Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7162

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/4113 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiseres medegedeeld dat zij verplicht is het loon van haar werkneemster [derde] door te betalen gedurende vier maanden, in de periode van 11 februari 2004 tot en met 11 juni 2004, omdat zij onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Art. 8 Wet REA. I.c. staat niet vast dat werkneemster niet zou kunnen reïntegreren bij werkgeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 04/4113 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

Maatschap [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Derdepartij: [derde] (werkneemster)

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij verplicht is het loon van haar werkneemster [derde] (hierna te noemen: de werkneemster) door te betalen gedurende vier maanden, in de periode van 11 februari 2004 tot en met 11 juni 2004, omdat zij onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 13 augustus 2004, door verweerder ontvangen op 16 augustus 2004, heeft eiseres de gronden van het bezwaar aangevuld. Deze gronden heeft verweerder niet kunnen betrekken bij de beslissing op bezwaar.

Tegen het besluit van 13 augustus 2004 heeft eiseres bij brief van 24 september 2004, bij de rechtbank ingekomen op 27 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 maart 2005, bij de rechtbank binnengekomen op 15 maart 2005, heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld. Namens verweerder is ter zitting bezwaar gemaakt tegen het binnen de in artikel 8:58 van de Awb genoemde termijn van 10 dagen indienen van dit stuk voor wat betreft daarin onder II is aangevoerd. De rechtbank laat hetgeen onder II is aangevoerd dan ook buiten beschouwing.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 maart 2005 ter zitting behandeld.

Namens eiseres is, met bericht, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Pouwelse. De derdepartij is niet verschenen.

Motivering

De werkneemster van eiseres is op 12 februari 2003 uitgevallen wegens ziekte.

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om aan eiseres een verplichting tot loondoorbetaling op te leggen voor de werkneemster.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft betracht. Het reïntegratieproces is gestagneerd omdat beperkingen van de werkneemster onvoldoende zijn onderkend en er geen sprake is geweest van bijstellingen in de probleemanalyse en het plan van aanpak. Het had naar het oordeel van verweerder op de weg van eiseres gelegen om, al dan niet in overleg met de Arbo-dienst, een arbeidsdeskundige in te schakelen teneinde de arbeidsmogelijkheden van de werkneemster in ander werk bij een andere werkgever te onderzoeken (het zogenaamde 2e spoor). Dit spoor had al in juni 2003 ingezet dienen te worden. Toen was immers al duidelijk dat de mogelijkheden voor werkhervatting in het eigen werk zeer beperkt waren en ook passende arbeid bij eiseres niet voorhanden was.

Eiseres heeft aangevoerd dat reïntegratie bij een andere werkgever geen verplichting was, nu de wettelijke bepaling waarin deze verplichting is opgenomen, te weten artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek, pas op 1 januari 2004 in werking is getreden. Eiseres heeft hiertoe verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 14 mei 2004 (LJN AP1576). Op grond hiervan had dan ook door verweerder geen sanctie opgelegd kunnen worden.

Voorts heeft verweerder de sanctie opgelegd voordat is vastgesteld dat de werkneemster arbeidsongeschikt was en voordat bekend was of sprake was van een normovertreding door eiseres. Dit is in strijd met artikel 71a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waarin is bepaald dat verplichtingen worden opgelegd aan de werkgever, jegens wie de werknemer, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon of bezoldiging.

Een minimale sanctie van een loondoorbetalingsverplichting van vier maanden is volgens eiseres in strijd met artikel 71a, negende lid WAO en de beginselen van het (reparatoire) sanctierecht. De Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter zijn dan ook in strijd met de wet en zijn daardoor onverbindend. Hiertoe verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 25 mei 2004 (03/4067 WAO).

Voorts heeft de loondoorbetalingsverplichting naar de mening van eiseres het karakter van een punitieve sanctie. Dit levert strijd op met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

In casu is voorts geen sprake van een verzuim van de werkgever, terwijl de sanctie is bedoeld voor werkgevers die zich laks opstellen.

In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in het tweede spoor ook is geregeld in de artikelen 8 en 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) juncto artikel 7.10 van de Regeling Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI). De Wet REA is op 1 januari 2002 in werking getreden.

Door het systeem van de wet kan de werkgever na 1 januari 2004 de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie in het tweede spoor van zijn tussen 1 januari 2002 en 1 januari 2003 arbeidsongeschikt geworden werknemer niet meer overdragen aan het UWV. Nu de werkneemster op 12 februari 2003 arbeidsongeschikt is geworden, was eiseres verantwoordelijk voor de reïntegratie van de werkneemster in het eerste spoor en, bij gebrek aan mogelijkheden daartoe, in het tweede spoor.

Verweerder is van oordeel dat de loondoorbetalingsverplichting een reparatoir karakter draagt. De norm is gericht op het voorkomen van het intreden van het verzekerd risico en het beperken van de schade. Daarmee ligt de norm in de sfeer van een “civil obligation”.

De omvang van de sanctie staat in verhouding tot de omvang van de benadeling die verweerder zou lijden bij het uitkeren van een WAO-uitkering waarop de werknemer onnodig een beroep doet bij het verrichten van onvoldoende reïntegratie-inspanningen door de werkgever.

Verweerder gaat er voorts van uit dat de werkgever de sanctieduur van vier maanden nodig heeft om de reïntegratie in gang te zetten. Ook is de periode van vier maanden nodig, omdat verweerder dertien weken nodig heeft voor de beoordeling van het reïntegratieverslag en eventueel de claimbeoordeling.

In de aanvullende gronden van het beroep onder III heeft eiseres aangevoerd dat pas bij de eindrapportage van De Gezonde Zaak duidelijk was dat het 1e spoor, hervatting van werkzaamheden bij eiseres, niet meer tot de mogelijkheden behoorde.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verplichting van de werkgever om reïntegratie-inspanningen te verrichten is onder meer opgenomen in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA). Ook is de verplichting opgenomen in artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek. De bepaling in het Burgerlijk Wetboek regelt de verhouding tussen de werkgever en de werknemer (en leidt ertoe dat de werknemer bij de kantonrechter kan afdwingen dat de werkgever zich aan de verplichting houdt) en de Wet REA regelt de verhouding tussen de werkgever en verweerder.

Ingevolge artikel 8, eerste lid Wet REA bevordert de werkgever ten aanzien van zijn werknemer die wegens ziekte of gebrek niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling van de arbeid in zijn bedrijf en indien vaststaat dat in zijn bedrijf voor deze werknemer geen passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever de inschakeling van deze werknemer in de arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

Deze laatste verplichting is op 1 januari 2002 opgenomen in deze wetsbepaling.

Gelet op de Overgangsbepaling reïntegratieverantwoordelijkheid werkgever in het tweede spoor, opgenomen in artikel 7.10 van de Regeling SUWI, is de werkgever verantwoordelijk voor de reïntegratie in het 2e spoor indien de werknemer ziek is geworden na 1 januari 2003.

Nu de werkneemster ziek is geworden op 12 februari 2003 was eiseres, gelet op het bovenstaande, verplicht zonodig te bevorderen dat de werkneemster zou worden ingeschakeld in het bedrijf van een andere werkgever.

Eiseres heeft aangevoerd dat pas bij de eindrapportage van De Gezonde Zaak bleek dat de werkneemster blijvende beperkingen zou houden, waardoor het 1e spoor niet meer tot de mogelijkheden behoorde.

Verweerder heeft in het bestreden besluit opgenomen dat reeds in juni 2003 duidelijkheid was over het niet kunnen hervatten in het eigen werk, nu de werkneemster in juni 2003 gedurende twee dagen 1 ½ uur heeft gewerkt en eiseres niet meer uur aangepast werk beschikbaar had en dat werkneemster nog een keer drie uur heeft gewerkt.

Zoals hierboven reeds is aangegeven, dient ingevolge artikel 8 Wet REA de werkgever te bevorderen dat de werknemer in zijn bedrijf andere werkzaamheden verricht en, indien vaststaat dat in zijn bedrijf voor deze werknemer geen passende arbeid voorhanden is, de inschakeling van de werknemer te bevorderen in de arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

De rechtbank overweegt dat uit de haar beschikbare stukken blijkt dat op de werknemerinformatiekaart op 8 april 2003 is aangetekend:

Vorige week heeft de werkneemster 2 keer 1 ½ uur aangepast werk gedaan. Verder had de werkgever geen aangepast werk voor haar. Gisteren heeft zij 3 uur gewerkt. Ze mag wel doorgaan met aangepast werk. Indien er alleen repeterend werk is dan is 1 ½ uur werken per dag voorlopig nog maximaal.

Uit de beschikbare stukken volgt niet dat reeds in juni 2003 duidelijk was dat de werkneemster niet in het eigen werk zou kunnen terugkeren en dat eiseres geen aangepaste werkzaamheden had voor de werkneemster. Uit het rapport van De Gezonde Zaak d.d. 19 juni 2003 blijkt zulks in ieder geval niet. In de Probleemanalyse d.d. 23 september 2003 staat dat de werkneemster momenteel niet belastbaar is voor het eigen werk, maar dat de verwachting is dat zij na medisch herstel weer in het eigen werk zal kunnen hervatten. Dit is eveneens opgenomen in de Probleemanalyse van 29 oktober 2003.

Verweerder heeft de beslissing op bezwaar gebaseerd op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige d.d. 10 mei 2004. Hierin is vermeld dat in juni 2003 getracht is de werkneemster bij eiseres te laten hervatten in passend werk, hetgeen niet gelukt is.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat kennelijk gedurende een week in april 2003 is getracht de werkneemster te laten hervatten in aangepast werk geen rechtvaardiging voor de conclusie dat het niet is gelukt de werkneemster te laten hervatten in passend werk. Bovendien blijkt niet dat eiseres structureel onvoldoende aangepast werk voor de werkneemster had.

Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering dan ook niet volgen dat reeds in juni 2003 vaststond dat de werkneemster niet bij eiseres zou kunnen reïntegreren.

Ter zitting is namens verweerder betoogd dat de arbo-arts in de Probleemanalyses heeft miskend dat in juni 2003 duidelijk was dat de werkneemster niet bij eiseres zou kunnen reïntegreren. Ook dit betoog acht de rechtbank onvoldoende overtuigend. Het enkele feit dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige achteraf anders hebben geoordeeld, maakt niet dat het de arbo-arts destijds duidelijk had moeten zijn dat toen reeds vaststond dat het 2e spoor ingeslagen had moeten worden.

Nu het beroep reeds om deze reden gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden.

Gelet op het voorgaande is verweerders motivering in het bestreden besluit ondeugdelijk. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht ad € 273,- aan haar te vergoeden.

Verweerder wordt voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift) 1 punt wordt toegekend.

Beslissing

De Rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op, binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 273,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,-, welk bedrag het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D. Allewijn en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. van der Putten.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank ’s-Gravenhage,

Verzonden op: