Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9435

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
04/3926 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Horeca Den Haag van 30 juni 2000 (hierna: de Structuurvisie), Den Haag is onderverdeeld in "uitgaansgebieden" en "overig gebied". In het "overig gebied" worden met het oog op het woon- en leefklimaat geen uitbreidingen van openingstijden van recreatie-inrichtingen toegestaan. Gelet op de ligging van de desbetreffende recreatie-inrichting in een woon-winkelstraat in het "overig gebied" kan de uitbreiding van de openingstijden als een verzwaring van de bestaande exploitatie worden aangemerkt, hetgeen niet is te verenigen met het gemeentelijk beleid. De politie heeft geadviseerd tot een weigering van de aanvraag. In de zienswijzeprocedure hebben omwonenden aangegeven last te ondervinden van de onderhavige recreatie-inrichting. Deze recreatie-inrichting is in het verleden nooit legaal als categorie 2-inrichting in de zin van de APV geëxploiteerd.

[...] Gezien het voorgaande heeft verweerder de weigering van de vergunning voor de exploitatie van een categorie 2-inrichting terecht gehandhaafd. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/3926 VEROR

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Burgemeester en wethouders van Den Haag; Bestuursdienst; Juridische Zaken, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 23 juli 2003, ingekomen bij verweerder op 30 september 2003, heeft eiser een aanvraag ingediend voor een vergunning ingevolge artikel 57 van de Algemene Politieverordening 's-Gravenhage 1982 (APV) voor de exploitatie van een recreatie-inrichting van categorie 2 als bedoeld in artikel 56, achtste lid, onder b, van de APV in het perceel Buitenom 1 te Den Haag, met openingstijden op maandag tot en met vrijdag tot 01.00 uur en op zaterdag en zondag tot 01.30 uur.

Bij besluit van 19 mei 2004, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd, voor zover het betreft de exploitatie in de uren na 19.00 uur op zaterdag tot en met donderdag en na 22.00 uur op vrijdag.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 28 mei 2004 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 3 september 2004 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 17 augustus 2004, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 september 2004, ingekomen bij de rechtbank op 8 september 2004, en aangevuld bij brief van 1 oktober 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 1 november 2004 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 25 mei 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. B. Magnin en mevrouw mr. Y. Ammerdorffer.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Horeca Den Haag van 30 juni 2000 (hierna: de Structuurvisie), Den Haag is onderverdeeld in "uitgaansgebieden" en "overig gebied". In het "overig gebied" worden met het oog op het woon- en leefklimaat geen uitbreidingen van openingstijden van recreatie-inrichtingen toegestaan. Gelet op de ligging van de desbetreffende recreatie-inrichting in een woon-winkelstraat in het "overig gebied" kan de uitbreiding van de openingstijden als een verzwaring van de bestaande exploitatie worden aangemerkt, hetgeen niet is te verenigen met het gemeentelijk beleid. De politie heeft geadviseerd tot een weigering van de aanvraag. In de zienswijzeprocedure hebben omwonenden aangegeven last te ondervinden van de onderhavige recreatie-inrichting. Deze recreatie-inrichting is in het verleden nooit legaal als categorie 2-inrichting in de zin van de APV geëxploiteerd.

Namens eiser is - kort weergegeven - in beroep het navolgende aangevoerd:

- de recreatie-inrichting ligt in, dan wel op de grens, dan wel vlakbij het uitgaansgebied;

- in de derde alinea van de Structuurvisie is aangegeven dat de bewoner van een stadscentrum zal moeten accepteren dat zijn woonwijk levendiger is dan die in een meer buitenwijkse setting. Het bezwaar van omwonenden kan om die reden niet worden aanvaard;

- het advies van de politie is inhoudsloos;

- verweerder maakt geen gebruik van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid die in dit geval gepast zou zijn;

- verweerder heeft elke afweging van belangen achterwege gelaten;

- ten onrechte is verweerder niet ingegaan op de exploitatie van de recratie-inrichting in het verleden;

- er zijn gevallen bekend waarin buiten het uitgaansgebied wel categorie 2-vergunningen zijn verleend.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiser een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 februari 2005 (nummer 200401243/1) overgelegd. De Afdeling heeft daarin het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 3 februari 2004, DRM/ARB/03/10202A, inhoudende de goedkeuring van het bestemmingsplan "Het Oude Centrum", gedeeltelijk vernietigd, ondermeer voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de aanduiding "H2" wat betreft het Buitenom 1, zijnde het perceel waarvoor de onderhavige vergunning is geweigerd . De Afdeling overweegt ter zake dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de horeca-inrichting niet een hogere categorie kan worden toegekend en in hoeverre uitbreiding van de openingstijden leidt tot overlast voor de omgeving. Eiser heeft ter zake aangevoerd dat ook in de onderhavige zaak een deugdelijke motivering ter zake ontbreekt.

Wettelijk kader

Artikel 56, achtste lid, van de APV onderscheidt de navolgende categorieën recreatie-inrichtingen:

a. Categorie 1 recreatie-inrichtingen, die alleen zijn gericht op exploitatie gedurende de dag;

b. Categorie 2 alle overige recreatie-inrichtingen.

In artikel 57, eerste lid, van de APV is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester of in strijd met de aan deze vergunning verbonden voorschriften een recreatie-inrichting op te richten, uit te breiden, te wijzigen of te drijven.

In artikel 61B, eerste lid, van de APV is bepaald dat de burgemeester de vergunning weigert indien naar zijn oordeel de aanwezigheid van de recreatie-inrichting dan wel het drijven daarvan, het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving te nadelig beïnvloedt dan wel zal beïnvloeden.

In artikel 61B, tweede lid van de APV is bepaald dat de burgemeester bij de toepassing van de in het eerste lid genoemde weigeringsgrond rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin de recreatie-inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de recreatie-inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de recreatie-inrichting.

Oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 61B, eerste lid, van de APV dient verweerder de gevraagde vergunning voor de exploitatie van een recreatie-inrichting categorie 2 te weigeren, indien de aanwezigheid dan wel het drijven ervan, het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving te nadelig beïnvloedt dan wel zal beïnvloeden. Bij de vaststelling of daarvan sprake is komt verweerder in ruime mate beoordelingsvrijheid toe. De rechterlijke toetsing van deze beoordeling dient derhalve een terughoudende te zijn. De rechtbank dient daarbij slechts de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid tot een dergelijke vaststelling heeft kunnen komen en daarbij niet heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregels.

Bij de toepassing van artikel 61B, eerste lid, van de APV baseert verweerder zich blijkens de stukken op de Structuurvisie. De Structuurvisie is een raadsbesluit waarin het beleid ten aanzien van horeca-inrichtingen is vastgesteld. Volgens dit beleid bestaat Den Haag uit "uitgaansgebieden" en "overig gebied", waarbij binnen de uitgaansgebieden nog "uitgaanskernen" met (nacht)horeca zijn vastgesteld. Hier is uitbreiding eventueel toegestaan. In het "overig gebied" worden met het oog op het woon- en leefklimaat geen uitbreidingen van horeca en openingstijden toegestaan. Vanuit een oogpunt van bescherming van het woon- en leefklimaat acht de rechtbank een dergelijk onderscheid niet onredelijk.

De rechtbank is van oordeel dat het in de Structuurvisie neergelegde horecabeleid met betrekking tot het beschermen van het woon- en leefklimaat aansluit bij de ter zake door de APV te beschermen belangen. Bij de beoordeling van de vraag of de uitbreiding van openingstijden van een recreatie-inrichting kan worden toegestaan mag verweerder derhalve het door de gemeenteraad vastgestelde beleid hanteren. Verweerder gaat in dat verband kennelijk uit van een nadelige beïnvloeding wanneer een aanvrager uitbreiding van openingstijden beoogt in een niet daartoe aangewezen gebied. Het op deze wijze uitvoering geven aan de APV, namelijk door aan te knopen bij het in de Structuurvisie neergelegde beleid, beoordeelt de rechtbank niet als onredelijk.

Anders dan namens eiser is aangevoerd, is het perceel waarin hij zijn recreatie-inrichting exploiteert gelegen in het "overig gebied" waar geen uitbreiding van openingstijden wordt toegestaan. Dat de begrenzing tussen "uitgaansgebied" en "overig gebied" enigszins arbitrair kan zijn, doet aan de redelijkheid van het door verweerder met het oog op het woon- en leefklimaat gekozen uitgangspunt om in het "overig gebied" geen uitbreiding van openingstijden toe te staan niets af. Van de door eiser beoogde uitbreiding van de openingstijden mag derhalve, onder verwijzing naar het beleid, in redelijkheid een te nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat worden aangenomen. Daar komt bij dat omwonenden in de zienswijzeprocedure hebben aangegeven last te ondervinden van de onderhavige recreatie-inrichting.

De rechtbank acht het bestreden besluit niet in strijd met het motiveringsbeginsel, nu dit besluit de gronden bevat waarop het is genomen en - zoals uit vorenstaande overwegingen blijkt - die gronden het besluit kunnen dragen. In de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling ziet de rechtbank onvoldoende grond voor een ander oordeel. Deze uitspraak ziet op de onvoldoende motivering van een ander besluit dat wordt beheerst door andere wettelijke voorschriften op grond waarvan een andere inhoudelijke beoordeling dient te worden verricht. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Voor zover eiser in dat verband heeft gewezen op de omstandigheid dat buiten het uitgaansgebied categorie 2-vergunningen zijn verleend aan recreatie-inrichtingen ten behoeve van de zogenoemde Avenue Culinaire overweegt de rechtbank dat ter zake in de Structuurvisie een afzonderlijke paragraaf is opgenomen, die daarin voorziet. Overigens is de rechtbank niet gebleken van gelijke of voldoende vergelijkbare gevallen.

Aangaande eisers standpunt dat gebruik van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid door verweerder in dit geval gepast is, oordeelt de rechtbank dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan verweerder in dit geval ten gunste van eiser een uitzondering op genoemd beleid had moeten maken.

Daargelaten of dat tot een andere beslissing had moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken dat de onderhavige recreatie-inrichting in het verleden op legale wijze als categorie 2-inrichting in de zin van de APV is geëxploiteerd.

Gezien het voorgaande heeft verweerder de weigering van de vergunning voor de exploitatie van een categorie 2-inrichting terecht gehandhaafd.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. K.M. Braun, C.C. de Rijke-Maas en S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.