Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7507

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/2002 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Eiser meent dat verweerder onrechtmatig handelt door aan hem buiten de 40-urige werkweek extra werkzaamheden op te dragen in de avond, de nacht en het weekend zonder dat aan hem daarvoor op enige wijze compensatie wordt geboden. Volgens eiser handelt verweerder hiermee in strijd met de werk- en rusttijdenregeling voor het defensiepersoneel. [...]

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder de afwijzing van het verzoek om financiële compensatie voor het uitvoeren van werkzaamheden als huisarts in avond, nacht en weekend heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/2002 MAW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 2 mei 2003 heeft eiser verweerder verzocht om een financiële compensatie van de huisartsendienst in de avond-, nacht- dan wel weekend-uren vanaf het moment dat hij zijn functie als huisarts uitoefent in de rang van luitenant-kolonel.

Bij besluit van 22 augustus 2003 heeft de Bevelhebber der Landstrijdkrachten dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 september 2003 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 april 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. C.A.D. Berkhuizen.

Standpunten partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eiser de rang heeft van luitenant-kolonel hij gelet op de toepasselijke wet-en regelgeving niet in aanmerking komt voor een vergoeding. Ook is niet is gebleken dat eiser een uitzonderingsfunctie bekleedt, zodat wellicht op grond daarvan aanleiding voor een financiële vergoeding zou bestaan.

Eiser meent dat verweerder onrechtmatig handelt door aan hem buiten de 40-urige werkweek extra werkzaamheden op te dragen in de avond, de nacht en het weekend zonder dat aan hem daarvoor op enige wijze compensatie wordt geboden. Volgens eiser handelt verweerder hiermee in strijd met de werk- en rusttijdenregeling voor het defensiepersoneel. Nu huisartsen in de rang van een majoor wel een vergoeding ontvangen voor gelijke werkzaamheden ontstaat een situatie van rechtsongelijkheid. De regelgeving is niet langer adequaat voor de huidige situatie. De aan eiser gedane toezeggingen, dat in de vorm van een functioneringstoelage of periodiekverhoging aan hem zou worden tegemoetgekomen, zijn niet nagekomen. Verder heeft de beslissing op zijn rekest onredelijk lang geduurd.

In beroep brengt eiser met betrekking tot de van toepassing zijnde regelgeving naar voren dat artikel 55 f van het Algemeen militair ambtenaren reglement (AMAR) zichzelf uitsluit en dat artikel 5 van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid (VROB) weliswaar een regeling biedt voor militairen tot aan de rang van majoor, maar dat dit artikel niet uitsluit dat militairen met een hogere rang dan majoor ook recht hebben op compensatie voor structureel overwerk. Verder heeft eiser er op gewezen dat het gebruikelijk is dat civiele huisartsen een compensatie krijgen voor het verrichten van diensten in deze uren.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder de afwijzing van het verzoek om financiële compensatie voor het uitvoeren van werkzaamheden als huisarts in avond, nacht en weekend heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden

Wettelijk kader

Artikel 55 f, van het AMAR luidt:

Dit hoofdstuk (zijnde hoofdstuk 7 Werk- en rusttijden) en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair van 18 jaar en ouder die werkzaam is als medisch specialist, als huisarts of als sociaal geneeskundige en als zodanig staat geregistreerd in één van de registers van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, dan wel als tandheelkundig specialist en als zodanig staat ingeschreven in het specialistenregister van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.

Artikel 60a, van het AMAR luidt:

Indien de aard van de te verrichten diensten daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat de tijd, gedurende welke deze diensten worden verricht slechts voor een deel tot de arbeidsduur wordt gerekend.

Artikel 60c, van het AMAR luidt:

1. Ter zake van extra beslaglegging heeft de militair naar bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op een maandelijkse toelage, bestaande uit een percentage van de voor hem geldende bezoldiging per maand.

2. Aan de militair kan voorts naar bij ministeriële regeling te stellen regels worden toegekend:

a. een toelage voor het volgens een rooster regelmatig of vrij regelmatig verrichten van werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke tijdstippen, of;

b. een vergoeding over de tijd gedurende welke op hem een verplichting rust als bedoeld in de artikelen 56q, 58a, 58b, 58c, 58d en 60b, of;

c. een vergoeding voor de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, of;

d. een vergoeding voor meerdaagse activiteiten, met een duur van ten minste een etmaal, of;

e. een vergoeding voor het verrichten van diensten, of werkzaamheden, of meerdaagse activiteiten, op een dag als bedoeld in artikel 57a, eerste en tweede lid.

Op grond van bovengenoemde artikelen 60a en 60c van het AMAR (vallend onder paragraaf 12 van het Hoofdstuk 7 Werk- en rustijden van het AMAR) is de VROB vastgesteld.

Artikel 5, van de VROB luidt, voor zover hier van belang:

1. Aan de militair met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor, of met een lagere rang dan wel zonder rang wordt, voor het verrichten van werkzaamheden, ingeval hij dit regelmatig of vrij regelmatig volgens een rooster op ongebruikelijke uren doet, en anders dan bij wijze van overschrijding van het vastgestelde rooster en anders dan meerdaagse activiteiten, een vaste maandelijkse toelage toegekend.

2. Onverlet het eerste lid kan de Minister van Defensie functies aanwijzen waarvoor geldt dat de aanspraak op de toelage aan het eind van elke kalendermaand wordt vastgesteld, op basis van de in die maand door de militair daadwerkelijk verrichte werkzaamheden op ongebruikelijke uren.

Artikel 7, eerste lid, van de VROB luidt, voor zover hier van belang:

De periode dat de militair, met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor, of met een lagere rang dan wel zonder rang,:

a. consignatie als bedoeld in artikel 58a AMAR wordt opgelegd op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;

b. gedurende een pauze consignatie wordt opgelegd als bedoeld in artikel 56q AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen;

c. consignatie wordt opgelegd gedurende een aanwezigheidsdienst of piket als bedoeld in de artikelen 58b, 58c en 58d AMAR, op een schip, in een kazerne, in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld of een andere in dit verband door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen,

wordt herleid naar een vergoeding in vrije uren.

Artikel 8, eerste lid, van de VROB luidt:

Aan de militair met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor, of met een lagere rang dan wel zonder rang wordt, voor het verrichten van diensten, en voor varen, oefenen en bijzondere inzet, dat korter duurt dan een etmaal en voor het verrichten van functionele werkzaamheden een vergoeding voor overwerk in vrije uren toegekend, indien na de meetperiode blijkt dat daardoor de maximale arbeidsduur in de meetperiode is overschreden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat eiser de functie van hoofd stafgroep heeft in de rang van luitenant-kolonel en als zodanig als huisarts werkzaamheden verricht. Om zijn registratie als huisarts te behouden dient de militaire arts zijn ervaring in de verzorging van civiele populaties te onderhouden. In dit geval is daartoe een overeenkomst tussen een huisarts met een civiele praktijk, de zogenaamde gasthuisarts en de Koninklijke Luchtmacht opgesteld, waarin is opgenomen dat de militaire huisarts deelneemt aan de waarnemingen en gedurende twee dagdelen per werkweek werkt in de praktijk van de gasthuisarts. De waarnemingsregeling voor de avond-, nacht- en weekenddiensten betreft 20% van de diensten van de gasthuisarts. Eiser heeft verweerder verzocht om een financiële vergoeding van deze laatstgenoemde waarneminguren.

De rechtbank stelt vast dat artikel 5, eerste lid, artikel 7, eerste lid en artikel 8, eerste lid, van de VROB slechts van toepassing zijn voor een militair met een functie in de rang van majoor of een lagere rang. Uitgangspunt van de VROB is dat voor de functievervulling in hogere rangen deze vergoeding is opgenomen in de salariëring. Vast staat dat eiser de rang heeft van luitenant-kolonel. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser dientengevolge niet in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van de voornoemde artikelen. De rechtbank merkt op dat niet in geschil is dat eiser wel in aanmerking komt voor een vergoeding extra beslaglegging ingevolge artikel 4a van de VROB, voor welke vergoeding iedere militair in aanmerking komt. Deze vergoeding bedraagt een percentage van de bezoldiging.

De rechtbank stelt verder vast dat de VROB geen bepaling bevat die de mogelijkheid aan verweerder biedt om in het geval van bijzondere omstandigheden in afwijking van deze regeling een vergoeding toe te kennen. Verweerder heeft dan ook aan eisers betoog dat het niet redelijk is om aan hem een financiële compensatie te onthouden wegens de omstandigheid dat hij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op het contract met de gasthuisarts en de omstandigheid dat hij minder is gaan verdienen sinds zijn bevordering tot luitenant-kolonel - overigens is dit betoog onvoldoende door eiser onderbouwd - geen gevolgen kunnen verbinden.

Eiser heeft nog gesteld dat de VROB is verouderd en niet voorziet in zijn geval. De rechtbank overweegt dat de VROB een algemeen verbindend voorschrift is en dat de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van een wet niet mag beoordelen. Het uitgangspunt dat het bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften als de onderhavige in beginsel aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en dat de rechter het resultaat daarvan moet respecteren, lijdt slechts uitzondering indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige gebreken kleven, dat dit voorschift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten (Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 11 november 2004, nr. 03/4322 AW, gepubliceerd in TAR 2005, 26). In hetgeen eiser heeft gesteld kan de rechtbank onvoldoende grond vinden voor het oordeel dat aan de totstandkoming of inhoud van de artikelen 5, 7 en/of 8 van de VROB zulke ernstige gebreken kleven dat verweerder zijn besluit niet op genoemde artikelen had mogen baseren.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat de aan eiser gedane toezeggingen andere financiële aanspraken betreffen, waartoe eiser afzonderlijke verzoeken kan indienen. De vraag of eiser heeft mogen vertrouwen op deze aan hem gedane toezeggingen staat nu dan ook niet ter beoordeling aan de rechtbank.

Indien eisers betoog dat civiele huisartsen wel financieel gecompenseerd worden, dient te worden aangemerkt als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dient dit beroep te falen, reeds omdat eiser als militair een geheel andere rechtspositie heeft en er dan ook geen sprake is van gelijke omstandigheden tussen eiser en civiele huisartsen.

Eiser heeft nog gewezen op de overschrijding door verweerder van de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar. De rechtbank overweegt dat eiser hiertegen de voorhanden zijnde rechtsmiddelen had kunnen aanwenden, maar dit heeft nagelaten.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C. Fetter en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.R. Schouten-Korwa.