Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8606

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/18452
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Minister van Buitenlandse zaken m.b.t. terugkeervisum / rechtmatig verblijf.

In artikel 2:3, eerste lid, onder d, Vb 2000 is bepaald dat toegang tot Nederland niet wordt geweigerd indien in het document voor grensoverschrijding een door Onze Minister afgegeven verklaring is opgenomen die aan de vreemdeling recht geeft op terugkeer tot Nederland. In WBV 2005/20 hebben de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Vreemdelingenzaken en Integratie als beleidsregel neergelegd dat een terugkeervisum een dergelijke verklaring is. De bevoegdheid om zodanige terugkeervisa af te geven berust bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, omdat in het Vb 2000 met “Onze Minister” die Minister bedoeld wordt. De voorzieningenrechter constateert dat op de aanvraag is beslist door de Minister van Buitenlandse Zaken. Naar voorlopig oordeel is het bestreden besluit dan ook onbevoegd genomen. Deze constatering is echter onvoldoende om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat daar nog niet uit volgt dat het terugkeervisum in bezwaar alsnog zal moeten worden verleend. Verzoeker heeft op dit moment geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw 2000. De toegewezen voorlopige voorziening is uitgewerkt, aangezien deze inhield dat uitzetting achterwege moest blijven totdat op het bezwaar was beslist en zulks op 15 november 2004 is geschied. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar heeft de werking van het besluit niet opgeschort. Voorts is op het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening voor de beroepsfase nog niet beslist. Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker heeft aangedrongen op een beslissing op dat nog hangende verzoek om een voorlopige voorziening en evenmin dat daarop inwilligend zal moeten worden beslist. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 05 / 18452 (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...], van Turkse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.N. Nandoe, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Minister voor Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: J. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Op 7 april 2005 heeft verzoeker verzocht om afgifte van een terugkeervisum om zijn zieke moeder in Turkije te bezoeken. Bij mondeling besluit van 7 april 2005, op 18 april 2005 op schrift gesteld, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker op 15 april 2005 bezwaar gemaakt.

1.2 Bij verzoekschrift van 22 april 2005 heeft verzoeker - zo wordt het verzoek opgevat - de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te gelasten aan verzoeker een terugkeervisum te verstrekken.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 mei 2005. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De in het kader van artikel 8:81 Awb te maken belangenafweging noopt in een geval als het onderhavige tot het treffen van een voorziening, indien naar voorlopig oordeel de aanvraag van het terugkeervisum in bezwaar alsnog zal worden ingewilligd.

2.3 Ten aanzien van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op aanvragen om terugkeervisa overweegt de voorzieningenrechter ambtshalve als volgt. In artikel 2:3, eerste lid, onder d, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald, dat toegang tot Nederland niet wordt geweigerd indien in het document voor grensoverschrijding (paspoort) een door Onze Minister afgegeven verklaring is opgenomen, die aan de vreemdeling recht geeft op terugkeer tot Nederland. In Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna ook: Vc), nr. 2005/20, van 22 april 2005, Staatscourant 29 april 2005, (hierna ook: WBV) hebben de Ministers van Buitenlandse Zaken en Vreemdelingenzaken en Integratie, zo begrijpt de voorzieningenrechter dat WBV, als beleidsregel neergelegd dat een terugkeervisum een verklaring is als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid aanhef en onder d, Vb. De bevoegdheid om zodanige terugkeervisa af te geven berust derhalve bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, omdat in het Vreemdelingenbesluit 2000 met “Onze Minister” die Minister bedoeld wordt. De voorzieningenrechter constateert dat op de aanvraag is beslist door de Minister van Buitenlandse Zaken. Naar voorlopig oordeel is het bestreden besluit dan ook onbevoegd genomen. Deze constatering is echter onvoldoende om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat daar nog niet uit volgt dat het terugkeervisum in bezwaar alsnog zal moeten worden verleend.

2.4 In A2/7.2.6.1 Vc, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, was neergelegd dat een terugkeervisum een nationaal visum is, dat een recht geeft of bevestigt op terugkeer naar Nederland. Dergelijke visa kunnen onder bepaalde voorwaarden door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan vreemdelingen die daarom verzoeken worden afgegeven indien:

a. (...)

b. Zij rechtmatig verblijven op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw.

2.5 Op 1 mei 2005 is WBV 2005/20 in werking getreden. Daarin is neergelegd, dat een terugkeervisum een nationaal visum is, dat een recht geeft op terugkeer naar Nederland en dat dergelijke visa onder bepaalde voorwaarden aan vreemdelingen kunnen worden afgegeven indien zij rechtmatig verblijven op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw. Daarnaast wordt in A2/7.2.6.2 Vc neergelegd: Indien de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier en hij is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) welke overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.

2.6 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Op 21 juli 2004 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier. Hij beschikt niet over een mvv die overeenkomt met het doel waarvoor die vergunning is aangevraagd. Verweerder heeft die aanvraag op 1 september 2004 afgewezen. Bij uitspraak van 15 oktober 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats verweerder verboden verzoeker uit te zetten zolang niet was beslist op het bezwaar dat verzoeker tegen dat besluit had ingediend. Dat bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 november 2005 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld op 3 december 2004 en een voorlopige voorziening gevraagd ertoe strekkende dat uitzetting hangende beroep wordt tegengegaan. Op dat beroep en verzoek is nog niet beslist.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een terugkeervisum, omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft en niet voldeed aan de normale vereisten voor binnenkomst omdat hij een verblijfsvergunning had aangevraagd zonder in bezit te zijn van een mvv welke overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.8 Hiertegen heeft verzoeker in de bezwaarfase aangevoerd dat er wel sprake is van rechtmatig verblijf, aangezien zijn verzoek om een voorlopige voorziening in de bezwaarfase op 15 oktober 2004 is toegewezen. Dat er reeds een beslissing op bezwaar is genomen in die procedure en er thans een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening aanhanging is bij de rechtbank doet hieraan volgens verzoeker niet af. Tevens staat, aldus verzoeker, het rechtmatig verblijf van verzoeker in Nederland vast nu zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het stadium van beroep dient.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 Zowel volgens de tekst van de Vreemdelingencirculaire 2000 zoals die gold ten tijd van het nemen van het bestreden besluit als WBV 2005/20 dient een vreemdeling in procedure, zoals verzoeker, om in aanmerking te komen voor een terugkeervisum rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw. Naar voorlopig oordeel dienen deze passages in de beleidsregels zo begrepen te worden dat het onvoldoende is dat er op enig moment tijdens de behandeling van de aanvraag sprake is geweest van rechtmatig verblijf, maar moet de aanvrager zodanig rechtmatig verblijf ook bezitten ten tijde van het beslissen op de aanvraag om een terugkeervisum.

2.10 Ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, g en h, Vw heeft, voor zover voor deze zaak van belang, de vreemdeling rechtmatig verblijf 1) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14, terwijl bij of krachtens de wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, of 2) in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens de wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

2.11 Verzoeker heeft op dit moment geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw. De toegewezen voorlopige voorziening is uitgewerkt, aangezien deze inhield dat uitzetting achterwege moest blijven totdat op het bezwaar was beslist en zulks op 15 november 2004 is geschied. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar heeft de werking van het besluit niet opgeschort, nu voor de beroepsfase tegen de weigering een verblijfsvergunning regulier te verlenen, geen afwijking van artikel 6:16 Awb is neergelegd in de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 82 Vw geldt immers alleen voor asielzaken en artikel 73 Vw bevat alleen een regeling voor schorsende werking in de bezwaarfase voor zogenaamde reguliere verblijfsaanvragen. Voorts is op het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening voor de beroepsfase nog niet beslist. Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker heeft aangedrongen op een beslissing op dat nog hangende verzoek om een voorlopige voorziening en evenmin dat daarop inwilligend zal moeten worden beslist.

2.12 Gelet op het voorgaande is er op dit moment geen grond voor het voorlopig oordeel dat de aanvraag in bezwaar, ook indien het besluit bevoegd wordt genomen, alsnog zal worden ingewilligd. Nu ook anderszins, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorziening, zal het verzoek worden afgewezen. De voorzieningenrechter weegt daar bij mee, dat niet is gesteld of gebleken dat in dit geval de weigering een terugkeervisum te verlenen absoluut aan het gewenste ziekenbezoek in de weg staat dan wel tot voor verzoeker objectief onaanvaardbare consequenties leidt.

2.13 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen – ten Hoopen als griffier.

Afschrift verzonden op: 27 mei 2005

Coll:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.