Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7164

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/4929 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft van eiseres de over de periode van 16 februari 1994 tot en met 31 maart 1997 verleende bijstand ten bedrage van ƒ 93.828,52 teruggevorderd. [...]

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres wegens schending van de informatieplicht ongegrond verklaard en het primaire terugvorderingsbesluit onder wijziging van gronden gehandhaafd.

Onderzoeksplicht gemeente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/4929 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 26 november 1993 is aan eiseres met ingang van 3 november 1993 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (oud) (hierna: ABW) toegekend, welke bij besluit van 1 april 1996 met ingang van 23 februari 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de op 1 januari van dat jaar in werking getreden nieuwe Algemene bijstandswet (hierna: Abw).

Bij besluit van 22 september 1998 heeft verweerder van eiseres de over de periode van 16 februari 1994 tot en met 31 maart 1997 verleende bijstand ten bedrage van ƒ 93.828,52 teruggevorderd.

Het tegen dit besluit bij brief van 29 oktober 1998 gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 16 maart 1999 ongegrond verklaard.

Het tegen dit besluit bij brief van 3 mei 1999 ingediende beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 23 februari 2000, bekend onder reg. nr. AWB 99/3874, gegrond verklaard.

Bij brief van 30 maart 2000 is door eiseres tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 18 februari 2003, reg. nr. 00/1625 NABW (gepubliceerd in RSV 2003, 87), is onder meer de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 1999 in stand zijn gelaten en is bepaald dat gedaagde (thans verweerder) een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB op 8 oktober 2003 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 19 november 2003, van gronden voorzien bij brief van 17 december 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 4 februari 2004 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 7 december 2004 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. van Leuveren, advocaat te Waddinxveen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum.

Feiten

Verweerder heeft van eiseres, die sinds 3 november 1993 een bijstandsuitkering ontvangt, een bedrag van ƒ 93.828,52 aan ten onrechte verstrekte bijstand teruggevorderd. In de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2003 die heeft geleid tot vernietiging van het besluit van 16 maart 1999, is de vraag of eiseres heeft kunnen beschikken over de achterstallige alimentatie en daarmee over middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw, negatief beantwoord. Voorts is bepaald dat verweerder ter beantwoording van de vraag of eiseres als gevolg van de toebedeling aan haar van de inboedel van de voormalige echtelijke woning over dergelijke middelen beschikte of kon beschikken, op basis van objectieve gegevens nader heeft te onderzoeken welke waarde de inboedel ten tijde van de boedelscheiding in het economisch verkeer heeft gehad en welk deel daarvan in de omstandigheden van eiseres als algemeen gebruikelijk en noodzakelijk moet worden beschouwd. Dit met inachtneming van het vrij te laten bescheiden vermogen ten tijde hier van belang. Blijkens het dossier heeft verweerder eiseres daartoe bij brief van 12 mei 2003 om overlegging verzocht van:

1. een inventarislijst van de inboedel ten tijde van de boedelscheiding;

2. opgave van de waarde van de op de inventarislijst voorkomende goederen;

3. gegevens van de inboedelverzekering ten tijde van de boedelscheiding, met name de verzekerde waarde van de inboedel;

4. opgave van de afkoopwaarde van de pensioenrechten;

5. opgave van eventuele overige bezittingen of schulden ten tijde van de boedelscheiding;

6. opgave van de reden waarom de waarde van de inboedel niet zodanig is vastgesteld dat de overbedeling gelijk was aan de alimentatievordering.

Bij brief van 12 mei 2003 heeft verweerder aan eiseres verzocht binnen vier weken een aantal stukken over te leggen. Bij brief van 2 juli 2003 is op haar verzoek deze termijn verlengd tot uiterlijk 11 augustus 2003.

Bij brief en faxbericht van 11 augustus 2003 heeft de gemachtigde van eiseres verweerders brief onder overlegging van de verzochte stukken beantwoord. Bij brief van 13 augustus 2003 heeft verweerder eiseres met betrekking tot haar inboedelverzekering om aanvullende informatie verzocht waarvoor een termijn van drie weken is gegund. Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres wegens schending van de informatieplicht ongegrond verklaard en het primaire terugvorderingsbesluit onder wijziging van gronden gehandhaafd.

Standpunten van partijen

Kort samengevat heeft eiseres het volgende aangevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij in overeenstemming met de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2003 heeft voldaan aan verweerders verzoek om inlichtingen. Het weer aan de orde te stellen van het echtscheidingsconvenant alsmede de achterstallige alimentatie door verweerder acht eiseres in strijd met deze uitspraak. Het in het vooruitzicht stellen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 14 van de Abw is evenmin daarmee in overeenstemming. De door eiseres aan verweerder opgegeven waarde van de inboedel betreft de waarde ten tijde van de boedelscheiding, en niet, zoals verweerder ten onrechte meent, die per 1 augustus 2003. Zij heeft tevens een opgave van de verzekerde waarde aan verweerder verstrekt. Eiseres heeft in verband met de terugtrekking van haar toenmalige gemachtigde niet tijdig op verweerders brief van 13 augustus 2003 kunnen reageren. Zij was van het bestaan van deze brief, die verweerder alleen aan haar toenmalige gemachtigde heeft verzonden, niet op de hoogte.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting het standpunt van eiseres gemotiveerd bestreden.

Wettelijk kader

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient in het onderhavige geval, nu het beroepschrift vóór de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW, is de persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend verplicht om van al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting van verleende bijstand mededeling te doen, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.

Artikel 57 van de ABW bepaalt dat de kosten van bijstand van de betrokkene worden teruggevorderd:

a. indien de bijstand is verleend op grond van zijnerzijds verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen;

(…)

d. indien gedurende de bijstandsverlening de verplichting bedoeld in artikel 30, tweede lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen;

Artikel 58, tweede lid, van de ABW, luidt: kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, worden van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt. Voor zover die middelen overeenkomstig artikel 7 buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking van de betrokkene zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege.

Artikel 53, eerste lid, van de Abw, bepaalt dat de waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.

Artikel 65, eerste lid, van de Abw, bepaalt dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw, onverminderd het elders in de Abw bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, herzien burgemeester en wethouders, een dergelijk besluit of trekken zij dat in indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw, bepaalt dat de bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Ingevolge artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw, worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

Volgens artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dient de beslissing te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht het besluit van 22 september 1998 onder wijziging van de wettelijke grondslag heeft gehandhaafd.

Daartoe stelt de rechtbank allereerst vast dat verweerder op grond van de uitspraak van CRvB van 18 februari 2003 gehouden was opnieuw op het bezwaar van eiseres van 29 oktober 1998 te beslissen. Ingevolge die uitspraak diende verweerder vast te stellen welke economische waarde de inboedel van eiseres ten tijde van de boedelscheiding bezat. Daarnaast werd verweerder opgedragen te bepalen welk gedeelte van de vastgestelde waarde in de omstandigheden van eiseres als algemeen gebruikelijk en noodzakelijk moest worden beschouwd. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de opdracht door de CRvB aan verweerder is gegeven.

Verweerder heeft, ter uitvoering van de hem opgedragen onderzoeksplicht, eiseres om overlegging van een aantal stukken verzocht. Op grond van de op haar rustende inlichtingenplicht was eiseres gehouden aan dit verzoek gevolg te geven voor zover dat in haar vermogen lag. Bij brief van 11 augustus 2003 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder een aantal stukken overgelegd te weten een inventarislijst van de inboedel met aanduiding van de waarde ervan in guldens, een verzekeringsopgave van Zwitser Leven met betrekking tot de pensioenrechten van eiseres, alsmede een afschrift van het polisblad van de bij de Zwolsche Algemeene afgesloten inboedelverzekering. Verweerder heeft bij brief van 13 augustus 2003 om aanvullende bewijsstukken verzocht. Op dit schrijven is, naar eiseres in beroep heeft verklaard, buiten haar weten om door haar toenmalige gemachtigde niet gereageerd. Zij heeft aangegeven de door haar bij de verzekeringsmaatschappij opgevraagde bescheiden, die haar eerst op 24 september 2003 zijn toegezonden, alsnog bij faxbericht van 26 september 2003 aan verweerder te hebben gestuurd. Dit is door verweerder niet bestreden. Ook onweersproken is gebleven dat eiseres de documenten op 14 oktober 2003 (nogmaals) persoonlijk bij de gemeente heeft afgegeven. Verweerder had derhalve alvorens op het bezwaar te beslissen in ieder geval kennis kunnen nemen van het faxbericht en had naar het oordeel van de rechtbank bij het nemen van de beschikking op bezwaar de inhoud ervan mee moeten laten wegen.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het door de CRvB aan hem opgedragen onderzoek niet zorgvuldig en in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak heeft uitgevoerd. De wijze waarop verweerder zich van deze taak heeft gekweten komt neer op een volledige afwenteling van de bewijslast op eiseres. Van eiseres mag weliswaar op grond van de op haar rustende inlichtingenplicht de nodige medewerking worden verlangd, maar deze gaat niet zo ver dat verweerders eigen onderzoeksverplichting volledig wordt uitgehold. Van verweerder had in dit geval derhalve een actievere houding mogen worden verwacht. Het volstaan met het opvragen van de verzekerde waarde van de inboedel bij voorbeeld, is daartoe onvoldoende. Bovendien leert de ervaring dat een inboedelverzekering in de regel tegen de vervangingswaarde van de goederen wordt afgesloten, welke zelden overeenkomt met de waarde daarvan in het economische verkeer. In dit verband had een professionele taxateur wellicht uitkomst kunnen bieden. Voor de beantwoording van de vraag welk gedeelte van de inboedel gezien de omstandigheden van eiseres als algemeen gebruikelijk en noodzakelijk moet worden beschouwd, was het afleggen van een huisbezoek wellicht raadzaam geweest.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen grond voor verweerders standpunt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Weliswaar heeft eiseres. mede ten gevolge van een voor haar risico komende nalatigheid van haar eerdere gemachtigde, niet alle verlangde gegevens tijdig kunnen overleggen, maar zij heeft voldoende aangetoond dat zij zoveel mogelijk aan verweerders verzoeken heeft voldaan. Eiseres mag dan niet in staat zijn gebleken aankoopbonnen of garantiebewijzen over te leggen, maar nu haar inboedel tenminste tien jaar oud mag worden verondersteld is het naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk van belanghebbenden te verlangen dat zij gedurende een zodanig lange periode deze documenten bewaren. De documenten die eiseres wel aan verweerder heeft kunnen verschaffen heeft zij ook daadwerkelijk overgelegd. Verweerders standpunt dat de waarde van de inboedel niet kan worden vastgesteld vanwege de schending van de inlichtingenplicht door eiseres, is derhalve, mede gezien hetgeen hiervoor reeds werd overwogen, niet houdbaar.

Nu de schending van de inlichtingenplicht door eiseres niet is komen vast te staan, was verweerder gezien artikel 57, aanhef en onder a en d, van de ABW, alsmede artikel 69, derde lid, van de Abw, en artikel 81, eerste lid, van de Abw, niet bevoegd de aan eiseres verleende bijstand op de in het bestreden besluit genoemde gronden terug te vorderen. Hier komt nog bij dat verweerder aan de intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering ervan over de periode van 23 februari 1996 tot en met 31 maart 1997 ten onrechte artikel 69, derde lid, en artikel 81, eerste lid, van de Abw, ten grondslag heeft gelegd. Deze bepalingen zijn eerst op 1 juli 1997 in werking getreden en zijn niet op het onderhavige geval van toepassing.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en het niet berust op een deugdelijke motivering. Het besluit zal derhalve wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd.

Wellicht ten overvloede zij nog overwogen dat de heroverweging in bezwaar als gevolg van genoemde uitspraak van de CRvB beperkt was tot de beantwoording van de vraag of eiseres als gevolg van de toebedeling van de inboedel van de voormalige echtelijke woning over middelen beschikte of kon beschikken zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de ABW, en artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. De uitspraak van de CRvB biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er buiten het beantwoorden van de evengenoemde vraag nog ruimte zou zijn voor de beoordeling van de overige feiten en omstandigheden, zoals door verweerder ter zitting is bepleit.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00, te weten € 322,00 voor het indienen van het beroepschrift en € 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2003 en draagt verweerder op met inachtneming van de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2003 (00/1625 NABW) een nieuw besluit te nemen;

3. bepaalt dat de rechtspersoon de gemeente Gouda aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 31,00, vergoedt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.I. Blok-Bitter en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2005, in tegenwoordigheid van mr. W. Goederee als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: