Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9428

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/2450 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:1 juncto 1:2 en 8:1 Awb.

Nu rechtens nog maar één beslissing mogelijk is zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien en doen wat verweerder had behoren te doen door eiser alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/2450 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, zetelend te Rhoon, eiser,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser bij brief van 10 juli 2003 een ontwerpbesluit tot het opnieuw vaststellen van het landelijk deel van de gemeente Albrandswaard in de zin van de Verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland (hierna: de Verordening) toegezonden. Daarbij is eiser verzocht zijn standpunt omtrent dat ontwerpbesluit binnen vier maanden na verzending van die brief kenbaar te maken.

Eiser heeft hierop niet gereageerd.

Bij besluit van 14 januari 2004, verzonden op 28 januari 2004, heeft verweerder het landelijk deel van de gemeente Albrandswaard (conform het ontwerpbesluit) vastgesteld zoals is aangegeven op de bij dat besluit behorende en als zodanig aangemerkte kaart. Dit besluit is geplaatst in het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 23 januari 2004 (3/2004).

Eiser heeft bij brief van 19 februari 2004 een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de derde kamer uit de Bezwarencommissie-Awb (hierna: de bezwarencommissie) op 15 april 2004 een hoorzitting gehouden. Eiser heeft zich daar niet laten vertegenwoordigen.

Op 7 mei 2004 heeft de bezwarencommissie verweerder geadviseerd het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 18 mei 2004, verzonden op 19 mei 2004, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie, het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is geplaatst in het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 25 mei 2004 (37/2004).

Eiser heeft bij brief van 1 juni 2004, ingekomen bij de rechtbank op 4 juni 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 4 mei 2005 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Penning en [gemachtigde], beiden werkzaam bij de gemeente Albrandswaard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. van Eijk en [gemachtigde], beiden werkzaam bij de provincie Zuid-Holland.

Motivering

De Verordening heeft tot doel het beschermen van diverse waarden van landschap, natuur, cultuurhistorie en bodem in de landelijke gebieden van Zuid-Holland. In de als landelijk deel van de gemeente aangemerkte gebieden is het krachtens de Verordening, kort gezegd, verboden om (zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten) opschriften en reclameborden te plaatsen, roerende zaken op te slaan, wateren te dempen en grasland om te zetten in voor bollenteelt geschikte grond.

Op grond van artikel 9 van de Verordening kunnen Gedeputeerde Staten voor alle gemeenten of voor bepaalde gemeenten vaststellen welk deel van het gemeentelijk gebied voor de toepassing van die verordening als landelijk deel moet worden aangemerkt.

In dit geval heeft verweerder, zoals vermeld, bij het primaire besluit het landelijk deel van de gemeente Albrandswaard opnieuw vastgesteld. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder eiser terecht als belanghebbende bij dat besluit heeft aangemerkt en overweegt daaromtrent als volgt.

Krachtens artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede artikellid worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Met het stellen van het vereiste van belanghebbende is een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken. Bestuursorganen dienen van geval tot geval na te gaan wie als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat de rechtspersoon de gemeente Albrandswaard (delen van) de litigieuze percelen in eigendom heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gemeente om die reden in principe als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb worden aangemerkt. Echter, geconstateerd moet worden dat niet de gemeente, maar verweerder bezwaar heeft aangetekend.

Eiser, die het dagelijks bestuur vormt van de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Albrandswaard, heeft slechts een van die rechtspersoon afgeleid belang, zodat hij niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 juli 2001 (AB 2001/232).

Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij het bezwaar, met toepassing van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet, namens de gemeente heeft willen instellen, moet worden vastgesteld dat niet uiterlijk binnen de bezwaartermijn bekend is gemaakt dat zulks is beoogd. Na het verstrijken van de bezwaartermijn kan in beginsel geen wijziging meer plaatsvinden van de identiteit van de indiener van een bezwaarschrift. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval tot afwijking van dit uitgangspunt nopen, is niet gebleken. Ter vergelijking verwijst de rechtbank hier naar de uitspraak van de ABRvS van 4 februari 2004 (JB 2004/126).

Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of bij het primaire besluit belangen zijn betrokken die aan eiser zijn toevertrouwd, zoals bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, Awb. Blijkens de wetgeschiedenis moet de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan als zodanig toevertrouwd belang, worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan in kwestie zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 34).

Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat hij taken heeft in het kader van de ruimtelijke ordening. Daarbij is niet aangegeven op welke taken precies wordt gedoeld.

De rechtbank onderkent dat eiser belangen zijn toevertrouwd in het kader van de ruimtelijke ordening. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De rechtbank ziet, het doel en de bepalingen van de Verordening indachtig, echter niet in op welke wijze die belangen door de aanwijzing van gebieden als landelijk deel van de gemeente Albrandswaard worden geraakt. Eiser heeft hieromtrent niets concreets aangevoerd.

Verder wordt vastgesteld dat de Verordening niet voorziet in een rol voor eiser bij de uitvoering van de daarin neergelegde voorschriften. De rechtbank is evenmin gestuit op andere aan eiser toevertrouwde belangen die door de zojuist genoemde aanwijzing zouden kunnen worden aangetast. Dit betekent dat het tweede lid van artikel 1:2 Awb eiser evenmin soulaas biedt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot het opnieuw vaststellen van het landelijk deel van de gemeente Albrandswaard. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:1 juncto 1:2 en 8:1 Awb.

Nu rechtens nog maar één beslissing mogelijk is zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien en doen wat verweerder had behoren te doen door eiser alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar.

De rechtbank wijst verweerder er wellicht ten overvloede op dat hierdoor de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit komen te vervallen. Het is aan verweerder te bezien of deze uitspraak aanleiding geeft tot nadere besluitvorming.

Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen termen.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 18 mei 2004, kenmerk DGWM/DMB/04/5589;

verklaart het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de Provincie Zuid-Holland als rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 273,-- vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr.drs. J.J.I. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2005, in tegenwoordigheid van de griffier J.E. van Caspel.