Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7854

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/14648, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / Veegwet II / artikel 1:3 Awb.

Verweerder had reeds eerder besloten eiseres een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te weigeren, namelijk bij besluit van 12 oktober 2002. Dit besluit is door verweerder nimmer ingetrokken of herroepen. Ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit was tegen het besluit van 12 oktober 2002 nog een bezwaarschrift aanhangig, waarop verweerder tot op heden niet heeft beslist. Dat betekent dat voorzover verweerder bij het bestreden besluit van 1 maart 2004 opnieuw heeft beslist tot weigering van een dergelijke verblijfsvergunning, deze beslissing slechts een herhaling is van het besluit van 12 oktober 2002. Dat aan deze beslissing een andere motivering ten grondslag ligt maakt dit niet anders. De beslissing van 1 maart 2004 brengt in zoverre dus geen enkele verandering teweeg in de rechtsgevolgen die reeds voortvloeien uit het, nog steeds van kracht zijnde, besluit van 12 oktober 2002. Gelet op artikel 1:3, eerste lid, Awb, is de beslissing van 1 maart 2004 omtrent de aanspraak van eiseres op een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge dan ook niet aan te merken als een besluit, wegens het ontbreken van enig rechtsgevolg. Het beroep tegen de weigering tot verlening van deze verblijfsvergunning van 1 maart 2004 is derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, zodat gelet op artikel 8:1 Awb, de rechtbank onbevoegd is daarvan kennis te nemen. De vraag of eiseres voor een dergelijke verblijfsvergunning in aanmerking komt dient inhoudelijk te worden beslist in het kader van de ingevolge rechtsoverweging 10.4 alsnog door verweerder te nemen beslissing op het bezwaarschrift van 18 oktober 2002 tegen het besluit van 12 oktober 2002 voor zover daarbij een dergelijke vergunning is geweigerd. Beroep gegrond in zoverre gericht tegen de amv-weigering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 04/14648, 04/14654 en 04/14650 BEPTDN

Inzake : [eiseres], alsmede haar minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002, eiseres, V-nummer [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde Landsadvocaat, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Zaïrese (Congolese) nationaliteit te hebben. Zij stelt sedert 8 oktober 2002 als vreemdeling in Nederland te verblijven.

Op 9 oktober 2002 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op 11 oktober 2002 heeft verweerder eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiseres heeft haar zienswijze schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 12 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en is tevens besloten om aan eiseres geen verblijfsvergunning regulier onder de beperking `alleenstaande minderjarige vreemdeling' te verlenen.

Tegen de weigering haar een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen heeft eiseres op 18 oktober 2002 een bezwaarschrift ingediend.

Tegen het besluit tot afwijzing van haar asielaanvraag heeft eiseres op 18 oktober 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 8 januari 2003 gegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag op 10 september 2003 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij uitspraak van de zittingsplaats Den Bosch van 10 oktober 2003 is dit beroep gegrond verklaard en is bepaald dat verweerder binnen zes weken een besluit neemt.

Op 1 december 2003 heeft eiseres opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 9 maart 2004 gegrond verklaard.

Op 30 december 2003 heeft verweerder eiseres schriftelijk mededeling van het voornemen de aanvraag af te wijzen. In dit voornemen heeft verweerder tevens meegedeeld voornemens te zijn geen verblijfsvergunning onder de beperking “alleenstaande minderjarige vreemdelinge” te willen verlenen. Eiseres heeft haar zienswijze op deze mededeling op 3 februari 2004 schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 1 maart 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. In dit besluit is tevens is besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid voor 'alleenstaande minderjarige vreemdelingen'.

2. Bij schrijven van 29 maart 2004 heeft eiseres tegen het besluit 1 maart 2004 een drietal beroepschriften bij de rechtbank ingediend. Het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag is geregistreerd onder het nummer: AWB 04/14648. Het beroep dat zich richt tegen de weigering eiseres een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, is geregistreerd onder het nummer: AWB 04/14650.

Tenslotte is beroep ingesteld, geregistreerd onder het nummer 04/14654 tegen de gestelde niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eiseres van 18 oktober 2002.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 april 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting als tolk in de Franse taal aanwezig I.M. Knaap.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres, die behoort tot de Tetela bevolkingsgroep, heeft ter onderbouwing van haar aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Eiseres, geboren in [geboorteplaats], is afkomstig uit de plaats [woonplaats] in de Democratische Republiek Congo (DRC). De vader van eiseres was handelaar. De ouders van eiseres zijn in 1996 van elkaar gescheiden. Na de scheiding is eiseres samen met haar broer en twee zusters bij haar vader en zijn tweede vrouw gebleven. De moeder van eiseres is met de twee jongste kinderen vertrokken naar [woonplaats] in de DRC. Sindsdien heeft eiseres haar moeder niet meer gezien. In 1999 zijn de rebellen [woonplaats] binnengevallen en is de familie van eiseres [woonplaats] ontvlucht. Sedertdien heeft eiseres haar familie niet meer gezien. Na de vlucht van haar familie is eiseres opgevangen door [A] (hierna: [A]), die hoofd van de militairen in de regio was. Hij heeft eiseres gevraagd om zijn vrouw te worden en eiseres heeft hiermee ingestemd. In 2001 kregen eiseres en [A] ruzie over een telefoon die haar vader in bezit zou hebben gehad. Niet alleen [A] maar ook de militairen met wie [A] omging, [B] en [C], wilden weten waar de telefoon was. Zij hebben bij eiseres drie keer geïnformeerd naar de telefoon. In 2002 heeft eiseres een verhouding gekregen met [D]. [A] wist van deze relatie niets af omdat eiseres deed voorkomen dat [D] haar neef was. Uit de relatie met [D] is in [geboortemaand] 2002 een zoon geboren. [A] ging ervan uit dat het zijn zoon was. Sinds de geboorte van het kind heeft eiseres geen contact met [D] gehad. Op 22 juli 2002 is eiseres samen met haar zoon van [woonplaats] naar [geboorteplaats] vertrokken omdat zij genoeg had van de ruzies over de telefoon. Eiseres had van de priesters in [woonplaats] vernomen dat haar vader in [geboorteplaats] zou verblijven. Op 10 augustus 2002 kwam zij aan in [geboorteplaats], waar eiseres belande bij een vrouw, genaamd [E]. In [geboorteplaats] is eiseres driemaal door militairen benaderd, te weten op 28 augustus 2002, 8 september 2002 en op 25 september 2002. Eiseres vermoedt dat de militairen achter haar adres is gekomen via een vriend van haar vader, [F] genaamd, die zij op de markt in [geboorteplaats] had ontmoet. De militairen waren op zoek naar de vader van eiseres omdat zij haar vader ervan verdenken dat hij in 1999 door middel van zijn telefoon contact had gelegd met de rebellen, waardoor de rebellen gemakkelijk [woonplaats] konden aanvallen. Eiseres heeft steeds bij de militairen aangegeven dat zij geen informatie over de verblijfplaats van haar vader had. Bij het laatste bezoek werden de militairen brutaler; zij hebben eiseres met de achterkant van een geweer geduwd en aangegeven dat indien eiseres geen informatie over haar vader zou verschaffen zij eiseres de volgende keer zouden arresteren. Op 7 oktober 2002 heeft eiseres samen met haar minderjarig kind [geboorteplaats] verlaten. Op 8 oktober 2002 is eiseres via Kenia in Nederland gearriveerd.

In de zienswijze is namens eiseres onder andere naar voren gebracht dat het woord telefoon door de tolk niet juist is vertaald. Het gaat hier om een radiozender, die door het leger als communicatiemiddel wordt gebruikt. Vanwege de schaarste is de zender in [woonplaats] bij de rebellen een gewild apparaat. Voorts is naar voren gebracht dat de partner van eiseres een rebellenkapitein is en dat van een normale relatie geen sprake was. Volgens eiseres heeft [A] misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie. Eiseres meent dat zij als minderjarige seksueel door hem misbruikt is.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht.

4. In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. Eiseres meent dat de afwijzing van de asielaanvraag ten onrechte is gebaseerd op het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000 aangezien zij een geboorteakte heeft overgelegd en zij over haar reis gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. Eiseres stelt dat haar asielrelaas geloofwaardig is en dat het past in het algemene beeld van [woonplaats]. Volgens eiseres is haar asielrelaas voldoende zwaarwegend en is zij ten onrechte niet aangemerkt als verdragsvluchteling. Voorts is aangevoerd dat zij in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Tot slot is aangevoerd dat aan eiseres ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen is verleend.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6.

6.1 De rechtbank stelt voorop dat blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 27 januari 2003 (JV 2003/103), de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort en die beoordeling door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. De maatstaf bij deze toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Dit laat onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen.

Blijkens het gestelde in de Vreemdelingencirculaire 2000 (C1/3.2.1, C1/3.2.2 en C 1/3.3.4) pleegt verweerder het asielrelaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk beantwoord heeft en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met hetgeen over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de verklaringen van de asielzoeker voordoet. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan dan mogen, blijkens voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

6.2 Verweerder heeft het niet overleggen van identiteits- of reisdocumenten aan eiseres kunnen toerekenen en zich op het standpunt mogen stellen dat aldus afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres.

Eiseres heeft ter staving van haar reisroute geen documenten overgelegd, terwijl niet gebleken is dat ook het ontbreken van deze documenten niet aan eiseres kan worden tegengeworpen. De verklaring van eiseres dat zij de gebruikte reisdocumenten heeft afgegeven aan de zogenaamde reisagent heeft verweerder namelijk overeenkomstig zijn beleid zoals verwoord in C1/5.8.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) ontoereikend mogen achten. Daarbij heeft verweerder betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiseres niet weet op welke documenten en onder welke naam zij en haar minderjarige zoon hebben gereisd, dat zij niet weet met welke vliegmaatschappij(en) zij samen met haar minderjarige kind van DRC via Kenia naar Nederland heeft gereisd en dat zij niet weet op welke luchthavens de vliegtuigen zijn geland, terwijl de bemanning in het vliegtuig in de Franse taal zou hebben gesproken, een taal die eiseres voldoende stelt te beheersen. Ook in aanmerking genomen de leeftijd en achtergrond van eiseres mag van haar op deze punten tenminste enig detail worden verlangd.

Gelet op de bewoordingen van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw 2000 is hiermee reeds gegeven dat verweerder deze bepaling op eiseres van toepassing heeft mogen achten.

Dat betekent dat zich in het relaas van eiseres, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet een positieve overtuigingskracht uitgaan.

6.3 Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres dusdanige vage, bevreemdingwekkende en op vermoedens gebaseerde verklaringen heeft gelegd dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas.

De eerst in de zienswijze gegeven aanvulling op het relaas dat tussen eiseres en [A] sprake was van een gedwongen relatie, heeft verweerder op goede gronden tegenstrijdig geoordeeld. De verklaringen van eiseres tijdens het nader gehoor bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat van een gedwongen relatie sprake was, integendeel. Hetgeen verweerder hieromtrent in het bestreden besluit heeft overwogen, onderschrijft de rechtbank. De rechtbank constateert dat eiseres herhaaldelijk tijdens het nader gehoor heeft benadrukt dat zij vrijwillig een relatie met [A] is aangegaan. Eiseres heeft verklaard dat zij heeft ingestemd om de vrouw van [A] te worden; dat [A] altijd goed voor haar is geweest; dat zij zich de vrouw van [A] voelde en dat zij het geld van [A] in bewaring hield. Bovendien heeft zij verklaard dat zij nimmer door wie dan ook seksueel is misbruikt. Verder heeft eiseres verklaard dat haar vertrek uit Congo en haar asielaanvraag geen verband houden met haar relatie met [A] en de redenen waarom zij hem heeft verlaten.

Deze verklaringen zijn dusdanig consistent en ondubbelzinnig dat de latere verklaringen daarover niet anders dan als daarmee lijnrecht tegenstrijdig opgevat kunnen worden. Daarbij betrekt de rechtbank dat het rapport van het nader gehoor geen enkel aanknopingspunt biedt voor de gedachte dat eiseres niet in staat was een duidelijke verklaring af te leggen. Gesteld noch gebleken is verder dat achteraf bezien om enigerlei redenen deze verklaringen haar niet zouden kunnen worden toegerekend. Verder is in haar leeftijd, eiseres was ten tijde van het nader gehoor bijna 17 jaar oud, onvoldoende verklaring gelegen voor deze tegenstrijdigheid.

De verklaringen van eiseres over de wijze waarop zij erachter is gekomen dat haar vader in [geboorteplaats] verbleef en de reis naar [geboorteplaats] heeft verweerder bestempeld als zijnde bevreemdend en vaag.

Eiseres heeft verklaard dat zij op een onbekende datum in 2002 van de priesters in [woonplaats] heeft vernomen dat haar vader naar de priesters heeft gebeld met de mededeling dat hij zich in [geboorteplaats] bevond. Zij heeft verklaard dat zij zonder medeweten van haar (ex-)partner met haar minderjarige kind en een grote som geld naar [geboorteplaats] is vertrokken om haar vader op te zoeken omdat zij de ruzie met haar partner over het telefoontoestel (radiozender) beu was. Eisers was van plan haar vader opheldering te vragen over het telefoontoestel (radiozender).

Anderzijds komt uit de verklaringen van eiseres naar voren dat zij zich niet heeft laten informeren over de daadwerkelijk verblijfplaats van haar vader en daarom in [geboorteplaats] de militairen niet over zijn verblijfplaats heeft kunnen inlichten. Dat was de reden waarom zij herhaaldelijk bij haar terugkwamen en haar geslagen hebben, hetgeen uiteindelijk de aanleiding voor haar vertrek uit Congo is geweest.

Verweerder acht het verder bevreemdingwekkend dat eiseres een dergelijke omvangrijke en kostbare reis naar [geboorteplaats] onderneemt om haar vader (waarvan zij de verblijfplaats niet weet en waarvan zij niet zeker is of hij daar ook verblijft) te vragen waar een telefoontoestel (radiozender) ligt.

Voor deze door verweerder gemaakte tegenwerpingen heeft eiseres geen enkele verklaring geboden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden deze elementen uit het relaas als bevreemdingwekkend heeft gekwalificeerd.

Een en ander betekent dat het relaas van eiseres op hoofdlijnen tegenstrijdig en bevreemdingwekkend is, zodat er geen positieve overtuigingskracht van uitgaat.

Dat betekent dat verweerder het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

De rechtbank overweegt hierbij dat ook als aan het relaas van eiseres niet de eis van positieve overtuigingskracht wordt gesteld, gelet op deze tegenstrijdigheden en bevreemdingwekkende elementen, die de hoofdlijnen van het asielrelaas betreffen, verweerder tot een ongeloofwaardigheidsoordeel had mogen komen.

6.4 Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft.

6.5 Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

7. Gelet op de vorige rechtsoverweging heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat eiseres bij gedwongen terugkeer naar DRC een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Bij uitzetting dreigt dan ook geen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

8. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek van eiseres uit het land van herkomst. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het traumatabeleid. De ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas staat aan een geslaagd beroep op het traumatabeleid in de weg. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

9. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel terecht afgewezen. Het tegen het daartoe strekkende besluit gerichte beroep (AWB 04/14648) is derhalve ongegrond.

10. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, overweegt de rechtbank het volgende.

De beide andere thans aan de orde zijnde beroepen zien op de weigering van verweerder eiseres een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te verlenen.

Ten aanzien van het beroep AWB 04/14650 overweegt de rechtbank als volgt.

10.1 Eiseres stelt dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van 18 oktober 2002 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit bezwaar was gericht tegen het besluit van 12 oktober 2002, waarbij aan eiseres een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ was geweigerd.

10.2 Uit de overwegingen van het bestreden besluit van 1 maart 2004 volgt dat verweerder het standpunt inneemt dat met de gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank bij uitspraak van 8 januari 2003 het toen bestreden besluit van 12 oktober 2002 is vernietigd. Daarmee is het primaire besluit waartegen het bezwaar zich richtte volgens verweerder vervallen. Volgens verweerder betekent dit dat het belang aan het bezwaar is komen te ontvallen en dat het op 18 oktober 2002 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is.

Dit standpunt is niet juist. Namens eiseres is destijds alleen beroep ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van haar asielaanvraag. Tegen het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft zij een bezwaarschrift ingediend. In de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2003 heeft de rechtbank dan ook louter beslist op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het daartoe strekkende besluit vernietigd. Een voor beroep vatbaar besluit tegen de weigering van de verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling lag bij de rechtbank niet voor en is door de rechtbank dus ook niet getoetst. De uitgesproken vernietiging kan ingevolge de artikelen 8:72, eerste lid, 8:70, 8:69 en 8:1 van de Awb, in onderlinge samenhang, het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling dan ook niet betreffen.

Dat betekent dat het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2002 tot weigering van een verblijfsvergunning regulier ook na deze uitspraak nog ter beslissing bij verweerder voor lag.

10.3 De rechtbank stelt vast dat uit het dictum van het thans bestreden besluit niet blijkt dat verweerder het bezwaar van 18 oktober 2002 niet-ontvankelijk heeft verklaard, noch dat hij anderszins op dit bezwaarschrift heeft beslist in het thans voorliggende bestreden besluit. Evenmin blijkt dat op enig ander tijdstip een beslissing op bezwaar is genomen.

Hieruit volgt dat verweerder nog steeds niet beslist heeft op het bezwaar van eiseres dat zich richt tegen het besluit van 12 oktober 2002 waarbij haar een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling is geweigerd. Uit de bewoordingen van het thans bestreden besluit blijkt dat verweerder ook niet voornemens is alsnog op dat bezwaarschrift te beslissen. De rechtbank merkt het door eiseres ingediende beroepschrift daarom in zoverre aan als een beroep gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 18 oktober 2002 in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, dan wel tegen de weigering te beslissen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.

10.4 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig heeft beslist op dat bezwaar en dat ook niet voornemens is te doen, zodat dit beroep gegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder daartoe de in rechtsoverweging 12 bepaalde termijn te stellen.

10.5 De opvatting van verweerder dat eiseres geen belang meer heeft bij een beslissing op dit bezwaar vanwege het inmiddels bereikt hebben van de meerderjarigheid onderschrijft de rechtbank niet.

Ingevolge C2/7.2 van de Vc2000 beslist verweerder over het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van de ambtshalve beslissing. In het op 12 oktober 2002 nog geldende C2/7.1 van de Vc2000, was geen ander beoordelingsmoment vastgelegd dan thans in C2/7.2 van de Vc2000, noch was daarin vastgelegd dat een ander beoordelingsmoment geldt bij een beslissing op bezwaar. Daarvoor bestaat te minder reden nu sinds 1 september 2003 direct beroep openstaat tegen deze besluiten.

In dit geval is de beslissing over de verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige genomen op 12 oktober 2002, op welk tijdstip eiseres nog minderjarig was. Deze minderjarigheid is door verweerder niet in twijfel getrokken en gelet op de uitkomst van het leeftijdsonderzoek van 11 oktober 2002 bestaat daarvoor ook geen aanleiding. Weliswaar is zij thans meerderjarig, maar als de beoordeling van het bezwaar ertoe leidt dat zij per 12 oktober 2002 wel aanspraak had op een dergelijke vergunning, moet zij gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 oktober 2004, JV 2004, 481, geacht worden nog een procesbelang te hebben. Zij zou dan immers tot 22 december 2003 een verblijfsvergunning hebben gehad en daaraan mogelijk, met toepassing van artikel 3.52 van het Vb2000, een aanspraak op een verblijfsvergunning tot voortgezet verblijf hebben kunnen ontlenen.

10.6 Voorts overweegt de rechtbank dat gezien de vorenstaande rechtsoverweging in dit geval het horen van eiseres op het bezwaarschrift aangewezen is. Eiseres dient de mogelijkheid om bijzondere individuele omstandigheden naar voren te brengen die tot afwijking van het door verweerder gevoerde beleid zou kunnen nopen, niet te worden onthouden. Eiseres heeft aangevoerd dat in haar positie als een alleenstaande (destijds minderjarige) moeder een dergelijke bijzondere omstandigheid besloten ligt.

11. Ten aanzien van het beroep inzake AWB 04/14654 overweegt de rechtbank als volgt.

11.1 Sinds de inwerkingtreding van de Veegwet II op 1 september 2003 staat ingevolge artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 het rechtsmiddel van beroep tegen een ambtshalve genomen besluit open indien de vreemdeling in de voornemenprocedure in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven tegen het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Nu dit voornemen op 30 december 2003 expliciet kenbaar is gemaakt, staat tegen de daartoe strekkende beslissing beroep open en behoeft geen bezwaarschriftprocedure te worden doorlopen.

11.2 Uit hetgeen hiervoor, onder rechtsoverweging 10, is overwogen, volgt dat verweerder reeds eerder had besloten eiseres een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te weigeren, namelijk bij besluit van 12 oktober 2002. Dit besluit is door verweerder nimmer ingetrokken of herroepen. Ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit was tegen het besluit van 12 oktober 2002 nog een bezwaarschrift aanhangig, waarop verweerder tot op heden niet heeft beslist.

Dat betekent dat voor zover verweerder bij het bestreden besluit van 1 maart 2004 opnieuw heeft beslist tot weigering van een dergelijke verblijfsvergunning, deze beslissing slechts een herhaling is van het besluit van 12 oktober 2002. Dat aan deze beslissing een andere motivering ten grondslag ligt maakt dit niet anders. De beslissing van 1 maart 204 brengt in zoverre dus geen enkele verandering teweeg in de rechtsgevolgen die reeds voortvloeien uit het, nog steeds van kracht zijnde, besluit van 12 oktober 2002.

Gelet op artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is de beslissing van 1 maart 2004 omtrent de aanspraak van eiseres op een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge dan ook niet aan te merken als een besluit, wegens het ontbreken van enig rechtsgevolg.

11.3 Het beroep tegen de weigering tot verlening van deze verblijfsvergunning van 1 maart 2004 is derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat gelet op artikel 8:1 van de Awb, de rechtbank onbevoegd is daarvan kennis te nemen.

De vraag of eiseres voor een dergelijke verblijfsvergunning in aanmerking komt dient inhoudelijk te worden beslist in het kader van de ingevolge rechtsoverweging 10.4 alsnog door verweerder te nemen beslissing op het bezwaarschrift van 18 oktober 2002 tegen het besluit van 12 oktober 2002 voor zover daarbij een dergelijke vergunning is geweigerd.

12. Gelet op de lange duur van de procedure ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat deze beslissing op bezwaar binnen acht weken na de datum van de verzending van deze uitspraak genomen dient te worden.

13. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift van 18 november 2002 redelijkerwijs heeft moeten maken.

Tevens ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tegen de herhaalde weigering een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te verlenen redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder heeft immers ten onrechte vermeld dat daarbij sprake was van een besluit waartegen beroep kon worden ingesteld.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 724,50 (1 punt voor het beroepschrift dat aangemerkt is als gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift, met een wegingsfactor van 0,25, 1 punt voor het beroepschrift tegen de herhaalde weigering een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te verlenen met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1).

14. Met betrekking tot het beroep dat aangemerkt is als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, en het beroep tegen de herhaalde weigering een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdelinge te verlenen wijst de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiseres de betaalde griffierechten ad tweemaal € 136,-- dient te vergoeden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, geregistreerd onder het nummer AWB 04/14648, ongegrond;

2. verklaart het beroep, geregistreerd onder het nummer AWB 04/14650, gegrond;

3. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen respectievelijk weigeren te nemen van een besluit;

4. bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de datum van verzending van deze uitspraak beslist op het bezwaarschrift van 18 oktober 2002;

5. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, gericht tegen de ambtshalve weigering van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling van 1 maart 2004, geregistreerd onder het nummer AWB 04/14654;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 724,50, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

7. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierechten ad € 272,--.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2005, in tegenwoordigheid van S. Kedar, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: