Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7915

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
AWB 05/24547, 05/24546
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitzetting / uitlevering / artikel 45 Vw 2000.

In de Afdelingsuitspraak 200402639/1 en 200402651/1 van 23 juli 2004 is geoordeeld dat de Uitleveringswet prevaleert boven artikel 45 Vw 2000 indien de procedure over toelating samenloopt met een uitleveringsprocedure. Daarom lost de vraag of tot uitzetting kan worden overgegaan zich op in de beslissing over de uitlevering, tenzij dienaangaande een afwijzend besluit is genomen. Als de uitlevering ten tijde van de beslissing over de toelating aan de orde is, doch daarover op dat moment nog niet is beslist, kan ten aanzien van de uitzetting geen beslissing worden genomen. Indien het uitleveringsverzoek wordt toegewezen, is uitzetting niet aan de orde. Wordt het uitleveringsverzoek afgewezen, nadat over de toelating is beslist, dan is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, op grond waarvan alsnog een beslissing omtrent de uitzetting dient te worden genomen, die voor beroep vatbaar is. De voorzieningenrechter trekt hieruit de conclusie dat in dit geval, waarin ten tijde van het nemen van het bestreden besluit omtrent de toelating nog een procedure omtrent de uitlevering aanhangig was, uit de afwijzing van de aanvraag tot verblijfsvergunning niet van rechtswege de bevoegdheid voor verweerder voortvloeit verzoeker uit te zetten indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat. Verweerder is derhalve door en gedurende het nog aanhangig zijn van het uitleveringsverzoek, reeds van rechtswege niet bevoegd verzoeker uit te zetten. Het verzoek om voorziening is, voor zover het connex is aan het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarin de afwijzing van de aanvraag van verzoeker tot een verblijfsvergunning asiel is vervat, derhalve gericht op het opschorten van een rechtsgevolg dat in dit geval niet is verbonden aan het bestreden besluit. In zoverre bestaat dus geen procesbelang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de bewoordingen van paragraaf 5 van het bestreden besluit, het gestelde in het bij dit besluit behorende uitreikingsblad en het namens hem ter zitting verklaarde staat verweerder op het standpunt dat verzoeker wel uitzetbaar is en is hij ook voornemens daartoe over te gaan. De voorzieningenrechter vat het bestreden besluit dan ook in zoverre op als tevens inhoudende een zelfstandige uitzettingsbeslissing, die ingevolge artikel 72, derde lid, Vw 2000 vatbaar is voor bezwaar en beroep. Aangezien daartegen geen rechtstreeks beroep is opengesteld, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Daarom kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat met toepassing van artikel 8:86 Awb het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het in zoverre als bezwaarschrift aan te merken beroepschrift zal ingevolge artikel 6:15, derde lid, Awb, ter behandeling aan verweerder worden doorgezonden. Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb, een voorlopige voorziening te treffen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de aangehaalde uitspraak van de ABRS moet worden afgeleid dat zolang de procedure omtrent de uitlevering van verzoeker aanhangig is, verweerder niet van rechtswege bevoegd is verzoeker uit te zetten en ook niet bevoegd is daarover een beslissing te nemen. De in zoverre als primaire beslissing aan te merken beslissing van 28 mei 2005 is derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onbevoegd genomen en derhalve voorshands onrechtmatig. Daarom wordt de voorlopige voorziening getroffen dat verzoeker tot één week na het tijdstip van bekendmaking van de beslissing op bezwaar niet mag worden uitgezet. Beroep voor zover gericht tegen de beslissing tot uitzetting niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/24547 en 05/24546 BEPTDN

Inzake : [verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

mr. F.H. Bruggink, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1970 en de Amerikaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert november 2003 als vreemdeling in Nederland. Op 28 april 2005 heeft hij een ondertekende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 10 mei 2005 verzoeker schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Verzoeker heeft op 23 mei 2005 zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht.

Bij besluit van 28 mei 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij schrijven van 31 mei 2005 heeft verzoeker tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder nummer AWB 05/24546 BEPTDN. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 juni 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw J.H. Reule, tolk in de Engelse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In deze belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of het bestreden besluit in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Verzoeker heeft in het nader gehoor naar aanleiding van zijn aanvraag – samengevat – aangevoerd dat hij niet meer wenst terug te keren naar de Verenigde Staten omdat hij ten eerste in Georgia zal worden vervolgd vanwege het gebruik van valse documenten en in de staat Florida nog 13 of 14 jaar in de gevangenis zal moeten omdat hij zich niet heeft gehouden aan de meldingsplicht.

Het relaas van verzoeker is in essentie als volgt. Hij heeft verklaard dat hij in Florida in 1979 tot 5 jaar detentie is veroordeeld in verband met een gewapende roofoverval, gepleegd met het oogmerk aan geld te komen voor persoonlijke uitgaven. Daarvan heeft hij 2,5 jaar uitgezeten, waarna hij is vrijgelaten, met een meldingsplicht gedurende 25 jaar. Daaraan heeft hij gedurende 8 jaar voldaan, waarna hij de Verenigde Staten heeft verlaten naar Spanje waar hij heeft verbleven tot 1993. Tussentijds is hij enkele weken terug geweest in de Verenigde Staten. In 1993 is hij vanuit Spanje naar Nederland gegaan en vervolgens naar Engeland, waaruit hij in 2002, na een verblijf van ongeveer 7 jaar, is uitgezet naar de Verenigde Staten. In november 2003 is hij vanuit de Verenigde Staten weer naar Nederland gekomen, met een paspoort dat hij heeft verkregen onder een valse naam. Dit paspoort is hij kwijtgeraakt, waarop hij zich in 2004 bij het consulaat van de Verenigde Staten in Amsterdam heeft gemeld om een duplicaat ervan te verkrijgen. Tegen het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan (drie maanden) heeft hij zich in augustus 2004 opnieuw bij het consulaat vervoegd om een volwaardig paspoort. De autoriteiten van de Verenigde Staten hadden inmiddels vastgesteld dat het paspoort van verzoeker onder opgave van onjuiste personalia was verstrekt, op grond van welke informatie verzoeker op 17 augustus 2004 door de Nederlandse politie is aangehouden. Verzoeker is nadien veroordeeld tot 8 weken gevangenisstraf op grond van de artikelen 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, die hij inmiddels heeft uitgezeten.

Verzoeker stelt bij terugkeer naar de Verenigde Staten te vrezen te worden veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens het onder valse personalia verkrijgen van een paspoort en alsnog in Florida eveneens langdurige gevangenisstraf te moeten uitzitten, dan wel te krijgen, omdat hij zich niet aan zijn meldingsplicht in verband met zijn veroordeling in 1978 heeft gehouden.

In de namens verzoeker ingediende zienswijze heeft zijn advocaat gesteld dat verzoeker een fel tegenstander van de Amerikaanse autoriteiten en de door hen gevoerde binnenlandse en buitenlandse politiek is. Hij heeft in de Verenigde Staten na zijn achttiende jaar geen normaal leven meer kunnen leiden. De bij vonnis van 5 juli 1979 opgelegde periode van 25 jaar onder toezicht heeft de rest van zijn leven, vanwege de extreem lange periode, tot een vrijwel onmogelijke opgave gemaakt. Het aanvechten van zijn uitlevering wordt door verzoeker als een vijandige daad bedoeld die ook als zodanig door de Verenigde Staten wordt beschouwd. Verzoeker is (in 1979) onevenredig zwaar en discriminatoir bestraft. De opgelegde veroordeling kan immers niet anders worden gezien dan in verband met het feit dat verzoeker toen een achttienjarige zwarte Amerikaan was. Verzoeker is hier te lande door de politierechter tot acht weken gevangenis veroordeeld, voor feiten waarvoor hem in de Verenigde Staten een velen malen hogere straf zal worden opgelegd. De straf die hem in de Verenigde Staten boven het hoofd hangt dient reeds daarom als onevenredig zwaar, onmenselijk en vernederend te worden aangemerkt. Aangezien de door de uitleveringsrechter gevraagde waarborgen (welbewust) niet door de Amerikaanse autoriteiten zijn verschaft dient te worden uitgegaan van een real risk in de zin van artikel 3 EVRM.

Het verzoekschrift strekt ertoe de uitzetting achterwege te laten. Ter onderbouwing van zijn verzoek en beroep heeft verzoeker – samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker houdt vast aan zijn stelling dat hij zich negatief heeft opgesteld ten opzichte van de Amerikaanse autoriteiten. Zijn onttrekking aan de aan hem opgelegde strafvoorwaarden en de aanvechting van zijn uitlevering zullen door de Amerikaanse autoriteiten worden opgevat als vormen van verzet en zullen leiden tot bovenmatige en discriminatoire bestraffingen. Voorts heeft verzoeker betoogd dat verweerder zich, gezien het feit dat de Nederlandse rechter zijn uitlevering ontoelaatbaar heeft geacht, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich geen artikel 3 EVRM-situatie voordoet bij zijn terugkeer naar de Verenigde Staten. Verzoeker wijst erop dat zijn uitlevering ontoelaatbaar is verklaard vanwege het feit dat de Amerikaanse autoriteiten vragen van de rechtbank over zijn behandeling na zijn uitlevering onbeantwoord hebben gelaten. Verweerders motivering dat inhoudelijke aspecten in de uitleveringsprocedure geen rol speelden en dat uitgesloten is dat artikel 3 EVRM in die procedure van betekenis is geweest deugt derhalve niet. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat in het onderhavige geval, op grond van door de Hoge Raad geformuleerde criteria in het door hem overgelegde “Wallace”-arrest en het arrest in de zaak R. uit 1996, sprake is van een uit het bestreden besluit rechtstreeks voortvloeiende uitzetting en als zodanig verboden verkapte uitlevering. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2004 over de verhouding tussen artikel 45 Vw 2000 en uitlevering ziet verzoeker aanknopingspunten dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder c, van dat artikel, de aanvraag afgewezen.

4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Verweerder heeft artikel 31, tweede lid, onder c, Vw 2000 aan verzoeker tegengeworpen. Uit de stukken blijkt dat verzoeker in november 2003 (opnieuw) Nederland is ingereisd en pas in april 2005 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft gedaan. Verzoeker heeft geen deugdelijke verklaring gegeven, tegenover verweerder noch de voorzieningenrechter, waarom hij niet eerder asiel heeft gevraagd. In dit verband heeft hij alleen verklaard dat hij van plan was geweest naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken. Verder staat vast dat verzoeker niet over een geldig grensoverschrijdingsdocument beschikte. Verweerder heeft deze omstandigheid derhalve bij de beoordeling mogen betrekken.

5.2. Verweerder heeft het relaas van verzoeker zoals naar voren gebracht in het nader gehoor niet (kenbaar) in twijfel getrokken, en in zoverre staat de geloofwaardigheid van het asielrelaas dus niet ter discussie. Ter zitting is namens verweerder betoogd dat het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat de geloofwaardigheid van het relaas in twijfel wordt getrokken slechts voor zover verzoeker aanvullend stelt de Verenigde Staten uit politieke motieven te hebben verlaten en vanwege deze motieven voor vervolging te vrezen te hebben.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering op bladzijde 2 van het bestreden besluit inderdaad moet worden opgevat als inhoudende dat verweerder de gestelde politieke motieven van verzoeker ongeloofwaardig heeft geoordeeld. Verweerder heeft in dit geval deze splitsing mogen aanbrengen, tussen het gedeelte van het relaas zoals verklaard tegenover de contactambtenaar, en de in de zienswijze gestelde politieke motieven, omdat de gestelde politieke motieven afzonderlijk van elkaar naar voren zijn gebracht en ook niet zodanig met elkaar zijn verknoopt dat ze niet los van elkaar beoordeeld kunnen worden. In het relaas zoals verzoeker dat tegenover de contactambtenaar in het nader gehoor naar voren heeft gebracht ontbreekt namelijk iedere verwijzing naar de in de zienswijze naar voren gebrachte politieke motieven, terwijl in de zienswijze niets aan het in het nader gehoor gedane feitenrelaas wordt toe- of afgedaan, maar aan dit relaas (alsnog) politieke motieven worden toegedicht.

5.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder geen kennelijk onredelijk oordeel heeft gegeven door ongeloofwaardig te achten dat verzoeker politieke motieven heeft gehad bij de in zijn relaas beschreven handelingen. In dat verband doet de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, onder c, van de Vw 2000, afbreuk aan de overtuigingskracht die uitgaat van het relaas voor zover daarin de aanwezigheid van politieke motieven is gesteld. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoeker nimmer blijk heeft gegeven van politieke motieven in welke zin dan ook. Pas in de door zijn advocaat ingediende zienswijze wordt voor het eerst over deze motieven gerept. Uit het rapport van nader gehoor blijkt dat verzoeker niet alleen de ruimte is geboden om dergelijke motieven naar voren te brengen en toe te lichten, maar dat de contactambtenaar ook concrete vragen heeft gesteld gericht op het achterhalen ervan. De daarop door verzoeker gegeven antwoorden duiden geenszins op enig politiek motief bij het plegen van de gewapende roofoverval waarvoor hij in Florida is veroordeeld, de redenen waarom hij de Verenigde Staten heeft verlaten, bij de feiten waarvoor de Verenigde Staten zijn uitlevering hebben gevraagd (het onder valse personalia verkrijgen van een paspoort) of voor de redenen waarom hij niet naar zijn land wil terugkeren. Andere feiten, waaruit wel enige vorm van politieke activiteit zou kunnen blijken, dan wel activiteiten die door de autoriteiten van de Verenigde Staten als politiek gemotiveerd zouden kunnen worden beschouwd, heeft verzoeker niet gesteld. Hetgeen verweerder, onder punt 4 van het bestreden besluit, in de laatste volle alinea op bladzijde 2, heeft gesteld wordt verder door de voorzieningenrechter onderschreven.

Verweerder heeft derhalve in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat van het relaas voor zover daarin politieke motieven zijn gesteld geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Ook indien dit vereiste niet gesteld zou worden, zou het ongeloofwaardigheidsoordeel hierover naar het oordeel van de voorzieningenrechter overigens in redelijkheid stand kunnen houden, aangezien verzoeker nimmer eerder asiel heeft gevraagd in Spanje, Nederland of het Verenigd Koninkrijk, hoewel hij langdurig in die landen heeft verbleven, verklaard heeft naar die landen te zijn gereisd en daar te hebben verbleven vanwege hele andere redenen dan politieke en op grond van zijn eigen verklaringen nooit blijk heeft gegeven van enige politieke betrokkenheid of activiteiten.

5.4. De voorzieningenrechter leest het bestreden besluit, met daarin geïncorporeerd het voornemen, aldus dat verweerder tevens de zwaarwegendheid van het relaas in het licht van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 heeft beoordeeld.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het relaas van verzoeker, voor zover voor geloofwaardig gehouden, niets blijkt dat kan leiden tot de conclusie dat hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt. Voor zover hij in de Verenigde Staten is veroordeeld en mogelijk nog strafrechtelijk zal worden vervolgd is dat wegens het begaan c.q. de verdenking van het begaan van commune delicten. Ook indien hij vervolgd en bestraft zou worden voor feiten waarvoor hij reeds is bestraft in Nederland, en indien hij zou worden vervolgd voor andere feiten dan waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, maakt dat niet dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, aangezien er geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat daaraan enig vervolgingsmotief als bedoeld in artikel 1A van dat Verdrag ten grondslag ligt. Datzelfde geldt voor de gestelde vrees voor een disproportioneel zware bestraffing, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat de vrees daarvoor slechts berust op ongespecificeerde stellingen en vermoedens, zodat aan het realiteitsgehalte van die vrees door verweerder op goede gronden door verweerder wordt getwijfeld. Anders dan in de uitleveringsprocedure volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 dat het in de voorliggende procedure aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij voor vervolging heeft te vrezen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker in 2002 door het Verenigd Koninkrijk is uitgezet naar de Verenigde Staten, waarbij verzoeker na aankomst in het geheel niet is aangehouden, laat staan vervolgd. De ter zitting gedane bewering dat hij toen aan de aandacht van de autoriteiten is ontsnapt faalt, omdat verzoeker in het nader gehoor heeft verklaard pas door de douane te zijn gelaten nadat zijn identiteit was geverifieerd. Nadien heeft hij nog tot november 2003 ongehinderd in eigen land verbleven.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat verzoeker niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt.

6.1. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat het asielrelaas van verzoeker geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar de Verenigde Staten gevaar loopt voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

6.2. Vervolgens dient te worden getoetst of uitzetting van verzoeker, als uit artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000, van rechtswege voortvloeiend rechtsgevolg van de afwijzing van de aanvraag, tot een met artikel 3 van het EVRM strijdig refoulement zou leiden. Namens verzoeker is concreet betoogd dat daarvoor gevreesd moet worden gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2005, RK nummer 04/4828, waarin de voorgenomen uitlevering van verzoeker ontoelaatbaar is geoordeeld.

De voorzieningenrechter stelt vast dat deze uitspraak is gemotiveerd onder verwijzing naar het niet concreet beantwoorden door verweerder van door de rechtbank gestelde vragen. Deze vragen zien niet rechtstreeks op feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de toets of verzoeker gevaar loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bij verwijdering naar de Verenigde Staten. De vragen zijn met name gericht op het risico dat verzoeker in de Verenigde Staten zal worden vervolgd voor feiten waarvoor hij in Nederland reeds is veroordeeld en het risico dat verzoeker tevens zal worden vervolgd voor andere feiten dan waarvoor het uitleveringsverzoek is gedaan. Zelfs indien die risico’s bij daadwerkelijke uitzetting van verzoeker werkelijkheid zouden worden leidt dat nog niet tot schending van artikel 3 EVRM, aangezien dat op zichzelf niet valt aan te merken als een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, en er zijn ook geen bijkomende feiten en omstandigheden die daartoe leiden.

6.3. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat verzoeker niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt.

7. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker op één van de andere in artikel 29, eerste lid, genoemde gronden voor toelating in aanmerking komt.

8. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning asiel derhalve terecht afgewezen.

9. Ingevolge artikel 45, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 volgt uit de afwijzing van de aanvraag van rechtswege voort dat verzoeker Nederland na ommekomst van in deze bepaling bedoelde vertrektermijn Nederland dient te verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet.

Verzoeker heeft in de kern genomen aangevoerd dat het bestreden besluit daarom als een verkapte uitlevering moet worden aangemerkt, onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 18 november 1994, NJ 1996, 579. Daarover overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat, anders dan in dat arrest, geen zelfstandige uitzettingsbeslissing van verweerder ter toets staat nu dit rechtsgevolg van rechtswege aan de thans bestreden afwijzende beslissing is verbonden. Verweerder heeft beslist op een door verzoeker ingediende aanvraag, waartoe verweerder ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 wettelijk was gehouden. Het nemen van het bestreden besluit als zodanig kan daarom niet als een verkapte uitleveringsbeslissing worden aangemerkt. De omstandigheid dat verweerder het besluit op de aanvraag heeft genomen binnen zes weken gerekend vanaf de datum van de indiening van de aanvraag brengt de voorzieningenrechter, anders dan namens verzoeker is gesteld, ook niet tot het oordeel dat verweerder zijn beslissingsbevoegdheid oneigenlijk heeft gebruikt om een verkapte uitlevering te effectueren. Verzoeker is als illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling in bewaring gesteld, en na de indiening van zijn asielaanvraag is de bewaring voortgezet op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vw 2000, in welk geval uit artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000, voortvloeit dat verweerder binnen uiterlijk zes weken beslist op de aanvraag. Deze termijn gaat, als speciaal voor deze situatie geschreven, boven de in artikel 42, eerste lid, van de wet genoemde termijn. Dat verweerder deze termijn niet heeft overschreden, hetgeen opheffing van de vreemdelingenbewaring tot gevolg zou hebben gehad, kan evenmin als een verkapte uitleveringsbeslissing worden aangemerkt, te minder aangezien deze bewaring niet onrechtmatig is bevonden. Dat betekent dat geen ruimte bestaat voor toetsing aan de criteria die de Hoge Raad in de genoemde jurisprudentie heeft geformuleerd voor de toetsing of een zelfstandige uitzettingsbeslissing als een verkapte uitleveringsbeslissing moet worden beschouwd.

Voor zover uit het bestreden besluit van rechtswege voortvloeit dat verzoeker niet langer rechtmatig verblijf houdt in Nederland en daarom uit Nederland dient te vertrekken, maken deze rechtsgevolgen het bestreden besluit dus niet onrechtmatig.

10. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb ongegrond verklaard.

11. Omtrent de uitzetting van verzoeker oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

11.1. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2004, JV 2004, 374, is in rechtsoverweging 2.8.1 geoordeeld dat de Uitleveringswet prevaleert boven artikel 45 van de Vw2000 indien de procedure over toelating samenloopt met een uitleveringsprocedure. Daarom lost de vraag of tot uitzetting kan worden overgegaan zich op in de beslissing over de uitlevering, tenzij dienaangaande een afwijzend besluit is genomen. Als de uitlevering ten tijde van de beslissing over de toelating aan de orde is, doch daarover op dat moment nog niet is beslist, kan ten aanzien van de uitzetting geen beslissing worden genomen. Indien het uitleveringsverzoek wordt toegewezen, is uitzetting niet aan de orde. Wordt het uitleveringsverzoek afgewezen, nadat over de toelating is beslist, dan is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, op grond waarvan alsnog een beslissing omtrent de uitzetting dient te worden genomen, die voor beroep vatbaar is.

11.2. De voorzieningenrechter trekt hieruit de conclusie dat in dit geval, waarin ten tijde van het nemen van het bestreden besluit omtrent de toelating nog een procedure omtrent de uitlevering aanhangig was, uit de afwijzing van de aanvraag tot verblijfsvergunning niet van rechtswege de bevoegdheid voor verweerder voortvloeit verzoeker uit te zetten indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat. Verweerder is derhalve door en gedurende het nog aanhangig zijn van het uitleveringsverzoek, reeds van rechtswege niet bevoegd verzoeker uit te zetten.

11.3. Het verzoek om voorziening is, voor zover het connex is aan het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarin de afwijzing van de aanvraag van verzoeker tot een verblijfsvergunning asiel is vervat, derhalve gericht op het opschorten van een rechtsgevolg dat in dit geval niet is verbonden aan het bestreden besluit. In zoverre bestaat dus geen procesbelang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

11.4. Gelet op de bewoordingen van paragraaf 5 van het bestreden besluit, het gestelde in het bij dit besluit behorende uitreikingsblad en het namens hem ter zitting verklaarde staat verweerder op het standpunt dat verzoeker wel uitzetbaar is en is hij ook voornemens daartoe over te gaan.

De voorzieningenrechter vat het bestreden besluit dan ook in zoverre op als tevens inhoudende een zelfstandige uitzettingsbeslissing, die ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 vatbaar is voor bezwaar en beroep.

Aangezien daartegen geen rechtstreeks beroep is opengesteld, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Daarom kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het in zoverre als bezwaarschrift aan te merken beroepschrift zal ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb, ter behandeling aan verweerder worden doorgezonden.

11.5. Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, een voorlopige voorziening te treffen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden afgeleid dat zolang de procedure omtrent de uitlevering van verzoeker aanhangig is, verweerder niet van rechtswege bevoegd is verzoeker uit te zetten en ook niet bevoegd is daarover een beslissing te nemen. De in zoverre als primaire beslissing aan te merken beslissing van 28 mei 2005 is derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onbevoegd genomen en derhalve voorshands onrechtmatig. Daarom wordt de voorlopige voorziening getroffen dat verzoeker tot één week na het tijdstip van bekendmaking van de beslissing op bezwaar niet mag worden uitgezet.

11.6. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

11.7. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning-asiel ongegrond;

2. verklaart het beroep voor zover gericht tegen de beslissing tot uitzetting niet-ontvankelijk;

3. treft krachtens artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening dat verzoeker tot één week na de datum van bekendmaking van de beslissing op het als bezwaarschrift te behandelen beroepschrift tegen deze uitzettingsbeslissing niet mag worden uitgezet;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

5. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening inzake AWB 05/24547 af.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2005, in tegenwoordigheid van mr. S.M.C. Wesseldijk, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: