Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7764

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
KG ZA 05-444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[...] 1.2 Centraal staat de relatie tussen partijen in het kader van wat bij Heineken is gaan heten het Delft-project: Een in 1996 binnen Heineken begonnen project dat de ontwikkeling van een 5 liter vaatje beoogde met interne drukgeneratie, zodanig dat uit het vaatje bier onder constante druk kan worden getapt. Het Delft-project is inmiddels voltooid. Na een test op de Nederlandse markt in december 2003 volgde marktintroductie in Frankrijk en de Verenigde Staten, andere landen zullen spoedig volgen. [...]

2.1 [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, primair een bevel aan Heineken om binnen vijf dagen, subsidiair binnen dertig dagen na betekening van het te wijzen vonnis, alle (wereldwijde) octrooien die zijn gerelateerd aan NL '802, NL '921 en NL '922 aan [eiser] over te dragen (in de subsidiaire vordering: met uitzondering van houders met actieve kool en aerosol valve) op straffe van een dwangsom van € 2.500.000 per (gedeelte) van een dag dat daarmee in gebreke wordt gebleven, voorts veroordeling van Heineken tot betaling van ruim € 25.000,- aan buitengerechtelijke kosten, alles kosten rechtens. Daaraan legt hij, kort gezegd, de stelling ten grondslag dat de betreffende octrooien stoelen op door hem voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken aangedragen kennis/projecten. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2006, 20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rvp\I

zaaknummer: 240994

rolnummer: KG ZA 05-444

datum vonnis: 16 juni 2005 (bij vervroeging)

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht • Voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding in de zaak met bovengenoemd zaak- en rolnummer

van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. M.A. Mak te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN TECHNICAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam met als nevenvestiging Zoeterwoude,

gedaagde,

procureur: mr. C.J.J.C. van Nispen,

advocaten: mrs. C.J.J.C. van Nispen en M.E. Santman.

Partijen worden hierna (ook in het dictum) aangeduid als [eiser] en Heineken.

OVERWEGINGEN BETREFFENDE DE LOOP VAN HET GEDING

[eiser] heeft Heineken, na daartoe verkregen last, doen dagvaarden in kort geding tegen 7 juni 2005. Ter zitting heeft mr. Mak de stellingen van [eiser] toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen en producties, daarin bijgestaan door ir. F.A.T. van Looijengoed, octrooigemachtigde. Heineken heeft verweer gevoerd ter bedoelde zitting bij monde van mr. Van Nispen, eveneens aan de hand van pleitaantekeningen en producties en met bijstand van ir. J.J. Bottema, octrooigemachtigde. Vervolgens is vonnis gevraagd op de stukken, waartoe behoren bedoelde pleitaantekeningen en producties, welk vonnis nader is bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Uitgangspunten

1.1 In kort geding kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2 Centraal staat de relatie tussen partijen in het kader van wat bij Heineken is gaan heten het Delft-project: Een in 1996 binnen Heineken begonnen project dat de ontwikkeling van een 5 liter vaatje beoogde met interne drukgeneratie, zodanig dat uit het vaatje bier onder constante druk kan worden getapt. Het Delft-project is inmiddels voltooid. Na een test op de Nederlandse markt in december 2003 volgde marktintroductie in Frankrijk en de Verenigde Staten, andere landen zullen spoedig volgen.

1.3 In het kader van dat project is door Heineken op 16 maart 1998 een octrooiaanvrage ingediend die op 17 september 1999 heeft geleid tot het Nederlands (registratie)octrooi NL 1008601 (hierna: NL '601) voor een inrichting voor het afgeven van een fluïdum.

[betrokkene], projectleider van het Delft-project bij Heineken, wordt hierin als uitvinder genoemd. Kort gezegd behelst dit een eerste aanzet tot het toepassen van spuitbustechnologie op biervaten. Hoofdconclusie 1 van dit octrooi, dat prioriteitsdocument is voor het ten processe genoemde (maar niet overgelegde) Europees octrooi EP 1 064 221, luidt aldus:

1. Inrichting voor het afgeven van een fluïdum, voorzien van een houder met een eerste compartiment, en een tweede compartiment, waarbij het eerste compartiment is ingericht voor het opnemen van een drijfgas, waarbij althans

tijdens gebruik tussen het eerste en het tweede compartiment een opening is voorzien, waarbij drukregelmiddelen zijn aangebracht voor het tijdens gebruik regelen van de druk van uit het tweede compartiment in het eerste compartiment stromende drijfgas, waarbij in het tweede compartiment vulmiddelen zijn opgenomen voor het absorberen en/of adsorberen

van ten minste een gedeelte van het drijfgas.

Volgens afhankelijke conclusies 2 en 3 van dit octrooi is het drijfgas tenminste CO2 en omvatten de vulmiddelen tenminste actieve kool. Afhankelijke conclusie 4 heeft het oog op in het bijzonder bier, waarin tevens bepaalde drukverhoudingen worden geclaimd.

1.4 Via de toenmalige levenspartner van [eiser], [partner van eiser], die werkzaam was (en nog steeds is) bij Heineken en betrokken was bij het Delft-project, is [eiser] met het Delft-project in aanraking gekomen. (Toevalligerwijs) rond de tijd dat [eiser] solliciteerde naar een functie bij Heineken, heeft hij, mede omdat hij wel vaker projecten voor Heineken had gedaan, van [betrokkene] opdracht gekregen een transparant prototype van een 5 liter vaatje te vervaardigen, waarmee [betrokkene] tapproeven en drukmetingen wilde uitvoeren. In de zomer van 1998 was wat Heineken betreft in juni/juli duidelijk dat [eiser] in dienst kon treden als Senior Packaging Engineer en moest nog nader overeenstemming bereikt worden over de arbeidsvoorwaarden.

In augustus 1998 is een eerste concept arbeidsovereenkomst gewisseld en een non-concurrentiebeding getekend, waarna in september 1998 het arbeidscontract (voor bepaalde tijd van 2 jaar met ingang van 1 december 1998) is getekend door partijen. Daarin is onder meer het navolgende overeengekomen:

Artikel 3

Het is de werkgever bekend dat de werknemer thans voor eigen rekening en risico bedrijfsmatig activiteiten uitoefent, welke activiteiten mogelijk raakvlakken hebben met de werkzaamheden bij de werkgever tijdens het dienstverband.

De werknemer zal voor het aangaan van deze arbeidsovereenkomst aan de werkgever een schriftelijk limitatief overzicht overleggen van de projecten waar de werknemer zich op dat moment bedrijfsmatig mee bezighoudt en welke (een)

raakvlak(ken) hebben met de door de werknemer tijdens het dienstverband te verrichten werkzaamheden. Het overzicht zal tevens een duidelijke omschrijving van de inhoud van deze projecten bevatten.

De werkgever heeft boven ieder ander als eerste het recht een keuze te maken

uit genoemde projecten, en de intellectuele eigendomsrechten hiervan te verwerven. De werkgever zal voor de overdracht van deze rechten aan de werkgever

een vergoeding betalen.

Het staat de werknemer vrij om tijdens het dienstverband voor eigen rekening en risico bedrijfsmatig activiteiten te blijven uitoefenen op de tot dusverre gebruikelijke wijze, mits en zolang deze geen schade toebrengen aan de belangen

van de werkgever in de ruimste zin des woords. Werknemer verplicht zich zijn activiteiten waarvan hij redelijkerwijs kan weten raakvlakken te hebben met activiteiten van werkgever in de ruimste zin des woords in een voorafgaande

schriftelijke verklaring aan werkgever te overleggen.

Alle kennis en ideeën die binnen het dienstverband door de werknemer worden ontwikkeld in het kader van de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden voor de werkgever, worden automatisch en van rechtswege eigendom van de

werkgever.

Werknemer is verplicht jaarlijks hiervan aan de werkgever schriftelijk een overzicht te verstrekken.

(...)

1.5 Het in art. 3 van de arbeidsovereenkomst bedoelde schriftelijke limitatieve overzicht voorzien van een duidelijke omschrijving van de inhoud van de bedoelde projecten is door [eiser] niet verschaft.

1.6 Op 10 augustus 1999 respectievelijk 27 augustus 1999 zijn door Heineken drie octrooien aangevraagd, telkens met vermelding van [betrokkene] en [eiser] als uitvinders, die zien op het Delft-project. De aanvraag van 10 augustus 1999 heeft geleid tot Nederlands octrooi 1012802 (hierna: NL '802), dat weer aanleiding is geweest tot EP 1 140 692, dat alleen is genoemd, maar niet is overgelegd in deze procedure. NL '802 ziet op een container voor het opslaan en afgeven van drank, in het bijzonder bier, in de woorden van partijen de "aerosolvalve of -klep" ([eiser]) of het "fustventiel" (Heineken) betreffend, verleend op 19 juni 2000 met prioriteit vanaf 16 december 1998.

De aanvragen van 27 augustus 1999 hebben geleid tot respectievelijke Nederlandse octrooien 1012921 (NL '921) voor een container voor fluïdumafgifte, voorzien van een drukregelinrichting met activeringsstap, door partijen geduid als de "activeringsstap" of het "activeringsmechanisme" (welk octrooi ten grondslag ligt aan EP 1 140 658, opnieuw alleen genoemd in de stukken) en 1012922 (NL '922) voor een container met drukregelinrichting voor fluïdumafgifte, door partijen het "drukklepoctrooi" genoemd, wat weer ten grondslag heeft gelegen aan EP 1 140 657, evenmin overgelegd. Ook deze Nederlandse registratieoctrooien claimen prioriteit vanaf 16 december 1998 en zijn verleend op 19 juni 2000. Op basis van (uiteindelijk) genoemde drie Nederlandse octrooien NL '802, NL '921 en NL '922 zijn op 14 december 1999 PCT aanvragen gedaan door Heineken waarin wereldwijde bescherming wordt gezocht.

1.7 In de loop van 1999 is tussen partijen discussie ontstaan omtrent aanspraken die [eiser] deed op vergoeding van volgens hem door Heineken gebruikte, maar door hem (en/of (een) onderneming(en) van hem) voorafgaand aan zijn dienstverband aangedragen technologie. Uiteindelijk is tussen partijen op 8 november 1999 een overeenkomst gesloten met, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

(...)

Betreft:bevestiging afspraken inzake intellectuele eigendomsrechten drukklep

Met deze brief bevestigen wij de afspraken die wij met u maakten ten aanzien van bovengenoemde drukklep.

Voor de goede orde en ter voorkoming van eventuele misverstanden worden een tekening van de klep alsmede de toepasselijke octrooiaanvragen met betrekking tot de klep aan deze brief gehecht.

Wij kwamen het navolgende overeen:

1. Heineken Technical Services B.V. (HTS) betaalt Prototype B.V. (Prototype; sc. een vennootschap van [eiser], Vzr.) op een door Prototype aan te geven wijze, na ontvangst van een daartoe strekkende faktuur, eenmalig een vergoeding van NLG 250.000 (tweehonderdvijftigduizend gulden) voor het verkrijgen van de intellectuele eigendomsrechten ten aanzien van de klep. Genoemde faktuur zal worden voldaan binnen dertig dagen na het moment waarop komt vast te staan dat de klep volgens verwachting functioneert en de octrooien verleend zijn. Omtrent de voor u financieel meest effectieve wijze van uitbetalen van genoemd bedrag zullen wij nog nader met u overleggen.

2. Door en op naam van HTS worden octrooien aangevraagd ten aanzien van de klep. De kosten van de aanvragen, alsmede van het instandhouden van de octrooien worden, behoudens ingeval een situatie als omschreven onder punt 7.a. zich voordoet, gedragen door HTS.

3. HTS verkrijgt, zolang de octrooirechten in stand blijven, de wereldwijde en exclusieve rechten ten aanzien van de klep voor gebruik in de algemene zin des woords in de bierindustrie.

4. Prototype verkrijgt, zolang de octrooirechten in stand blijven, de wereldwijde en exclusieve rechten ten aanzien van de klep voor gebruik in de algemene zin des woords in alle gebieden buiten de bierindustrie.

5. (...)

6. (...)

7. a. Ingeval de klep volledig uitontwikkeld is, gebruiksgereed is en volgens verwachting functioneert, doch HTS besluit om welke reden dan ook deze niet voor haar commerciële doeleinden te gebruiken binnen een periode van twee jaar na voltooiing ervan, krijgt Prototype na terugbetaling aan HTS van het onder 1. genoemde bedrag de nonexclusieve gebruiksrechten voor alle toepassingsgebieden en markten, inclusief de bierindustrie. Een uitzondering ten aanzien van het voorgaande wordt gemaakt ten aanzien van het zogenaamde "Delft-project", aan partijen genoegzaam bekend. De genoemde non-exclusieve gebruiksrechten van Prototype zullen in ieder geval pas na het gereedkomen van het Delft-concept worden verleend.

b. (...)

8. Prototype legt een lijst over met daarop een limitatieve opsomming van alle door Prototype vóór 1 november 1998 ontwikkelde ideeën die mogelijk interessant zouden kunnen zijn voor Heineken om toekomstige discussies als de onderhavige te vermijden. Voor de goede orde zij nogmaals vermeld dat alle ideeën die tot stand komen tijdens uw arbeidsrelatie met HTS, conform uw arbeidsovereenkomst eigendom worden van HTS.

1.8 De in art. 8 van deze overeenkomst bedoelde lijst met limitatieve opsomming is door [eiser] nooit verschaft.

1.9 Na ommekomst van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is een aantal consultancyovereenkomsten gesloten tussen partijen, op grond waarvan [eiser] opdrachten voor Heineken heeft vervuld en gedeclareerd voor een totaalbedrag van ruim 1,3 miljoen Euro, welke declaraties door Heineken zijn voldaan.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, primair een bevel aan Heineken om binnen vijf dagen, subsidiair binnen dertig dagen na betekening van het te wijzen vonnis, alle (wereldwijde) octrooien die zijn gerelateerd aan NL '802, NL '921 en NL '922 aan [eiser] over te dragen (in de subsidiaire vordering: met uitzondering van houders met actieve kool en aerosol valve) op straffe van een dwangsom van € 2.500.000 per (gedeelte) van een dag dat daarmee in gebreke wordt gebleven, voorts veroordeling van Heineken tot betaling van ruim € 25.000,- aan buitengerechtelijke kosten, alles kosten rechtens. Daaraan legt hij, kort gezegd, de stelling ten grondslag dat de betreffende octrooien stoelen op door hem voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken aangedragen kennis/projecten.

2.2 Heineken heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat voor zover nodig hierna bij de beoordeling nader aan de orde zal komen

3. Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid en spoedeisend belang

3.1 [eiser] eist in deze zaak in kort geding octrooien op, zoals al volgt uit de betiteling van zijn dagvaarding: Dagvaarding in kort geding ter opeising octrooien op basis van art. 78 ROW 1995. Volgens Heineken is de Voorzieningenrechter (van deze en elke andere rechtbank) onbevoegd daarvan kennis te nemen, aangezien art. 78 ROW 1995 niet wordt genoemd in art. 80 lid 2 ROW 1995. In de visie van Heineken volgt daaruit tevens dat vorderingen tot opeising van octrooien in het geheel niet in kort geding kunnen worden geldend gemaakt. Althans volgt dat laatste volgens Heineken uit algemeenprocesrechtelijke beginselen, omdat een voorzieningenrechter in beginsel alleen condemnatoire vonnissen kan wijzen, geen declaratoire of constitutieve, behoudens ordemaatregelen.

3.2 Aan Heineken kan worden toegegeven dat de gevorderde overdracht van octrooien middels een opeisingsactie in kort geding een vordering tot wijziging van een bestaande rechtstoestand lijkt te behelzen en in zoverre intrinsiek ongeschikt voorkomt voor toewijzing in kort geding. Daar is op zichzelf veel voor te zeggen en daarmee zou het doek al vallen voor de vorderingen van [eiser].

3.3 Mogelijk is evenwel dat de vorderingen van [eiser] anders moeten worden opgevat. In het algemeen is immers bij een dispuut over uitvinderschap met als uitvloeisel daarvan de vraag te wiens naam een octrooi moet worden gesteld als ordemaatregel denkbaar, dat octrooien tenaam worden gesteld van degene die naar voorlopig oordeel en vooruitlopend op de beslissing van de bodemrechter daaromtrent de sterkste papieren als octrooirechthebbende lijkt te hebben en mitsdien het meest in aanmerking komt om de in het octrooi belichaamde uitvinding te exploiteren. Onnodig te zeggen dat de voorzieningenrechter daar (grote) voorzichtigheid past, maar dat is niet een vraag die in de context van de bevoegdheidstoets opkomt. In bedoelde zin is al eerder geoordeeld door de voorzieningenrechter van deze rechtbank (Vzr. Rb 's-Gravenhage 17 september 2004, rolnr. KG 04-915 (Groeneweg/Backus)). De vorderingen van [eiser] laten zich ondanks voornoemde betiteling van de dagvaarding in de hier bedoelde zin lezen, nu daadwerkelijk gevorderd wordt Heineken te bevelen bepaalde octrooien over te dragen op straffe van een dwangsom. Een dergelijke vordering laat zich ook geclausuleerd toewijzen, bijvoorbeeld onder de last of voorwaarde dat [eiser] tijdig voorafgaand aan eventuele vervreemding of bezwaring dit aan Heineken zou dienen mee te delen, terwijl ook los daarvan door Heineken beslagmaatregelen getroffen kunnen worden. In die zin zou derhalve niet zonder meer sprake hoeven zijn van een definitieve wijziging van een rechtstoestand. Ook art. 80 lid 2 ROW 1995 staat niet aan bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de weg. Zoals [eiser] onweersproken en onderbouwd heeft aangegeven, heeft Heineken tevens woonplaats ten adresse van haar nevenvestiging in Zoeterwoude, dat valt binnen het arrondissement van deze rechtbank. Nu art. 83 ROW 1995 bepaalt dat van geschillen buiten die genoemd in artt. 80 en 81 ROW 1995 kennis wordt genomen door de rechter die daartoe volgens de algemene regeling der rechtspraak bevoegd is, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank gegeven de nevenvestiging van Heineken bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. Op grond van het vorenoverwogene wordt derhalve niet op grond van Heinekens argumentatie onbevoegdheid aangenomen.

3.4 Ook wordt het verweer van Heineken verworpen dat geen voor kort geding vereist spoedeisend belang zou bestaan. Zo goed als bij inbreuk op intellectuele eigendomsrechten geredelijk kan worden aangenomen dat spoedeisend belang in de hier bedoelde zin uit de aard der zaak volgt, indien niet al te lang wordt getalmd, heeft dat eveneens op te gaan voor het geldend willen maken van eigendomspretenties met betrekking tot dergelijke rechten. De omstandigheid dat eerst (weliswaar al vanaf begin 2004) getracht is in der minne een regeling te treffen, alvorens de kort geding rechter te adiëren, doet daar in de gegeven omstandigheden van deze zaak (Heineken heeft zelf aanvankelijk aangegeven de zaak te willen uitzoeken, waarmee tijd was gemoeid, waarna tussen partijen vervolgens een uitgebreid schikkingsonderhandelingsproces met bijstand van advocaten is ontstaan) onvoldoende aan af - zulks in weerwil van de stellingen van Heineken dienaangaande.

Uitleg overeenkomst 8 november 1999

3.5 Naar voorlopig oordeel is de overeenkomst van 8 november 1999 nog steeds van kracht tussen partijen. Het standpunt van [eiser] dat hij deze heeft ontbonden (en rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden) wegens toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van Heinekens verbintenissen daaruit, wordt voorshands niet juist geacht. Eveneens voorshands oordelend heeft [eiser] geen aanspraak op meer dan in deze overeenkomst is vastgelegd. Tot dat één en ander is het navolgende redengevend.

3.6 De overeenkomst moet worden uitgelegd volgens het Haviltex-criterium. Uitgangspunt bij uitleg is naar voorlopig oordeel verder dat het in feite een uitvoering betreft van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Heineken. In die arbeidsovereenkomst was immers overeengekomen dat [eiser] - gegeven de omstandigheid dat hij al voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken als ontwerper betrokken was geweest bij bijvoorbeeld (voor zover thans van belang) het Delft-project - vóór aanvang van zijn dienstverband met Heineken limitatief zou aangeven welke projecten mogelijk raakvlakken zouden hebben met de door [eiser] in dienst van Heineken vervolgens te verrichten werkzaamheden. Daarbij werd overeengekomen dat Heineken vervolgens als eerste een keuze uit die projecten zou mogen doen om de intellectuele eigendomsrechten daaromtrent te kunnen verwerven tegen betaling van een vergoeding aan [eiser]. Dit is een belangrijke tegemoetkoming aan [eiser], omdat Heineken aanvankelijk ongeclausuleerde overdracht verlangde van alle mogelijk relevante kennis van [eiser] aan Heineken blijkens het eerste, door [eiser] niet aanvaarde concept voor de arbeidsovereenkomst. Ongelukkigerwijs is het vervolgens niet gekomen tot de overeengekomen voorafgaande opgave en afbakening van deze projecten als in de uiteindelijke arbeidsovereenkomst voorzien. Dat was echter wel de kenbare intentie van partijen over en weer. Ten slotte is als uitgangspunt van belang dat in de arbeidsovereenkomst voorzien wordt in het "automatisch en van rechtswege" in eigendom overgaan van eigendom van kennis die [eiser] in dienstverband genereert in het kader van de uitoefening van zijn functie. Naar voorlopig oordeel komt uit dit één en ander, toegespitst op het Delft-project, de onmiskenbare bedoeling van partijen naar voren om alle relevante kennis met de daarbij behorende of daaruit voortvloeiende intellectuele eigendomsrechten bij Heineken te concentreren.

Voor zover daarbij gebruikt wordt gemaakt van kennis van [eiser] belichaamd in projecten voorafgaand aan zijn dienstverband, mag Heineken dat na opgave van [eiser] aangeven en dient daar voor te worden betaald. Deze ratio van de regeling uit de arbeidsovereenkomst is van overwegend belang bij de uitleg van de overeenkomst van 8 november 1999. Dat de arbeidsovereenkomst, gesloten voor bepaalde tijd, inmiddels van rechtswege is geëindigd, laat bedoelde ratio (uiteraard) onverlet.

3.7 Voorshands oordelend is het voorts primair of hoofdzakelijk aan [eiser] zelf te wijten dat onduidelijkheid is ontstaan omtrent de omvang van de over te dragen rechten uit projecten voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken, omdat hij niet heeft voldaan aan een ondubbelzinnige verplichting uit de arbeidsovereenkomst om tevoren een limitatieve lijst met raakvlakprojecten aan te geven, voorzien van een duidelijke omschrijving, op de uitvoering van welke verplichting door Heineken ongelukkigerwijs onvoldoende is toegezien. Pas na herhaald aandringen van Heineken is [eiser] daar eerst op 1 september 1999 toe over gegaan en dan ook nog eens op uiterst summiere wijze. Het aanvankelijk uitdrukkelijk door partijen beoogde overzichtelijke regime is daardoor praktisch gefrustreerd. Dit geldt te sterker, nu [eiser] evenmin zijn verplichtingen uit art. 8 van de overeenkomst van 8 november 1999 om alsnog met een fatsoenlijke opgave te komen, is nagekomen.

3.8 Uiteindelijk is onderhandeld tussen partijen omtrent een regeling, toen [eiser] in de loop van 1999 aandrong op vergoeding conform zijn arbeidsovereenkomst van beweerdelijk door Heineken gebruikte kennis van hem, hetgeen heeft geleid tot de overeenkomst van 8 november 1999. Deze stevige onderhandelingen betroffen de vergoeding voor de overdracht van techniek/kennis die [eiser] heeft ontwikkeld voor het Delft-project voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken. Van een dictaat van Heineken, zoals [eiser] wil doen geloven, is naar voorlopig oordeel geenszins sprake. [eiser] heeft hoog ingezet door aanvankelijk betaling van NLG 4 miljoen te verlangen, waarna partijen elkaar na taai onderhandelen hebben gevonden in betaling door Heineken van NLG 2,5 ton - zonder de aanvankelijk door [eiser] gewenste beperking tot 500.000 stuks, maar met een genuanceerde regeling van de intellectuele eigendomsrechten binnen en buiten de biersector met nog eens een optie voor [eiser] algeheel rechthebbende te worden, indien Heineken toch geen gebruik zou maken van zijn vindingen.

3.9 Uitleg van de overeenkomst dient, als aangegeven, te geschieden onder de echo van de arbeidsovereenkomst met als ratio dat Heineken uiteindelijk alle rechten zou dienen te krijgen. Ook die ratio wordt voor zover betrekking hebbend op vindingen gedaan tijdens het dienstverband van [eiser] ten overvloede bevestigd in de tekst van de overeenkomst van 8 november 1999.

3.10 Ook bij de uitvoering van deze overeenkomst is vervolgens op een cruciaal onderdeel niet naar de letter gehandeld en ook dit is ongelukkig. De in de overeenkomst bedoelde octrooien en tekening zijn in weerwil van de tekst van het contract niet aangehecht. Zodoende moet worden bezien wat naar voorlopig oordeel de meest waarschijnlijke uitkomst zal zijn van de beoordeling van de reikwijdte van deze overeenkomst door de bodemrechter.

3.11 De overeenkomst spreekt over afspraken inzake intellectuele eigendomsrechten drukklep. Een aanwijzing dat hiermee zowel op de afzonderlijke drukregelaar (uiteindelijk belichaamd in prioriteitsstuk NL '922) als op de activeringsstap (vgl. NL '921) kan zijn gedoeld, is dat in de overeenkomst van 8 november 1999 wordt gesproken over de toepasselijke octrooiaanvragen en het aanvragen op naam van Heineken van octrooien ten aanzien van de klep (meervoud derhalve), blijkens de in zoverre niet weersproken schriftelijke verklaringen van zijdens Heineken betrokken onderhandelaars (niettechnici)zo opgenomen, omdat zij begrepen hadden dat er twee verschillende aanvragen waren ingediend voor "de drukklep". Voorts is door Heineken ter zitting onweersproken gesteld dat op 8 november 1999 alleen maar deze twee aanvragen (die hebben geleid tot NL '921 en NL '922, aangevraagd op 27 augustus 1999) voorhanden waren, omdat toen nog geen PCT-aanvragen waren gedaan (de relevante PCT-aanvragen dateren van 16 december 1999), zodat de tekst van de overeenkomst alleen maar op die Nederlandse aanvragen kan slaan. Dat ontkracht het argument van [eiser] dat bedoeld moet zijn alleen de klep zonder activeringsmechanisme, omdat daarvoor op dat moment maar één aanvrage was gedaan, niet verscheidene. Overigens is de eerderbedoelde eigen opgave van [eiser] van 1 september 1999, zijn eigen visie veronderstellenderwijs volgend, niet erg eenduidig. Daar staat voor zover relevant voor deze zaak alleen, zonder verdere toelichting: drukregelventiel (DELFT). Hijzelf maakt daar geen onderscheid tussen drukklep en drukklep met activeringsmechanisme (en heeft het al helemaal niet over een aerosol klep), zoals hij nadien en in deze procedure wel is gaan doen. Niet moet worden vergeten dat deze opgave, die hij thans zelf typeert als opgave in de zin van art. 3 van de arbeidsovereenkomst, limitatief moet worden opgevat; de eveneens volgens de arbeidsovereenkomst verlangde duidelijke omschrijving van de inhoud van de projecten ontbreekt geheel. Ondanks verplichting uit art. 8 van de overeenkomst van 8 november 1999 dat alsnog te doen, heeft hij dat ten tweede male achterwege gelaten. De stelling van [eiser] dat hij zulks in "beoogd nader overleg" uiteen had willen zetten, van welk overleg het niet is gekomen, komt, gelet op de overigens veelvuldige, deels wel gedocumenteerde contacten tussen partijen, en bedoeld art. 8 van de latere overeenkomst van 8 november 1999 voorshands niet erg aannemelijk voor. Uit deze eigen uiting van [eiser] in september 1999 volgt een tweede, duidelijke, aanwijzing dat voor aanvang van het dienstverband met Heineken ontwerpwerk voor de klep afkomstig was van [eiser], mogelijk ook met betrekking tot de klep met activeringsmechanisme, maar meer ook niet.

3.12 Maar ook als bezien wordt hetgeen thans verder in kort geding aan stellingen en onderbouwingen daarvan voorligt, blijft maar zeer de vraag of [eiser] voorafgaand aan zijn dienstverband wel zoveel had gevonden als hij thans claimt. Voor een nader onderzoek naar de omvang van hetgeen partijen in de overeenkomst van 8 november 1999 hebben geregeld, is in kort geding geen plaats. Mogelijk zal in de bodemprocedure niet te ontkomen zijn aan getuigenbewijs terzake, omdat objectieve andere bewijsmiddelen, zoals duidelijk gedateerde schriftelijke stukken, lijken te ontbreken. Daarop kan in kort geding niet worden vooruitgelopen. Op grond van het thans wel voorhanden materiaal en indachtig de meerbedoelde context van de overeenkomst is door [eiser] thans bepaald onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voorafgaand aan zijn op 1 december 1998 aangevangen dienstverband met Heineken drie uitvindingen heeft gedaan die Heineken vervolgens ten behoeve van het Delft-project wereldwijd heeft geoctrooieerd met als prioriteitsstukken (mede) NL '802, NL '921 en NL '922.

3.13 Met name de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaring van [partner van eiser] steunt de visie van [eiser] dat al voorafgaand aan zijn indiensttreding uitvindingen zijn gedaan met betrekking tot, kort gezegd, de aerosol valve of het fustventiel en de drukklep met activeringsstap. Zijn overgelegde tekeningen dienaangaande zelf zijn echter ongedateerd en betrokkenen bij Heineken betwisten deze voor aanvang van het dienstverband te hebben gezien. Door Heineken is ter zitting evenwel dusdanig veel twijfel gezaaid aan de juistheid van naar zeggen van Heineken alle voor haar controleerbare punten uit die verklaring van [partner van eiser] met betrekking tot de aerosol klep, hetgeen zijdens [eiser] bij repliek on(voldoende) weersproken is gelaten, dat deze verklaring voorshands op dit punt als grotendeels onjuist moet worden beschouwd en [eiser]s visie niet kan ondersteunen. Evenmin heeft [eiser] op enige steekhoudende wijze weersproken dat eerst ten tijde van de brainstormsessie van 2 december 1998 bij octrooigemachtigde Jessen van Heineken - en dus na aanvang van zijn dienstverband met Heineken - door [eiser] schetsen op een white board zijn gemaakt van een later in de octrooiaanvrage overgenomen activeringsstap (de zogenoemde "verende vingertjes"). Op geen enkele steekhoudende wijze heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat dit al eerder door hem bedacht was en aan Heineken kenbaar was gemaakt. De door hem in dat verband overgelegde kopie van een faxbericht aan Joalpe met als datum 23 oktober 1998 is alleen al niet concludent, omdat Heineken gemotiveerd heeft aangegeven dat deze datum niet juist kan zijn vanwege de eerst van veel later datum daterende contacten van Heineken met Joalpe, maar vooral omdat [eiser] ter zitting desgevraagd het origineel van die fax niet kon tonen.

3.14 Op grond van het vorenoverwogene is naar voorlopig oordeel in de overeenkomst van 8 november 1999 begrepen hetgeen heeft geleid tot NL '921 en NL '922 en valt de materie van NL '802 onder de "automatische" clausule van de arbeidsovereenkomst waarvoor geen overdracht en vergoeding is verschuldigd.

3.15 Het beroep dat [eiser] op art. 6:83 BW doet ten betoge dat Heineken zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, gaat naar voorlopig oordeel niet op. [eiser] heeft rechtens niet uit de opstelling van Heineken kunnen halen dat zij niet zou nakomen. Er is geen geldige ontbindingsgrond voorhanden aan de zijde van [eiser]. Voorshands oordelend is eerder sprake van crediteursverzuim, omdat [eiser] Heineken ondanks zijn verplichting daartoe uit de overeenkomst geen factuur heeft gestuurd en dat nog steeds niet heeft gedaan. De redenen die hij daarvoor aanvoert vinden geen basis in het recht. Ook thans blijft Heineken bereid tot betaling van het overeengekomen bedrag van het Euro-equivalent van NLG 250.000,- en is zij bereid gebleken dat rentedragend te maken vanaf december 2003, maar volhardt [eiser] in zijn weigering om een factuur terzake aan Heineken te zenden. [eiser] heeft dit verzuim ook niet kunnen bewerkstelligen door bij dagvaarding alsnog te stellen dat Heineken in gebreke zou zijn, omdat Heineken zou weigeren te betalen, omdat ook dat juridisch geen hout snijdt.

Slotsom

3.16 Hoe dan ook is in het licht van het vorenoverwogene geen enkele basis te vinden om de vorderingen - zelfs als deze als ordemaatregel zouden moeten worden opgevat - toe te wijzen. Het is immers blijkens de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen geweest dat iemand anders dan Heineken rechthebbende zou worden met betrekking tot door Heineken toegepaste techniek, zoals die met betrekking tot het project-Delft, voor zover al afkomstig van [eiser] voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken. In dat licht bezien gaat een vordering tot tenaamstelling van daarop betrekking hebbende octrooien op [eiser] naar voorlopig oordeel sowieso mank, ook in de bodemprocedure. Gesteld al [eiser] in de bodemprocedure materieel in die zin het gelijk (deels) aan zijn zijde zou mogen krijgen, dat bewezen zou worden dat Heineken nog meer kennis van [eiser] stammend uit de periode voorafgaand aan zijn dienstverband met Heineken zou hebben gebruikt, dan vertaalt zich dat naar voorlopig oordeel hooguit in een aanspraak op additionele vergoeding, niet tot overdracht of tenaamstelling van op het Delft-project betrekking hebbende octrooien.

3.17 De vorderingen van [eiser] worden mitsdien afgewezen, met veroordeling van hem als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

BESLISSINGEN:

De Voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de op deze procedure vallende kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Heineken begroot op € 241,- aan verschotten en € 816,- aan procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R.B. van Peursem en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.