Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
AWB 05/19530
Rechtsgebieden
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / bewijs / artikel 64 Vw 2000.

De voorzieningenrechter stelt vast dat nu de vragen die verweerder het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) stelt in het kader van een beroep op artikel 64 Vw 2000 woordelijk overeenkomen met de vragen 1 en 5 van de modelvraagstelling aan het BMA in het kader van een aanvraag om een vergunning tot verblijf onder de beperking het ondergaan van een medische behandeling het BMA zich, met de beantwoording van de vragen 5a tot en met 5d van de modelvraagstelling in het kader van de onderhavige aanvraag, tevens heeft uitgelaten over de vraag of het gelet op de gezondheidstoestand van verzoeker verantwoord is om te reizen. Voor een afzonderlijk onderzoek als bedoeld in artikel 64 Vw 2000 bestaat dan ook geen noodzaak meer. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verzoeker met de stelling dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht welke risico hij loopt op psychische decompensatie bij terugkeer naar Turkije miskent dat het op zijn weg ligt om, door het overleggen van in elk geval een begin van bewijs, de op verweerder rustende onderzoeksplicht te activeren. De stelling dat hij al vijftien jaar in Nederland is en er om die reden een terugval valt te verwachten bij zijn terugkeer naar Turkije, kan niet als een dergelijk begin van bewijs worden aangemerkt. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr.: AWB 05/19530

V-nr.: 130.513.4382

inzake: A, geboren op [...] 1965, van Turkse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr.drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.H. Visser, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 16 maart 2004 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “het ondergaan van medische behandeling”. Bij besluit van 4 april 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In dit besluit heeft verweerder medegedeeld dat, indien verzoeker tijdig bezwaar maakt tegen dit besluit, de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort. Bij bezwaarschrift van 29 april 2005 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij verzoekschrift van 29 april 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht over te gaan tot schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 19 mei 2005 ter griffie ontvangen. Op 20 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door drs. F.W. King, die voor eisers gemachtigde heeft waargenomen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 Awb worden getroffen indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrok-ken belan-gen, dat ver-eist. Het verzoek wordt toegewezen indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder weegt dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit. Bij de afweging van deze belangen wordt mede betrokken de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2. Blijkens het bestreden besluit schort het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank indien dit is ingediend binnen twee weken na bekendmaking van de beschikking in het algemeen het vertrek op.

Nu is gebleken dat eiser zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet heeft ingediend binnen twee weken na bekendmaking van het bestreden besluit, en zijn vertrek uit Nederland derhalve niet is opgeschort, is sprake van een spoedeisend belang bij het verzoek. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is derhalve ontvankelijk.

3. Verzoeker heeft zich ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 februari 2005 met nummer AWB 04/45022, op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of zich in het geval van eiser, gelet op zijn gezondheidstoestand, een uitzettingsbelemmering als bedoeld in artikel 64 Vw 2000 voordoet.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag of eiser naar zijn land van herkomst kan reizen reeds door het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) is beoordeeld.

5. Voor het verkrijgen van een advies van het BMA over de medische situatie waarin een vreemdeling verkeert, zijn modelvraagstellingen opgesteld. In het kader van een aanvraag om een vergunning tot verblijf onder de beperking “voor het ondergaan van een medische behandeling”, stelt verweerder het BMA – voor zover hier van belang – de volgende vragen:

1a. Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten?

1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten?

5a. Kan betrokkene op basis van de huidige medische inzichten gezien diens klachten reizen?

5b. Zo ja, met welk(e) voertuig(en) kan worden gereisd en welke medische voorzieningen dienen voor, tijdens of direct na de reis te worden gerealiseerd?

5c. Zo nee, kan betrokkene tijdelijk of blijvend niet reizen?

5d. Indien betrokkene tijdelijk niet kan reizen, wanneer zal deze op basis van de huidige medische inzichten wel weer kunnen reizen en welke medische voorzieningen dienen voor, tijdens of direct na de reis te worden gerealiseerd?

6. Ingevolge artikel 64 Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is te reizen.

In het kader van een beroep op artikel 64 Vw 2000 stelt verweerder het BMA volgens de modelvraagstelling de volgende vragen:

1a. Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten?

1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten?

2a. Kan betrokkene op basis van de huidige medische inzichten gezien diens klachten reizen?

2b. Zo ja, met welk(e) voertuig(en) kan worden gereisd en welke medische voorzieningen dienen voor, tijdens of direct na de reis te worden gerealiseerd?

2c. Zo nee, kan betrokkene tijdelijk of blijvend niet reizen?

2d. Indien betrokken tijdelijk niet kan reizen, wanneer zal deze op basis van de huidige medische inzichten wel weer kunnen reizen en welke medische voorzieningen dienen voor, tijdens of direct na de reis te worden gerealiseerd?

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vragen die verweerder het BMA stelt in het kader van een beroep door de vreemdeling op artikel 64 Vw 2000, woordelijk overeenkomen met de vragen 1 en 5 van de modelvraagstelling aan het BMA in het kader van een aanvraag om een vergunning tot verblijf onder de beperking “voor het ondergaan van een medische behandeling”. De voorzieningenrechter overweegt dat hieruit volgt dat de medisch adviseur zich, met de beantwoording van de vragen 5a tot en met 5d van de modelvraagstelling in het kader van de onderhavige aanvraag, in het onderhavige geval tevens heeft uitgelaten over de vraag of het gelet op de gezondheidstoestand van verzoeker verantwoord is om te reizen. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat indien de medisch adviseur de vragen omtrent de reisgeschiktheid heeft beantwoord overeenkomstig de modelvraagstelling 5a tot en met 5d, er voor een afzonderlijk onderzoek als bedoeld in artikel 64 Vw 2000 geen noodzaak (meer) bestaat.

8. In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht welke risico hij loopt op psychische decompensatie bij terugkeer naar Turkije. Met deze stelling miskent verzoeker dat het op zijn weg ligt om, door het overleggen van in elk geval een begin van bewijs, de op verweerder rustende onderzoeksplicht te activeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de stelling van verzoeker dat hij al 15 jaar in Nederland is en er om die reden een terugval valt te verwachten bij zijn terugkeer naar Turkije, niet als een dergelijk begin van bewijs worden aangemerkt.

9. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van de gevraagde voorziening. Op grond van het voorgaande wordt het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande voorts aanleiding om met toepassing van artikel 78 Vw 2000 tevens over het bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van de verblijfsvergunning te beslissen en dit ongegrond te verklaren.

10. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af;

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2005, door mr. J.S. Reid, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 9 juni 2005

Conc.: PvdV

Bp: -

D: B