Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/4311 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie in dezen de bewijslast rust, zijn stelling dat sprake is van opzet of grove schuld, tegenover de betwisting daarvan door eiseres, niet aannemelijk gemaakt. De door eiseres op dit punt aangedragen argumenten, in het bijzonder dat zij - in ieder geval tot 15 juli 2003, op welke dag de looncontrole plaatsvond - te goeder trouw meende dat haar loonadministratie en de wijze waarop zij haar loonopgaveverplichting nakwam in overeenstemming waren met de terzake geldende voorschriften, wettigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat eiseres in de nakoming van haar loonopgaveverplichting geenszins dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat haar terzake ten minste grove schuld kan worden verweten. Met hetgeen verweerder daartegenover heeft gesteld, heeft hij dit vermoeden niet ontzenuwd. De door verweerder vermelde omstandigheid dat eiseres bij twijfel over de verzekeringsplicht contact had moeten opnemen met verweerder leidt niet tot een ander oordeel omdat, naar uit het vorenstaande volgt, eiseres deze twijfel tot 15 juli 2003 niet koesterde en evenmin behoefde te koesteren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, naar eiseres onweersproken heeft gesteld, de werkzaamheden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de plaats die zij in het bedrijf van eiseres innemen, zodanig verschillen van de werkzaamheden en de plaats van [werkneemster], die -naar niet in geschil is - werknemer van eiseres is, dat verweerders stelling dat de gelijksoortigheid van het werk van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat van deze werknemer, bij eiseres tot twijfel over de juistheid van haar handelwijze had moeten leiden, niet opgaat. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Registratienummer: AWB 04/4311 CSV

Uitspraakdatum: 15 juni 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. R. Hofland.

Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 17 mei 2004, onderscheidenlijk 18 mei 2004, heeft verweerder aan eiseres premienota's sociale verzekeringen en boetenota's voor de jaren 2000, 2001 en 2002 opgelegd tot de hieronder vermelde bedragen.

2000 2001 2002

premie € 1.573,26 € 1.240,64 € 1.298,00

boete € 392,52 € 309,48 € 323,00

Bij brieven van 1 juni 2004 heeft eiseres tegen de nota's bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren bij besluit van 2 september 2004 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 6 oktober 2004, ingekomen bij de rechtbank op 7 oktober 2004, beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2005 te 's-Gravenhage. Eiseres is daar in persoon verschenen; verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is advocaat. Zij oefent haar beroep uit in de vorm van een eenmanszaak.

Eiseres maakt in haar beroepsuitoefening gebruik van de diensten van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn geen juristen; wel hebben zij een ruime ervaring in de ondersteuning van advocaten.

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] voeren een BTW-administratie, staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, hebben naast eiseres andere opdrachtgevers, bepalen zelf wanneer zij voor eiseres beschikbaar zijn en zorgen bij ziekte en ontstentenis doorgaans zelf voor vervanging. Voorts heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden op 30 juli 2003, onderscheidenlijk 9 oktober 2003, aan [betrokkene 1], onderscheidenlijk [betrokkene 2], een zogeheten Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) verstrekt. In deze beschikkingen verklaart de inspecteur dat de voordelen, die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] genieten uit hun als "secretariële en administratieve ondersteuning", onderscheidenlijk "zakelijke dienstverlening", omschreven werkzaamheden, worden aangemerkt als winst uit onderneming. De beschikkingen gelden voor de jaren 2003 en 2004.

Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de in jaren 2000, 2001 en 2002 tussen enerzijds [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en anderzijds eiseres bestaande arbeidsrelatie is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a van de Coördinatiewet Sociale verzekering (CSV), gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet.

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is nog in geschil of:

- de door eiseres aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalde omzetbelasting behoort tot de berekeningsgrondslag van de verschuldigde premie;

- verweerder bij de berekening van de verschuldigde premie ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2000, 2001 en 2002 respectievelijk 8 uur en 3 uur per dag werkten;

- de boeten, voor zover zij zijn berekend over de ter zake van de betalingen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verschuldigde premiebedragen, terecht zijn opgelegd.

Al deze vragen worden door eiseres ontkennend en door verweerder bevestigend beantwoord. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe in de van hen afkomstige stukken van het geding en mondeling ter zitting zijn aangevoerd.

De overige door verweerder voor de jaren 2000, 2001 en 2002 aangebrachte premiecorrecties en het gedeelte van de boeten dat op deze overige premiecorrecties is terug te voeren, zijn in beroep niet langer in geschil.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vraag of [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot eiseres stonden

Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is sprake indien de arbeidsverhouding is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek).

In de woorden "in dienst van" ligt besloten dat tussen werkgever en werknemer een gezagsverhouding dient te bestaan. Voor het bestaan van een gezagsverhouding is niet vereist dat daadwerkelijk aanwijzingen en instructies over de inhoud van het werk worden gegeven; voldoende is dat dergelijke aanwijzingen en instructies kúnnen worden gegeven.

Verweerder, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft gesteld dat de grote mate van zelfstandigheid waarmee [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun werkzaamheden uitvoeren, niet verhindert dat eiseres ter zake van de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] uitgevoerde werkzaamheden de bevoegdheid heeft om aanwijzingen en instructies te geven. De ruimte die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben om zelf te bepalen welke werkzaamheden zij voor eiseres verrichten en wanneer zij dat doen, staat volgens verweerder evenmin aan deze bevoegdheid in de weg. De rechtbank acht deze stellingen van verweerder aannemelijk. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het, gelet op hetgeen vaststaat over de wijze waarop eiseres, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan hun arbeidsverhoudingen feitelijk vorm hebben gegeven, alsmede op de omstandigheid dat de werkzaamheden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een wezenlijk onderdeel vormen van de beroepsuitoefening van eiseres, niet goed denkbaar is dat eiseres geen aanwijzingen en instructies aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zou kunnen geven. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ter weerspreking van het bestaan van een gezagsverhouding brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij kent de rechtbank geen betekenis toe aan de door eiseres in het geding gebrachte VAR-beschikkingen, reeds omdat deze niet zien op de jaren waarvoor de litigieuze premie- en boetenota's zijn opgelegd. Evenmin kan de rechtbank eiseres volgen waar zij een beroep doet op de per 1 januari 2005 in werking getreden wettelijke regeling inzake de VAR-beschikkingen. Deze wettelijke regeling gold in de jaren 2000, 2001 en 2002 immers nog niet.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2], hoewel zij bij ziekte of ontstentenis zelf voor vervanging plegen te zorgen, daartoe niet verplicht zijn. Het ontbreken van de verplichting om voor de eigen vervanging te zorgen is begrijpelijk indien wordt aangenomen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] werknemers van eiseres zijn. Aan een dienstbetrekking is immers eigen dat de werknemer zelf de overeengekomen arbeid verricht. Worden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] daarentegen als zelfstandige dienstverleners beschouwd, dan ligt het voor de hand dat het bij ziekte of ontstentenis aan hen is te zorgen voor vervanging om een doorgaande dienstverlening te waarborgen. Derhalve kan het door eiseres gestelde ontbreken van een verplichting om bij ziekte of ontstentenis zelf voor vervanging te zorgen niet bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2000, 2001 en 2002 niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot eiseres stonden.

Voor zover eiseres heeft beoogd te stellen dat verweerder, door jarenlang geen opmerkingen te maken over de door eiseres met betrekking tot de betalingen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gevolgde gedragslijn, bij haar het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat deze gedragslijn in overeenstemming was met de wettelijke bepalingen inzake de verzekeringsplicht, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder jegens haar een uitlating heeft gedaan waaraan zij het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat verweerder, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van eiseres zelf betreffende het geval, aan de voorschriften inzake de premieplicht in haar geval een bepaalde toepassing zal geven. Het enkele feit dat verweerder jarenlang geen opmerkingen heeft gemaakt over de door eiseres met betrekking tot de betalingen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gevolgde gedragslijn, kan niet met een zodanige uitlating van verweerder worden gelijk gesteld. Dit zou anders kunnen zijn indien zich daarenboven voldoende zwaarwegende omstandigheden hebben voorgedaan die bij eiseres de indruk hebben kunnen wekken dat het jarenlang uitblijven van opmerkingen van verweerder over de onderhavige aangelegenheid berustte op een bewuste standpuntbepaling. Daarvan is echter niet gebleken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat tussen enerzijds eiseres en anderzijds [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de jaren 2000, 2001 en 2002 een gezagsverhouding bestond. Nu verweerder heeft gesteld en eiseres niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat de arbeidsverhoudingen tussen eiseres, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook voor het overige voldeden aan de eisen welke aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking worden gesteld, is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan verweerder.

Met betrekking tot berekening van de verschuldigde premie

Eiseres neemt het standpunt in dat zij over de omzetbelasting die zij aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft betaald, geen premie is verschuldigd. Ter onderbouwing van dit standpunt voert zij aan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de aan hen betaalde omzetbelasting hebben doorbetaald aan de Belastingdienst en dat eiseres de door haar betaalde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op de door haar over haar omzet verschuldigde omzetbelasting. Verweerder, op wie bij betwisting door eiseres de last rust te bewijzen dat hij in de premienota's het loon niet tot een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen, heeft deze onderbouwing niet bestreden. Nu uit de stukken van het geding niet duidelijk wordt of en zo ja, tot welke bedragen, verweerder de door eiseres aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalde omzetbelasting als loon in aanmerking heeft genomen en verweerder daarover ter zitting geen helderheid heeft kunnen verschaffen, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Gelet op het een en ander is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de verschuldigdheid van premie over de door eiseres aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalde omzetbelasting betreft, in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2000, 2001 en 2002 respectievelijk 8 uur en 3 uur per dag werkten. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar het rapport van de op 15 juli 2003 bij eiseres uitgevoerde looncontrole. Eiseres ontkent dat zij, zoals in het controlerapport is vermeld, de genoemde aantallen uren met de looninspecteur is overeengekomen. Zij betwist deze aantallen bij gebrek aan wetenschap; noch in haar administratie, noch anderszins heeft eiseres vastgelegd hoeveel uren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] per dag voor haar plachten te werken. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de CSV, onder deze omstandigheden bij de berekening van de verschuldigde premie uitgaan van een redelijke schatting van de aantallen door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] per dag gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat de schatting van verweerder onredelijk is.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij de berekening van de verschuldigde premie ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2000, 2001 en 2002 respectievelijk 8 uur en 3 uur per dag werkten.

Met betrekking tot de boeten

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres op de hoogte had kunnen zijn van de wijze waarop zij de verzekeringsplicht van werknemers moet bepalen. Bij twijfel omtrent het al dan niet als verzekeringsplichtig aanmerken van het personeel had eiseres contact met verweerder moeten opnemen. Mitsdien valt eiseres opzet of grove schuld te verwijten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie in dezen de bewijslast rust, zijn stelling dat sprake is van opzet of grove schuld, tegenover de betwisting daarvan door eiseres, niet aannemelijk gemaakt. De door eiseres op dit punt aangedragen argumenten, in het bijzonder dat zij - in ieder geval tot 15 juli 2003, op welke dag de looncontrole plaatsvond - te goeder trouw meende dat haar loonadministratie en de wijze waarop zij haar loonopgaveverplichting nakwam in overeenstemming waren met de terzake geldende voorschriften, wettigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat eiseres in de nakoming van haar loonopgaveverplichting geenszins dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat haar terzake ten minste grove schuld kan worden verweten. Met hetgeen verweerder daartegenover heeft gesteld, heeft hij dit vermoeden niet ontzenuwd. De door verweerder vermelde omstandigheid dat eiseres bij twijfel over de verzekeringsplicht contact had moeten opnemen met verweerder leidt niet tot een ander oordeel omdat, naar uit het vorenstaande volgt, eiseres deze twijfel tot 15 juli 2003 niet koesterde en evenmin behoefde te koesteren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, naar eiseres onweersproken heeft gesteld, de werkzaamheden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de plaats die zij in het bedrijf van eiseres innemen, zodanig verschillen van de werkzaamheden en de plaats van [werkneemster], die -naar niet in geschil is - werknemer van eiseres is, dat verweerders stelling dat de gelijksoortigheid van het werk van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat van deze werknemer, bij eiseres tot twijfel over de juistheid van haar handelwijze had moeten leiden, niet opgaat.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. In dit besluit dient verweerder een deugdelijk gemotiveerde beslissing te nemen inzake de verschuldigdheid van premie over de door eiseres in 2000, 2001 en 2002 aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalde omzetbelasting. Voorts dient verweerder de grondslag waarnaar de boeten in de boetenota's zijn berekend, te verminderen met het gedeelte van de premies dat betrekking heeft op de betalingen van eiseres aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

Proceskosten

Nu niet is gebleken dat eiseres daarvoor in aanmerking komende kosten heeft gemaakt, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.M. Vink en mr. D.A. Verburg. De beslissing is op 15 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.