Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7509

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
09/017035-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van de Officier van Justitie wegens overschrijving van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09/017035-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 25 maart 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 maart 2005.

De verdachte is ter terechtzitting niet verschenen. De raadsman van verdachte, mr. P. Quist, advocaat te Naaldwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De raadsman heeft verklaard bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ter terechtzitting heeft de raadsman een préliminair verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede op grond van het door het openbaar ministerie opgewekte vertrouwen dat voor de onderhavige feiten geen vervolging zou worden ingesteld.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als volgt.

1. Overschrijding van de redelijke termijn

Algemeen

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Op het aan verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Aanvang redelijke termijn

De rechtbank dient eerst vast te stellen op welk moment de redelijke termijn in de onderhavige zaak is aangevangen. De raadsman heeft primair gesteld dat de datum waarop verdachte door de FIOD-ECD is gehoord, zijnde 5 november 2001, als startpunt voor de aanvang van de redelijke termijn moet worden genomen. Uit de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een juiste interpretatie van artikel 6 EVRM niet in alle gevallen tot de opvatting dwingt om het moment van verhoor als startpunt voor de redelijke termijn te nemen. De datum van inverzekeringstelling van verdachte en de datum van betekening van de inleidende dagvaarding gelden in elk geval wel als een zodanig moment.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn in casu de volgende momenten aan te wijzen als mogelijk startpunt voor de redelijke termijn:

- het (eerste en enige) verhoor van verdachte door de FIOD-ECD d.d. 5 november 2001;

- de brief van het openbaar ministerie aan verdachte d.d. 27 september 2002, inhoudende - kort gezegd - dat de officier van justitie gezien het dossier van de FIOD voornemens is verdachte voor de onderhavige feiten te vervolgen en verwacht dat begin 2003 een beslissing omtrent de strafvervolging zal worden genomen;

- de datum van betekening van de inleidende dagvaarding, derhalve 21 februari 2005.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte er - gelet op de inhoud van het verhoor van 5 november 2001 - in dit geval vanaf het moment van verhoor redelijkerwijs van uit kon gaan dat jegens hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Verdachte kon naar het oordeel van de rechtbank derhalve reeds vóórdat hij de brief van het openbaar ministerie d.d. 27 september 2002 ontving redelijkerwijs verwachten dat hij zou worden vervolgd ter zake van de onderhavige feiten.

Rechtsgevolg

De eerder genoemde termijn van twee jaar is ruim overschreden. De rechtbank dient thans te bepalen welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden. Daartoe dient in aanmerking te worden genomen dat in september 2002 aan verdachte is medegedeeld dat nog nader onderzoek zou worden verricht omtrent de wijze waarop de Belgische Justitie de rekeninggegevens heeft verkregen alsmede omtrent de wijze waarop die gegevens door een medewerker van de Kredietbank Luxembourg aan de bank zijn onttrokken. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit nader onderzoek reeds begin 2003 is afgerond en dat deze zaak vervolgens stil is blijven liggen. In de tussentijd is verdachte door het openbaar ministerie op geen enkele wijze op de hoogte gehouden omtrent de (eventuele) voortgang van zijn zaak. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat het openbaar ministerie heeft verzuimd om voornoemde stukken in het dossier van de onderhavige zaak te voegen. Dit klemt temeer nu de onderhavige zaak deel uit maakt van het zogenaamde rekeningenproject waarin een aantal vergelijkbare zaken naast elkaar loopt, zodat het in de rede had gelegen dat het pakket stukken standaard in alle dossiers zou zijn gevoegd.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij de officier van justitie er kort voor de zitting op heeft moeten wijzen dat deze stukken zich niet in het dossier bevonden. De officier van justitie heeft de stukken vervolgens daags voor de zitting per fax aan de rechtbank en aan de raadsman doen toekomen.

Naast de hierboven genoemde omstandigheden neemt de rechtbank hierbij nog in aanmerking dat verdachte door de grote vertraging in zijn zaak inmiddels 70 jaar oud is en dat hij met deze leeftijd volgens de toepasselijke ATV-richtlijnen de vervolgingsgrens heeft bereikt.

Het volstrekt stilzitten van het openbaar ministerie en het niet verstrekken van voornoemde stukken waarop nu juist werd gewacht alsmede de leeftijd van verdachte moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden naast de ruime overschrijding van de redelijke termijn.

Tegen deze achtergrond moet een afweging worden gemaakt tussen enerzijds het belang van verdachte bij een verval van het recht tot strafvervolging en anderzijds het belang van de gemeenschap bij normhandhaving door berechting. Bij de bepaling van het gewicht dat moet worden toegekend aan het belang van de gemeenschap spelen meerdere factoren een rol, waaronder de ernst van het vervolgde feit en de ouderdom van de zaak.

Betreffende de ernst van het vervolgde feit is in het onderhavige geval van belang dat verdachte door het doen van opzettelijk onjuiste aangiften inkomsten- en vermogensbelasting de samenleving als geheel ernstig heeft benadeeld. Daartegenover staat dat met het voortschrijden van de tijd het belang van verdachte zwaarder gaat wegen. Er kan niet aan voorbij worden gegaan dat verdachte gedurende ruim 3 jaar en vier maanden, vanaf het moment dat hij door de FIOD is gehoord, in voortdurende onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afloop van de zaak.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval een eventuele compensatie wegens de geconstateerde zeer grote overschrijding van de redelijke termijn, gelet op het voorgaande, niet of niet afdoende kan worden gevonden in de andere in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering opgenomen sanctiemogelijkheden, in het bijzonder die van strafvermindering. Om die reden kan slechts de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie als passend en geboden worden beschouwd.

2. Gerechtvaardigd vertrouwen

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven onder 1. heeft overwogen, kan een oordeel over het al dan niet door het openbaar ministerie opgewekte vertrouwen dat in deze geen strafvervolging zou worden ingesteld achterwege blijven.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

H.P.M. Meskers en A.C. Zuidema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M.M. Meijer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2005.