Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8608

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
AWB 03/41786
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / contra-expertise / rapporten Weitenberg

Eiser heeft in beroep een rapportage van prof. Weitenberg overgelegd, die kan worden beschouwd als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. De rapportage is tot stand gekomen na beluistering van een ingesproken bandje en lezing van twee daarop berustende taalanalyserapporten van de IND. Eén taalanalyserapport werd vervaardigd ter beoordeling van het Koerdisch, het andere van het Armeens. In de rapportage wordt het oordeel van de Armeense taalanalist dat het Oost-Armeens de taal is die de spreker het meest spreekt, gemotiveerd weersproken. Prof. Weitenberg zet naar het oordeel van de rechtbank uitvoerig en met een nadere onderbouwing uiteen waarom hij van oordeel is dat het Armeens van de spreker eenduidig West-Armeens is en waarom het gebruik van de West-Armeense taal door de spreker niet in strijd is met zijn bewering dat hij uit Noord-Irak komt. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid van de verrichte taalanalyses. Verweerder heeft weliswaar op de rapportage van professor Weitenberg gereageerd, doch de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, aangezien prof. Weitenberg in zijn reactie uitvoerig en gemotiveerd is ingegaan op hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 03/41786 OVERIO

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. A. van Dijck, juridisch medewerker bij de Landsadvocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [geboortedatum] 1979 en dat hij de Iraakse nationaliteit bezit. Hij stelt sedert 23 september 1997 als vreemdeling in Nederland te verblijven. Op dezelfde dag heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

Bij beschikking van 31 december 1998 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling niet ingewilligd. Hiertegen heeft hij bij brief van 4 januari 1999 bezwaar gemaakt. Op dezelfde dag heeft hij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 14 april 1999 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 22 april 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft op dezelfde dag verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het beroep van eiser is bij uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 3 juli 2001gegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is toegewezen.

Bij brief van 10 juli 2001 heeft eiser verzocht om verlening van een verblijfsvergunning op grond van drie jaar relevant tijdsverloop in de asielprocedure.

Het bezwaar van eiser is bij besluit van 18 juli 2003 opnieuw ongegrond verklaard. Bij hetzelfde besluit is aan hem een verblijfsvergunning regulier onder de beperking tijdsverloop in de asielprocedure geweigerd.

Eiser heeft bij brief van 23 juli 2003 tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor wat betreft het reguliere gedeelte.

2. Bij brief van 29 juli 2003 heeft eiser tegen het besluit van 18 juli 2003 voor wat betreft het asielgedeelte een beroepschrift ingediend bij de rechtbank (AWB 03/41786 OVERIO). Op dezelfde dag heeft hij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (AWB 03/41787 OVERIO).

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 december 2004, tezamen met de beroepen van [A], de moeder van eiser ( 03/40242), [B], zuster van eiser ( 03/40239) en [C], zwager van eiser ( 03/40237). De rechtbank heeft ter zitting de beroepen geschorst en bepaald dat het onderzoek wordt hervat teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen binnen twee weken te reageren op de ten behoeve van eiser verrichte contra-expertise van 19 juni 2004 van professor dr. J.J.S. Weitenberg.

5. Verweerder heeft naar aanleiding van de schorsingsuitspraak bij brief van 7 januari 2005 twee reacties van het Bureau Land en Taal van 17 december 2004 en 4 januari 2005 ingediend. Bij brief van 19 januari 2005 heeft de gemachtigde van eisers de reactie van professor Weitenberg van 17 januari 2005 ingediend.

6. Zoals de rechtbank bij de schorsingsuitspraak van 22 december 2004 tevens had bepaald, is het onderzoek ter zitting op 23 februari 2005 hervat. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig N. Suleiman, tolk in de Koerdische taal.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag -voor zover van belang en samengevat- het navolgende aangevoerd.

Eiser behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Noord-Irak en belijdt het christelijk geloof. Hij is afkomstig uit een dorpje uit de buurt van [woonplaats]. Vanwege zijn geloof werd hij in Noord-Irak lastig gevallen door de Koerdische bevolking. Op 15 augustus 1997 is de vader van eiser naar alle waarschijnlijkheid door Koerden gedood. Op 23 augustus 1997 hebben militairen de woning van eiser en zijn familie doorzocht. De militairen waren naar hem en zijn zwager op zoek. Zij hadden zich verstopt onder het hooi. De militairen bedreigden zijn moeder en zijn zuster. Zijn moeder is daarbij mishandeld. Eiser heeft vervolgens tezamen met zijn moeder, zuster en zwager, zijn land van herkomst verlaten, omdat zij vreesden voor hun leven.

2.2 Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 de aanvraag afgewezen.

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit de taalanalyse- rapporten van 19 maart 2003 en 27 mei 2003 blijkt dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Irak. Verweerder heeft hieruit mede de conclusie getrokken dat aan het asielrelaas van eiser geen geloof kan worden gehecht.

2.3 In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij in Noord-Irak thuis altijd West-Armeens heeft gesproken en dat hij beter Armeens dan Koerdisch spreekt.

Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij de Koerdische taal beheerst en het Arabisch wel verstaat.

2.4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.5 De rechtbank overweegt het volgende.

In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de door de taalanalisten uitgevoerde taalanalyses, zich op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en de nationaliteit van dat land heeft.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder op grond van de conclusies van de taalanalyses zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Op grond van vaste jurisprudentie kan het uitvoeren van een taalanalyse in beginsel als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar het land van herkomst c.q. de nationaliteit van de betrokkenen. Nu eiser geen documenten ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft overgelegd, heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten eiser aan een taalanalyse te onderwerpen. Het betoog dat verweerder eiser niet aan een taalanalyse had mogen onderwerpen en reeds om die reden de bevindingen van de taalanalisten buiten beschouwing dienen te blijven, faalt derhalve.

De taalanalyses zijn uitgevoerd door de taalanalisten met code SOR 2, voor het Koerdisch, en met code ARM 1 voor het Armeens. Zij werken onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, zijnde het Bureau Land en Taal. De taalanalisten die werkzaam zijn voor dit Bureau worden, zo is de rechtbank ambtshalve bekend, onderworpen aan een selectieprocedure en staan onder voortdurende kwaliteitscontrole. De rechtbank ziet niettegenstaande het voorgaande in deze zaak grond voor de conclusie dat er gerede twijfel is ontstaan omtrent de resultaten van de taalanalyses. Daartoe is het volgende redengevend.

2.6 Eiser heeft in beroep rapporten van professor Weitenberg van 11 en 19 juni 2004 overgelegd. Die rapporten kunnen worden beschouwd als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. De rechtbank zal deze rapportage derhalve bij de beoordeling van het beroep betrekken.

De rapportage van professor Weitenberg is tot stand gekomen na beluistering van een ingesproken bandje en lezing van twee daarop berustende taalanalyserapporten van de IND. Een taalanalyserapport werd vervaardigd ter beoordeling van het Koerdisch (d.d. 19 maart 2003), het andere voor het Armeens (d.d. 27 mei 2003).

In de rapportage wordt het oordeel van de Armeense taalanalist dat het Oost-Armeens de taal is die de spreker het meest spreekt, gemotiveerd weersproken. Professor Weitenberg zet naar het oordeel van de rechtbank uitvoerig en met een nadere onderbouwing uiteen waarom hij van oordeel is dat het Armeens van de spreker eenduidig West-Armeens is en waarom het gebruik van de West-Armeense taal door de spreker niet in strijd is met zijn bewering dat hij uit Noord-Irak komt.

In de rapportage van professor Weitenberg van 19 juni 2004 wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

(…)

Het Armeens van de spreker is eenduidig West-Armeens. Typische kenmerken zijn:

- Stemhebbende uitspraak van consonanten (tegenover stemloos in het Oost-Armeens): banir “kaas” (Oost Armeens panir), dzjnabar “weg” (Oost-Armeens tsjanapar), das “tien” (Oost-Armeens tas). Deze uitspraak valt vooral op, en is distinctief, bij consonanten tussen twee vocalen. De uitspraak van initiële consonanten van de spreker vertoont niet de kenmerkende glottalisering van het Oost-Armeens. Ik ben het daarom niet eens met de mening van de Armeense taalanalist, dat de uitspraak van de spreker Oost-Armeens is. Het door hem aangedragen materiaal toont dat ook niet aan.

- Typisch West-Armeense grammaticale vormen: presens, imperfectum gevormd met prefix g(e) (Oost met suffix –um) g’oeze “hij wil” (Oost oezoem e). Participia op –ac (Oost-Armeens op –el): ekac em “ik ben gekomen” (Oost-Armeens ekel em). Het correcte gebruik van exclusief Westerse vormen als g’ella “zal worden” (het eenmalig gebruik van lini dat het taalanalyse rapport signaleert is daarbij niet relevant). In tegenstelling tot de Armeense taalanalist moet benadrukt worden, dat de spreker deze Westerse grammaticale vormen consistent gebruikt. In de hier genoemde kenmerken maakt hij geen fouten. De taal van de spreker vertoont verder enkele kenmerken die door de analist te gemakkelijk worden toegeschreven aan het Oost-Armeens, en die ik hieronder apart zal bespreken.

- Typisch West-Armeense woorden: hos, hon “hier, daar”; lolik ‘tomaat”; dratsi “buurman”

De spreker spreekt het West-Armeens correct, met consistente juiste uitspraak en zonder enige aarzeling

Zijn gesproken West-Armeens vertoont verder twee kenmerken die men verder aantreft onder sprekers van het West-Armeens uit Noord-Irak:

- incidenteel gebruik van de Ablativus op –its naast de normale uitgang –e. De indruk bestaat dat de –its vorm in formulaire wendingen wordt gebruikt (tanits “van thuis”, d.i. thuisgeproduceerd) tegenover toene “uit het huis”.

- een genitivus meervoud op –i naast de meer frekwente uitgang op –oe (toneri-n “ van de feesten” naast hogheroe-n “van de velden”).

(…)

2.7 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid van de verrichte taalanalyses. Verweerder heeft bij schrijven van 7 januari 2005 weliswaar op de rapportage van professor Weitenberg gereageerd, doch de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, aangezien professor Weitenberg in zijn reactie van 17 januari 2005 uitvoerig en gemotiveerd is ingegaan op hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht.

De rechtbank distantieert zich uitdrukkelijk van de niet inhoudelijke doch op de persoon van professor Weitenberg gerichte kritiek van verweerder, en hecht er aan op te merken dat voor haar de deskundigheid en de integriteit van professor Weitenberg buiten elke twijfel staat. De rechtbank verwacht van verweerder uitsluitend op de inhoudelijke kant van de zaak betrekking hebbende reacties waarbij de persoon van de betrokkene buiten de beschouwing dient te blijven.

Voor de rechtbank is uit de rapportage van professor Weitenberg aannemelijk geworden dat het West-Armeens door bewoners in Noord-Irak, waaronder begrepen inwoners van [woonplaats], gesproken wordt.

2.8 Ten aanzien van het spreken van de Koerdische taal heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser blijkens de taalanalyse van 19 maart 2003 Kirmandji-Koerdisch spreekt, een taal die volgens verweerder niet gangbaar is in Noord-Irak. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de uitspraak van 28 juni 2001 is overwogen, dat uit de verklaring van het Tolkencentrum Noord-Holland van 9 juli 1999 blijkt dat eiser het Iraaks-Koerdische dialect Bahdinani spreekt, hetgeen dus in tegenspraak is met de uitkomst van eerdergenoemde taalanalyse.

2.9 De in de rapportage omtrent de taalanalyses van de taalanalisten neergelegde informatie heeft verweerder dan ook niet zonder nader onderzoek en zonder nadere vraagstelling aan de taalanalisten aan de bestreden beschikking ten grondslag kunnen leggen. De bestreden beschikking is derhalve genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Voorts wordt de bestreden beschikking niet gedragen door een draagkrachtige motivering, zodat die beschikking in strijd met artikel 7:12 Awb tot stand is gekomen.

2.10 De rechtbank overweegt ten aanzien van de klacht van eiser dat verweerder heeft nagelaten hem op zijn bezwaarschrift te horen het volgende.

De vraag of in bezwaar al dan niet de hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Artikel 7:2, eerste lid, Awb bepaalt dat voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, het de belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Dit is slechts anders indien er sprake is van een van de uitzonderingen van artikel 7:3 Awb.

Verweerder heeft gesteld dat van een dergelijke uitzondering sprake is; het bezwaarschrift van eiser is kennelijk ongegrond. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 oktober 2003 (JV 2004, 33) heeft overwogen, vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Er is eerst sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift beoordeeld worden in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

Hetgeen eiser in zijn bezwaarschrift naar voren heeft gebracht en de inhoud van de eiser afgenomen taalanalyses van 19 maart 2003 en 17 mei 2003 rechtvaardigde niet op voorhand de conclusie dat het bezwaar evident ongegrond was.

Verweerder heeft eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar gehoord, zodat de beschikking in strijd is met artikel 7:2, eerste lid Awb.

2.11 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond en dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Er bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.12 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

Aldus gedaan door mr. F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2004 (lees: 2005), in tegenwoordigheid van R.A.A. Strietman griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.