Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/3858 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Gelet op het een en ander doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet de situatie voor dat eiseres wist of redelijkerwijs moest weten dat [werknemer] door het overleggen van een nadien vals gebleken paspoort onjuiste gegevens terzake van zijn identiteit verstrekte. Evenmin is de rechtbank gebleken van enige andere in artikel 26b van de Wet LB genoemde reden tot toepassing van het anoniementarief. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Registratienummer: AWB 04/3858 CSV

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

eiseres, gemachtigde mr. J. Roose,

en

de Raad van het bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv), verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 26 mei 2004 heeft verweerder aan eiseres een premienota over de jaren 2002 tot en met 2004 opgelegd.

Eiseres heeft tegen dit besluit, voor zover het betrekking heeft op het toepassen van het anoniementarief als bedoeld in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) ten aanzien van één werknemer van eiseres, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 juli 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij fax van 7 september 2004, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2005.

Namens eiseres is haar firmant [firmant] en mr. J. Roose verschenen. Verweerder is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

2. Overwegingen

Op 28 april 2004 heeft bij eiseres een controle in het kader van een landelijke actie identiteitsfraude plaatsgevonden. Bij deze controle is een nadien vals gebleken paspoort van de werknemer [werknemer] (hierna: [werknemer]) in de loonadministratie van eiseres aangetroffen. Voorts is geconstateerd dat [werknemer] op het sofi-nummer van iemand anders werkzaam is geweest.

Naar aanleiding van de controle heeft verweerder de door eiseres voor de jaren 2002 en 2003 verschuldigde premie nader vastgesteld. Daarbij heeft verweerder de loonbelasting die eiseres naar de opvatting van verweerder met toepassing van het zogeheten anoniementarief als bedoeld in artikel 26b van de Wet LB verschuldigd is, gerekend tot het loon waarnaar de premie wordt berekend.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van het Nederlandse paspoort van [werknemer]. Op het paspoort staat de geboortedatum niet volledig vermeld, te weten "---/--- 1967".

In geschil is of eiseres premie is verschuldigd over een bedrag, gelijk aan de met toepassing van het anoniementarief berekende loonbelasting.

Eiseres heeft aangevoerd dat het paspoort niet van echt te onderscheiden was en dat het opgegeven sofi-nummer door verweerder was geaccepteerd. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het haar uit ervaring bekend was dat op de identiteitsbewijzen van onder andere Marokkaanse en Turkse werknemers vaak geen geboortedatum staat vermeld. De omstandigheid dat op het paspoort van [werknemer] geen volledige geboortedatum stond vermeld, was voor haar geen reden om te twijfelen aan de echtheid van het document.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres de gebreken van het paspoort van [werknemer] eenvoudig had kunnen constateren. Het paspoort was niet voorzien van een volledige geboortedatum en de handtekening op het paspoort kwam niet overeen met de handtekening op de arbeidsovereenkomst en de loonbelastingverklaring. Het ontbreken van de volledige geboortedatum had voor eiseres aanleiding moeten zijn om een nader onderzoek in te stellen naar de echtheid van het document.

Blijkens artikel 41, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 1995 omvat de - op het paspoort te vermelden - geboortedatum de dag, de maand en het jaar. Van vermelding van de volledige geboortedatum kan worden afgezien, voor zover deze niet bekend is. Gelet op deze bepaling alsmede de verklaring van eiseres ter zitting omtrent haar bekendheid met de mogelijkheid van het ontbreken van een volledige geboortedatum op een identiteitsbewijs, is de rechtbank van oordeel dat eiseres in het ontbreken van een volledige geboortedatum geen aanleiding behoefde te zien te twijfelen aan de echtheid van het paspoort van [werknemer].

Hetgeen verweerder stelt over de handtekening op het paspoort van [werknemer], met name dat deze handtekening afwijkt van diens handtekening in andere, in de administratie van eiseres aanwezig zijnde stukken, is onvoldoende voor het oordeel dat deze afwijking eiseres in het oog had moeten springen en dientengevolge bij eiseres redelijkerwijs twijfel over de echtheid van het paspoort had moeten oproepen. Datzelfde geldt voor het sofi-nummer, waarvan onweersproken is gesteld dat dit een, gelet op de cijfercombinatie, toegestaan en door verweerder geaccepteerd nummer is.

Gelet op het een en ander doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet de situatie voor dat eiseres wist of redelijkerwijs moest weten dat [werknemer] door het overleggen van een nadien vals gebleken paspoort onjuiste gegevens terzake van zijn identiteit verstrekte. Evenmin is de rechtbank gebleken van enige andere in artikel 26b van de Wet LB genoemde reden tot toepassing van het anoniementarief.

Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Eiseres heeft in haar beroepschrift verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat de schade uitsluitend bestaat uit de wettelijke rente over de ten onrechte betaalde premies. Aangezien hierboven is geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en eiseres schade heeft geleden ten gevolge van het vernietigde besluit, wordt haar verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb toegewezen. De rechtspersoon waartoe verweerder behoort zal, overeenkomstig het verzoek, worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte betaalde premies. Wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat het bestuursorgaan in verzuim is geweest. Wat betreft de periode waarover de wettelijke rente dient te worden vergoed, neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres, naar zij ter zitting heeft opgemerkt, de aan haar in rekening gebrachte premie heeft betaald, vervolgens op haar rekening heeft laten terugstorten en tenslotte ten tweede male heeft betaald. Gelet hierop dient verweerder de wettelijke rente te berekenen over twee perioden, te weten de periode vanaf de dag van de eerste betaling tot de dag van de terugstorting en de periode vanaf de dag van de tweede betaling tot de dag de waarop verweerder ter uitvoering van deze uitspaak de door eiseres betaalde premie aan haar zal restitueren. De rechtspersoon waartoe verweerder behoort is wettelijke rente verschuldigd tot de dag van algehele voldoening. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding krachtens artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van het Uwv als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- veroordeelt het Uwv tot betaling van de wettelijke rente over de premiebetalingen die eiseres heeft betaald, tot aan de dag van algehele voldoening;

- gelast dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 273 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.M. Vink en mr. D.A. Verburg, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2005, in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.