Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/56921
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:47, derde lid, Awb / dwangsom.

Ingevolge artikel 3:47, derde lid, Awb, verstrekt het bestuursorgaan de motivering, indien deze in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, binnen een week na de bekendmaking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een onjuiste toepassing gegeven aan voornoemd artikel. Blijkens de toelichting op dit artikelonderdeel ziet dit op de gevallen waarin de bekendmaking van een besluit in verband met de vereiste spoed niet kan wachten op het op schrift stellen van de motivering. In die gevallen is er op zichzelf al wel een motivering, maar levert het problemen op deze tijdig volledig te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze bepaling op noodsituaties waarin snel een besluit dient te worden genomen ter voorkoming van ernstige situaties, waarbij valt te denken aan voorkoming van acuut milieugevaar of handelingen met onomkeerbare gevolgen. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake en lijkt verweerder te hebben willen ontkomen aan het betalen van een bij uitspraak opgelegde dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank is dit naar objectieve maatstaven gemeten geen noodsituatie zoals bovenbedoeld. Dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3:47, derde lid, Awb, kan evenwel niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, nu de termijn waarbinnen verweerder een beslissing op bezwaar dient te nemen, niettegenstaande de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2004, geen fatale termijn is. Dit laat onverlet dat eiseres, nu verweerder niet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar heeft genomen, de aan verweerder opgelegde dwangsom zal kunnen invorderen.

Het voorgaande in aanmerking nemend zal de rechtbank de besluiten van 26 november 2004 en van 16 december 2004 tezamen aanmerken als zijnde één besluit. De rechtbank vindt hiervoor steun in de Afdelingsuitspraak 200302715/1 van 10 december 2003. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit de rechterlijke toets doorstaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 04/56921

Datum uitspraak: 13 juni 2005

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1980,

v-nummer [nummer] ,

van Chinese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. E. van Voolen,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.R. Hoeksema,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 12 augustus 1999 heeft eiseres toelating als vluchteling gevraagd. Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft verweerder de aanvraag, die gelet op de inwerkingtreding van de Vw 2000 is aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgewezen.

Op 29 oktober 2001 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Op 27 januari 2003 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten aanzien van de vraag of eiseres op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in het bezit gesteld kan worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Bij besluit van 28 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij evenbedoeld besluit heeft verweerder tevens ambtshalve besloten eiseres niet op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van relevant tijdsverloop in de asielprocedure, het zogenaamde driejarenbeleid.

Op 28 maart 2003 heeft eisers beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar en tevens heeft zij op 28 maart 2003 bezwaar gemaakt tegen het ambtshalve besluit om eiseres niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid.

Bij brief van 27 november 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het besluit van 28 februari 2003 wordt ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist. Eiseres heeft hierop zowel het beroep van 29 oktober 2001 als dat van 28 maart 2003 ingetrokken.

Bij beroepschrift van 7 maart 2004 is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift van 28 maart 2003. Dit beroep is bij uitspraak van 25 juni 2004 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, gegrond verklaard en is aan verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een beschikking op het bezwaar te nemen.

Bij beroepschrift van 12 augustus 2004 heeft eiseres wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beschikking op het bezwaarschrift, waarbij tevens is verzocht om een dwangsom op te leggen. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 15 oktober 2004 gegrond verklaard en tevens is aan verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een beschikking op het bezwaar te nemen. Daarnaast is aan verweerder een dwangsom opgelegd van € 250,- per dag voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft aan de uitspraak te voldoen.

Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerder de bezwaren van 27 januari 2003 en 28 maart 2003 met toepassing van artikel 3:47, derde lid, van de Awb, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 december 2004 heeft verweerder het besluit van 26 november 2004 gemotiveerd.

Op 21 december 2004 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 juni 2005. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.C.O. Stiphout.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiseres stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat verweerder een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 3:47, derde lid, van de Awb. Om die reden kan het besluit van 16 december 2004 niet bij de beoordeling worden betrokken volgens eiseres en is het besluit van 26 november 2004 onvoldoende gemotiveerd. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat zij bij haar asielaanvraag haar juiste leeftijd heeft opgegeven. Het leeftijdsonderzoek zoals dat in eerste instantie heeft plaatsgevonden, voldoet, blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 oktober 2003 (JV 2003, 512), niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Verweerder heeft een herbeoordeling van het leeftijdsonderzoek laten uitvoeren, doch eiseres maakt bezwaar tegen de herbeoordeling nu deze heeft plaatsgevonden door artsen die niet in Nederland zijn gevestigd en die aan hun werkzaamheden de voorwaarde hebben verbonden dat hun identiteit door verweerder geheim zal worden gehouden. Daarnaast is eiseres van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een jonge, alleenstaande moeder, hetgeen consequenties heeft ten aanzien van de opvangmogelijkheden in China. In ieder geval komt eiseres in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid dan wel op grond van humanitaire redenen. Eiseres doet voorts nog een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid en tot slot is eiseres van mening dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord.

3. Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. In het rapport van het leeftijdsonderzoek van 20 maart 2001 is vastgesteld dat eiseres ten tijde van dit onderzoek tenminste twintig jaar oud moet zijn geweest, hetgeen betekent dat eiseres ten tijde van haar asielaanvraag meerderjarig is geweest. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2003 (JV 2003, 512) heeft verweerder de van eiseres gemaakt röntgenfoto’s laten herbeoordelen. Twee radiologen hebben op 15 december 2004 met het zetten van hun paraaf verantwoordelijkheid genomen voor de conclusies die reeds eerder ten aanzien van de röntgenfoto’s waren getrokken. Nu eiseres ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag meerderjarig was, komt zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Evenmin komt eiseres, nu zij onjuiste gegevens heeft verstrekt, in aanmerking voor een verblijsvergunning op grond van het driejarenbeleid.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat blijkens verweerders brief van 27 november 2003 weliswaar het besluit van 28 februari 2003 is ingetrokken, doch, gelet op de redactie van die brief, uitsluitend voor zover dit de beslissing op bezwaar betrof ten aanzien van de aanspraken van eiseres op een reguliere verblijfsvergunning op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ten aanzien van het primaire besluit over de aanspraken op grond van het zogenaamde driejarenbeleid is de rechtbank niet van een intrekking gebleken.

5. De rechtbank is overweegt vervolgens als volgt. Ingevolge artikel 3:47, derde lid, van de Awb, verstrekt het bestuursorgaan de motivering, indien deze in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, binnen een week na de bekendmaking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een onjuiste toepassing gegeven aan het bepaalde in voornoemd artikel. Blijkens de toelichting op dit artikelonderdeel ziet dit op de gevallen waarin de bekendmaking van een besluit in verband met de vereiste spoed niet kan wachten op het op schrift stellen van de motivering. In die gevallen is er op zichzelf al wel een motivering, maar levert het problemen op deze tijdig volledig te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze bepaling op noodsituaties waarin snel een besluit dient te worden genomen ter voorkoming van ernstige situaties, waarbij valt te denken aan voorkoming van acuut milieugevaar of handelingen met onomkeerbare gevolgen. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake en lijkt verweerder te hebben willen ontkomen aan het betalen van een bij uitspraak opgelegde dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank is dit naar objectieve maatstaven gemeten geen noodsituatie zoals bovenbedoeld.

Dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 3:47, derde lid, van de Awb, kan evenwel niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, nu de termijn waarbinnen verweerder een beslissing op bezwaar dient te nemen, niettegenstaande de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2004, geen fatale termijn is. Dit laat onverlet dat eiseres, nu verweerder niet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar heeft genomen, de aan verweerder opgelegde dwangsom zal kunnen invorderen.

6. Het voorgaande in aanmerking nemend zal de rechtbank de besluiten van 26 november 2004 en van 16 december 2004 tezamen aanmerken als zijnde één besluit. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 (JB 2004/53). Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit de rechterlijke toets doorstaan. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Het leeftijdsonderzoek is een geoorloofd middel om de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag vast te stellen. Indien verweerder zijn besluitvorming mede wenst te baseren op het leeftijdsonderzoek, dient zij zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan te vergewissen dat het onderzoek op een deugdelijke en zorgvuldige wijze is verricht, zodat het de daaraan verbonden conclusies kan dragen. Mede gelet op hetgeen de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraken van 23 oktober 2003 (JV 2003, 512) en van 22 juli 2004 (LJN: AQ6583) is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval heeft voldaan aan de op haar rustende vergewisplicht en dat het leeftijdsonderzoek voldoet aan de eisen die in de jurisprudentie hieraan worden gesteld. Dat het onderzoek is verricht door Belgische radiologen, die niet onderworpen zijn aan het toezicht van de Nederlandse gezondheidsautoriteiten, doet hieraan niet af, nu gesteld noch gebleken is dat in België niet sprake is van een vergelijkbaar toezicht op medici. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2004 (JV 2004, 211). Gelet op het vorenoverwogene, waarbij de rechtbank tevens in aanmerking heeft genomen dat eiseres de uitkomst van het leeftijdsonderzoek op zichzelf onvoldoende concreet heeft weerlegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid, omdat het verstrekken van onjuiste gegevens kan worden aangemerkt als contra-indicatie voor de verlening van voornoemde vergunning.

8. Voor zover eiseres zich beroept op klemmende redenen van humanitaire aard, overweegt de rechtbank dat de toets aan dit beleid plaatsvindt in het kader van de asielprocedure. Nu de beslissing op de asielaanvraag van eiseres reeds onherroepelijk is geworden met de intrekking van het beroepschrift van 29 oktober 2001 kan dit beroep dan ook niet slagen.

Eiseres heeft in beroep in dit verband tevens aangevoerd dat verweerder gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Nu eiseres dit standpunt niet nader heeft gemotiveerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

9. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens eiseres tegen in is gebracht, behoeft, nu niet is gebleken dat eiseres daar procesbelang bij heeft, geen verdere bespreking.

10. Gezien het bepaalde in artikel 7:3, sub b, van de Awb heeft verweerder op goede gronden kunnen afzien van het doen horen van eiseres, nu reeds bij een eerste beoordeling van het bezwaarschrift bleek dat het bezwaar ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over deze conclusie.

11. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.E. Snijders en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2005 in tegenwoordigheid van mr. P.G.A. Jansen als griffier.

de griffier? de rechter

w.g. Jansen w.g. Snijders

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 14 juni 2005