Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8643

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/46572
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV1426
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / artikel 13 Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije

Eiser heeft wederom een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf bij echtgenote”. Ditmaal heeft hij tijdig de leges betaald, maar wordt aan hem het mvv-vereiste tegengeworpen, omdat de aanvraag niet binnen de termijn van zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiser is ingediend. Volgens eiser is het mvv-vereiste in strijd met de zogenoemde standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Onder verwijzing naar de gegrondverklaring van eisers beroep (AWB 04/45792) is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep. Verweerder dient immers naar aanleiding van de eerdergenoemde uitspraak een nieuwe inhoudelijke beslissing op het bezwaar te nemen. Het verkrijgen van een oordeel van de rechtbank op de vraag of het mvv-vereiste in het algemeen in strijd dient te worden geacht met artikel 13 Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, levert op zichzelf geen rechtens te beschermen belang op. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr. : AWB 04/46572

V-nummer 1700226039

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. C.R. Vink.

I. PROCESVERLOOP

1.1. Eiser, geboren op [...] 1976, bezit de Turkse nationaliteit. Op 4 augustus 2000 is hij in het bezit gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 12 september 2000 is hij Nederland ingereisd. Op 2 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning met als doel “verblijf bij echtgenote”. De aanvraag is op 14 december 2000 ingewilligd. Aan eiser is een verblijfsvergunning verleend geldig tot 2 oktober 2001, die vervolgens is verlengd tot 2 oktober 2002.

1.2. Op 10 februari 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van 23 april 2003 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van verschuldigde leges. Eiser heeft tegen dit besluit op 26 mei 2003 bezwaar gemaakt. Op 20 april 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Na een gegrondverkaring van het hiertegen ingestelde beroep heeft verweerder bij besluit van 17 september 2004 het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Op 15 oktober 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van heden (AWB 04/45792) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard.

2.1. Op 29 juli 2003 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van 11 december 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser heeft tegen dit besluit op 15 januari 2004 bezwaar gemaakt. Op 24 september 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2. Op 21 oktober 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 9 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

17 maart 2005. Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen S. Yeltekin, tolk in de Turkse taal. Het beroep is gevoegd behandeld met AWB 04/45792.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 3.80, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een niet-tijdig ingediende aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

1.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

1.3. In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 is een aantal gevallen opgenomen waarin het ontbreken van een mvv niet wordt tegengeworpen.

1.4. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 wordt een aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv wanneer het stellen van het mvv-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt. Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning, nu de aanvraag niet binnen een redelijke termijn (zes maanden) na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiser is ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan het mvv-vereiste. Eiser kan niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 van het mvv-vereiste worden vrijgesteld, nu eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan eiser dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook stelt verweerder dat het vasthouden aan het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Hij voert daartoe aan dat artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije ziet op de bescherming van personen die verblijf ontlenen aan artikel 6 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Volgens eiser is het mvv-vereiste in strijd met de zogenoemde standstillbepaling van artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Indien eiser wel over een mvv zou dienen te beschikken, dient hij daarvan te worden vrijgesteld in verband met een onbillijkheid van overwegende aard. Voorts stelt eiser dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte van het horen van eiser heeft afgezien.

4.1. De rechtbank overweegt het volgende.

4.2. Zoals al in het procesverloop is vermeld, heeft deze rechtbank bij uitspraak van heden het beroep van eiser, gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit waarbij de aanvraag van eiser tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning buiten behandeling is gesteld vanwege het niet betalen van verschuldigde leges, gegrond verklaard (AWB 04/45792). De rechtbank acht de legesheffing in strijd met de standstillbepaling, zoals die is vastgelegd in artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Nu verweerder naar aanleiding van die uitspraak een nieuwe inhoudelijke beslissing op het bezwaar dient te nemen, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep. Het verkrijgen van een oordeel van de rechtbank op de vraag of het mvv-vereiste in het algemeen in strijd dient te worden geacht met artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, levert op zichzelf geen rechtens te beschermen belang op.

5. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. A. van ’t Laar als voorzitter en mr. E.M.M. Engbers en mr. J. Edgar als leden en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Snel-van den Hout, griffier.

de griffier, de rechter,

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op:3 juni 2005