Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9539

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
19-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/625 WOW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[...] De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige omstandigheid die tot het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring zou moeten leiden. Verzoeker kan derhalve reeds op grond van het vorenstaande niet in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb worden ontvangen. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter evenmin gebleken. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht, eerste kamer

Reg. nr. AWB 05/625 WOW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 23 december 2004 van Burgemeester en wethouders van Den Haag/Dienst Stedelijke Ontwikkeling, verweerder, waarbij een lichte bouwvergunning is geweigerd.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Artikel 8:82, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, bepaalt dat van de indiener van het verzoekschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, tweede lid, juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Awb deelt de griffier de indiener mede dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bij brief van 13 april 2005 heeft de griffier verzoeker, onder verwijzing naar het vorenstaande, medegedeeld dat hij een recht van € 136,-- verschuldigd is. De aangetekende nota is niet afgehaald op het postkantoor en op 10 mei 2005 retour ter griffie van de rechtbank ontvangen. De verzoeker is verantwoordelijk voor het ophalen van de aangetekende nota. Dat bedrag is echter niet binnen de in artikel 8:82, tweede lid, van de Awb gestelde termijn op de rekening van de rechtbank bijgeschreven dan wel ter griffie gestort.

De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige omstandigheid die tot het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring zou moeten leiden. Verzoeker kan derhalve reeds op grond van het vorenstaande niet in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb worden ontvangen. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. V.J. de Haan, als voorzieningenrechter, in het openbaar uitgesproken 8 juni 2005 op in tegenwoordigheid van de griffier M.A. Gerritsma.