Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
AWB 02/33602
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / taalanalyse / rapport Skandinavisk Sprakanalys AB.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de verklaringen van eiseres geen positieve overtuigingskracht uit gaat. Dit gelet op een rapport van Skandinavisk Sprakanalys AB, gemaakt in opdracht van verweerder ten behoeve van een onderzoek naar de herkomst van eiseres uitgevoerde taalanalyse. In dit rapport heeft de taalanalist geconcludeerd dat het Somalisch dat eiseres spreekt er niet op duidt dat dit haar moedertaal is. Het is de rechtbank niet gebleken dat de taalanalyse niet op voldoende zorgvuldige en deugdelijke wijze is verricht, noch dat de analist niet de vereiste deskundigheid zou bezitten, dan wel dat er reden is te twijfelen aan de draagkracht van het onderzoek voor de conclusie, ook omdat uit het rapport blijkt dat de desbetreffende taalanalist afkomstig is Noord-Somalië, waar ook eiseres vandaan zegt te komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij schrijven gemotiveerd is ingegaan op de in beroep door eiseres aangevoerde kritische kanttekeningen bij het rapport van de taalanalyse. Mede gelet op de uitspraak van de rechter in AWB 98/1280 ziet de rechtbank ook geen reden in het algemeen te twijfelen aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de taalanalyse zoals uitgevoerd door Skandinavisk Sprakanalys AB. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/33602 BEPTDN

Inzake : A, eiseres, V-nummer 200.745.5685, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. K.C. Victorian, advocaat te Arnhem,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. A. van Blankenstein, advocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [...] maart 1973 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Zij verblijft naar eigen zeggen sedert 1 september 2000 als vreemdeling in Nederland. Op 2 september 2000 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder heeft op 28 februari 2002 eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiseres heeft op 28 maart 2002 haar zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 4 april 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

2. Bij schrijven van 29 april 2002 heeft eiseres tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 januari 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Saeed, tolk Somalisch.

5. Bij uitspraak van 27 januari 2005 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropend diende te worden. Verweerder is in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de verrichte taalanalyse. Bij schrijven van 8 maart 2005 heeft verweerder de door de rechtbank gestelde vragen schriftelijk beantwoord, onder gelijktijdige verzending van dit antwoord aan de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

6. Bij schrijven van respectievelijk 22 en 24 juni 2005 hebben verweerder en de gemachtigde van eiseres de rechtbank bericht geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Het onderzoek wordt derhalve thans gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Eiseres behoort tot de Tuni-stam en is afkomstig uit de plaats B, gemeente C. Eiseres heeft haar land verlaten vanwege de oorlog in Somalië. Haar broers zijn gedood en later zijn ook haar ouders overleden. De oom van eiseres zorgde voor haar, maar er waren niet voldoende medische voorzieningen, terwijl eiseres gehandicapt is aan haar been. Eiseres is vanwege haar stamafkomst lastiggevallen en uitgescholden. Haar oom heeft daarop haar uitreis geregeld.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen.

Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht, nu niet geloofwaardig is dat eiseres afkomstig is uit Somalië.

4. In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de mensenrechtensituatie in Somalië en de specifieke stamafkomst van eiseres – de minderheidsgroep Tun(n)i – niet in het oordeel heeft meegenomen. Ten aanzien van de verrichte taalanalyse betoogt eiseres dat de taalanalist eiseres niet zelf heeft kunnen ondervragen, dat niet duidelijk is of de taalanalist kundig genoeg was en een deugdelijke opleiding heeft gevolgd, dat voorts onduidelijk is welke kwaliteitseisen aan de taalanalisten worden gesteld en of en hoe hieraan voldaan wordt. Ook had het feit dat Somalië een groot land is met vele dialecten en de omstandigheid dat eiseres onder verschillende invloeden heeft geleefd, bij het onderzoek moeten worden betrokken.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

6.1. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 27 januari 2003 (JV 2003/103), de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort en die beoordeling door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. De maatstaf bij deze toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen.

Blijkens het gestelde in de Vreemdelingencirculaire 2000 (C1/3.2.1, C1/3.2.2 en C1/3.3.4) pleegt verweerder het asielrelaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk beantwoord heeft en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met hetgeen over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de verklaringen van de asielzoeker voordoet. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan dan mogen, blijkens voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

6.2. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 in strijd is met het Vluchtelingenverdrag overweegt de rechtbank dat deze stelling geen steun vindt in het recht. Dat zou anders kunnen zijn indien de aanvraag van eiseres louter zou zijn afgewezen op het ontbreken van documenten, doch dat is niet de strekking van deze bepaling. Het tegenwerpen van het ontbreken van documenten leidt ertoe dat van het relaas van de asielzoeker, voor zover dat niet met bewijsmateriaal kan worden gestaafd en niet anderszins kan worden geverifieerd, positieve overtuigingskracht dient uit te gaan teneinde voor geloofwaardig te kunnen worden gehouden. Het tegenwerpen van het ontbreken van documenten staat derhalve niet dwingend aan toelating in de weg.

6.3. Niet is in geschil dat eiseres geen enkel document heeft overgelegd waarmee ze de door haar gestelde Somalische nationaliteit kan aantonen. Voorts is niet gebleken dat verweerder niet aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van haar reisroute, aangezien eiseres geen reisdocumenten heeft overgelegd, terwijl zij met het vliegtuig is gereisd, noch in staat is gebleken om met betrekking tot haar reis gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen af te leggen. Verweerder heeft derhalve kunnen concluderen dat aldus afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.

6.4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de verklaringen van eiseres geen positieve overtuigingskracht uit gaat. Dit gelet op de in het rapport van 12 december 2001 neergelegde resultaten van een in opdracht van verweerder ten behoeve van een onderzoek naar de herkomst van eiseres uitgevoerde taalanalyse. In dit rapport, van Skandinavisk Sprakanalys AB, heeft de taalanalist geconcludeerd dat eiseres eenduidig niet afkomstig is uit Somalië. Aan de hand van in het rapport vermelde concrete voorbeelden wordt aangegeven dat het Somalisch dat eiseres spreekt er niet op duidt dat dit haar moedertaal is. Het is de rechtbank niet gebleken dat de taalanalyse niet op voldoende zorgvuldige en deugdelijke wijze is verricht, noch dat de analist niet de vereiste deskundigheid zou bezitten, dan wel dat er reden is te twijfelen aan de draagkracht van het onderzoek voor de conclusie.

In het rapport van de taalanalyse worden concrete voorbeelden aangegeven dat het Somalisch dat eiseres spreekt er niet op duidt dat dit haar moedertaal is. Ook blijkt uit het rapport dat de desbetreffende taalanalist afkomstig is uit Somalië, en wel uit Noord-Somalië, waar ook eiseres vandaan zegt te komen. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover hierop niet al in de bestreden beschikking was ingegaan, verweerder bij schrijven van 8 maart 2005 gemotiveerd is ingegaan op de in beroep door eiseres aangevoerde kritische kanttekeningen bij het rapport van de taalanalyse.

Mede gelet op de uitspraak van de rechter in AWB 98/1280 ziet de rechtbank ook geen reden in het algemeen te twijfelen aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de taalanalyse zoals uitgevoerd door Skandinavisk Sprakanalys AB. Voorts constateert de rechtbank dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om een contra-expertise te doen verrichten, doch dat zij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank is – onder verwijzing naar de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 9 september 2003 (nr. 200304364) – van oordeel dat nu verweerder eiseres tegemoet is gekomen in de op haar rustende last haar relaas aannemelijk te maken door het doen verrichten van een taalanalyse en dit onderzoek de gerezen twijfel aan de gestelde identiteit en nationaliteit niet heeft weggenomen, terwijl een contra-expertise achterwege is gebleven, eiseres dit essentiële onderdeel van haar relaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanleiding geeft om zijn oordeel omtrent de uitkomst van de taalanalyse te herzien.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet geloofwaardig is dat eiseres afkomstig is uit Somalië en dat derhalve evenmin geloof kan worden gehecht aan haar asielrelaas.

Gelet op het vorenoverwogene komt eiseres derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

7. Gelet op de vorige rechtsoverweging heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat eiseres bij gedwongen terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Bij uitzetting dreigt dan ook geen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

8. Evenmin is gebleken dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook aan de overige gronden van artikel 29 Vw 2000 niet is voldaan.

9. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag terecht afgewezen.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank ‘s-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005, in tegenwoordigheid van mr. S.M.C. Wesseldijk, griffier.

De griffier is buiten staat

te tekenen.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

afschrift verzonden op: