaanvraag door verweerder inhoudelijk zal worden behandeld en dat ambtshalve aan het staatlozenbeleid zal worden getoetst. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit het dossier blijkt dat verweerder deze toezegging in het geheel niet is nagekomen. Verweerder heeft immers naar aanleiding van eisers asielaanvraag van 23 augustus 2004 bij beslissing van 7 februari 2005 - in strijd met de gedane toezegging - alsnog toepassing gegeven aan het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb. Aldus doende heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid, als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, om af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit.

5. Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit wegens strijd met het vertrouwensbeginsel te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

6. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III. Uitspraak

De rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- , onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

Aldus gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op

in tegenwoordigheid van M. Schouw, griffier.

De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC

’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op: 4 juli 2005