Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9192

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
09/753508 - 04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte heeft deelgenomen aan - kort gezegd - een criminele organisatie, die zich onder meer bezighield met het telen, bereiden en bewerken van hennep(planten). Het is een feit van algemene bekendheid dat het op de markt brengen van partijen drugs schadelijk is voor de volksgezondheid en dat daarmee de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. De verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753508 - 04

's-Gravenhage, 12 juli 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[W.F.A. V. sr.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden", Unit 2 te

's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 juni 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.W. Lagraauw, advocaat te Leiden, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.R.B. Mos heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft medegedeeld dat zij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Met betrekking tot het onder 1 telastgelegde feit (deelname aan een criminele organisatie) bestrijdt de raadsman -zakelijk weergegeven- dat verdachte deel zou hebben uitgemaakt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad.

Naar vaste rechtspraak is van een criminele organisatie onder meer sprake, als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en de organisatie zich kenmerkt door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Een organisatie behoeft daarbij niet uit steeds dezelfde personen te bestaan; zij kan tot op zekere hoogte in samenstelling wisselen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een dergelijk duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en zijn medeverdachten tot oogmerk hadden alles te doen wat nodig is om hennep en hennepplanten te telen en de eindproducten te verkopen. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het navolgende.

Verdachte en zijn medeverdachten hadden binnen de organisatie ieder een eigen taak. Zo hielden sommigen zich bezig met het uitzoeken van locaties voor hennepkwekerijen en richtten anderen de kwekerijen in, daarbij geadviseerd door deskundigen. Vervolgens namen weer anderen de dagelijkse verzorging van de hennepplanten op zich en hielpen velen met de oogst en het knippen van de henneptoppen. Tevens waren er personen die zorgdroegen voor de handel in en het vervoer van het eindproduct: wiet. Om deze keten van werkzaamheden efficiënt op elkaar te doen aansluiten, was een goed georganiseerde taakverdeling onontbeerlijk. Hiertoe hadden verdachte en zijn medeverdachten veelvuldig telefonisch contact waarbij zij zich, ter voorkoming van ontmaskering, vaak bedienden van versluierd taalgebruik.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als deelnemer aan een criminele organisatie. Ondanks dat verdachte niet wettelijk kan worden bewezen dat verdachte bij een groot aantal van de hem specifiek telastgelegde strafbare feiten betrokken is geweest, vervulde verdachte wel een vooraanstaande rol binnen de criminele organisatie. Dit volgt uit de diverse contacten die verdachte onderhield met zijn medeverdachten, de diverse belastende getuigenverklaringen die over verdachte zijn afgelegd. Voor haar oordeel dat verdachte een prominente positie bekleedde vindt de rechtbank bovendien steun in de omstandigheid dat enkele getuigen uit angst voor represailles niet bereid waren om een verklaring over de rol van verdachte af te leggen.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 3 en 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1, 2 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft deelgenomen aan - kort gezegd - een criminele organisatie, die zich onder meer bezighield met het telen, bereiden en bewerken van hennep(planten). Het is een feit van algemene bekendheid dat het op de markt brengen van partijen drugs schadelijk is voor de volksgezondheid en dat daarmee de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. De verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld.

Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat uit de bezigheden van een organisatie als de onderhavige aanzienlijke geldbedragen worden verworven en dat dit soort gelden veelal door middel van investeringen in de legale handel worden "witgewassen".

Dit "witwassen" van crimineel vermogen vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Bij de bepaling van de op te leggen straf, heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete op zijn plaats is, naast een eventueel in een ontnemingsprocedure vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel en het bedrag dat uit dien hoofde aan de staat zou moeten worden afgedragen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57, 140 en 420BIS van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Ten aanzien van feit 2:

Witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een geldboete van € 45.000,--;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de duur van 240 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op :15 maart 2005,

in voorlopige hechtenis gesteld op :18 maart 2005,

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage op 28 juni 2005 door

mrs C.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

M.M. van der Nat en Y. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Koper, griffier.

Mr Y. de Boer is buiten staat dit vonnis te tekenen.