Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7143

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/10687
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / gewijzigde situatie.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat, gelet op de val van het Talibanbewind, geen aanleiding meer bestaat nader in te gaan op de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de zijde van de Taliban. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit niet beoordeeld of eiser ten tijde van het nemen van het primaire besluit, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van dit primaire besluit en gelet op hetgeen in bezwaar door eiser is aangevoerd, op grond van de door hem ondervonden problemen van de zijde van de Taliban in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw 2000. Aldus heeft verweerder zich niet kenbaar rekenschap gegeven van de mogelijke onrechtmatigheid van het primaire besluit en de consequenties daarvan voor eisers rechtspositie. Bezien in het licht van hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen, lijdt het bestreden besluit in zoverre dan ook aan een motiveringsgebrek. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 03/10687

Datum uitspraak: 23 februari 2005

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1950,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. L.M. Straver,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.N.H.W. Vermeulen-Smeekens,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 14 september 2000 heeft eiser toelating als vluchteling gevraagd. Bij besluit van 1 maart 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiser heeft daartegen op 15 maart 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 18 februari 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 april 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.J.L. van Bokhoven. Tevens is een tolk verschenen.

Op 21 juni 2004 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. De openbare behandeling ter zitting is voortgezet op 20 december 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Elkhannaji. Tevens is een tolk verschenen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aangezien de Vreemdelingenwet 2000 in werking is getreden voordat op het bezwaar was beslist, heeft verweerder (terecht) bezien of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

4. Tijdens het nader gehoor van 24 november 2000 en 1 december 2000 heeft eiser, ter onderbouwing van zijn aanvraag, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser heeft journalistiek gestudeerd aan de Universiteit van Kabul. Hij heeft jarenlang als journalist bij de radio gewerkt. In 1992 of 1993 is hij hoofd van de directie informatie en cultuur van de radio en televisie te Kabul geworden. Op 26 september 1996 arriveerde de Taliban in Kabul. Enkele dagen nadat de Taliban Kabul had veroverd, werd eiser thuis opgehaald door twee gewapende mannen en de bewaker van het gebouw van de televisie en naar het televisiegebouw gebracht. Daar werd meegedeeld dat de medewerkers voortaan voor de nieuwe regering moesten gaan werken. Na enige tijd onder het nieuwe regime te hebben gewerkt, werd eiser, aangezien er wantrouwen jegens hem bestond, gedegradeerd tot provinciaal verslaggever. Enige tijd later kwamen drie gewapende mannen naar de woning van eiser. Zij hebben onder andere de televisie en boeken van eiser vernield. Eiser werd door deze mannen naar het uitzendgebouw van de radio gebracht en vervolgens naar een commandopost van de Taliban. Hij werd ervan beschuldigd met anderen een complot te beramen om de hoogste baas van de radio om het leven te brengen. Verder werd hij beschuldigd van sabotage en werd tegen hem gezegd dat hij zijn vrouw geen toestemming had mogen geven te gaan werken bij de televisie. Eiser werd vervolgens opgesloten in een cel. Na twee dagen met rust te zijn gelaten, werd hij verhoord en mishandeld. Na enkele dagen is hij overgebracht naar het huis van bewaring Sedarat. Daar werd hij verhoord en beschuldigd van onder meer lidmaatschap van de DVPA en het verrichten van activiteiten voor het communistische regime. Nadat eiser een hartaanval had gekregen, is hij door bewakers naar het ziekenhuis gebracht. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis heeft hij een bewaker omgekocht en is hij, in februari 1997, ontsnapt. Vervolgens is hij naar Kabul gegaan. Na een maand en drie dagen in Kabul te hebben verbleven, is eiser met zijn gezin naar hun huis in B gegaan. Nadat de Taliban B had veroverd, is eiser uit zijn huis gevlucht en ondergedoken bij een vriend in B. Eiser hoorde dat de Taliban zijn huis had doorzocht en besloot hierop zijn land van herkomst te verlaten. Uiteindelijk heeft hij Afghanistan op 2 september 2000 verlaten. Tijdens het gehoor door de ambtelijke commissie op 4 december 2002 heeft eiser verklaard dat hij na de val van de Taliban nog steeds vreest voor problemen bij terugkeer naar zijn land van herkomst. In het noorden van Afghanistan, het gebied waar eiser vandaan komt, zijn de fundamentalisten immers nog steeds aan de macht, aldus eiser. Tevens heeft eiser tijdens dit gehoor aangevoerd dat hij in Nederland een medische behandeling ondergaat, die niet voorhanden is in Afghanistan.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, kort samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Gelet op de val van het Talibanregime in Afghanistan, bestaat geen aanleiding meer nader in te gaan op de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de zijde van de Taliban. Voorts kan het communistisch verleden van eiser, gelet op de informatie die is neergelegd in het Algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002, niet leiden tot de conclusie dat hij heeft te vrezen voor vervolging in Afghanistan of dat zijn terugkeer een schending van het bepaalde in artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou betekenen. Voor zover eiser zich beroept op het gedrag van de huidige machthebbers in het verleden en de huidige onzekere toestand in Afghanistan, betreft dit een beroep op de algehele situatie in het land van herkomst, hetgeen evenmin kan leiden tot toelating als vluchteling of tot toelating op grond van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Verder komt eiser niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid, nu uit zijn verklaringen niet blijkt dat sprake is van één van de gebeurtenissen genoemd in dit beleid. In dit verband is tevens van belang dat de gestelde mishandelingen door de Taliban, gelet op het tijdsverloop tussen deze mishandelingen en eisers vertrek uit het land van herkomst, geen aanleiding voor zijn vertrek zijn geweest. Tot slot is een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan, gelet op de informatie die is vervat in het voornoemde ambtsbericht van 19 augustus 2002, niet geïndiceerd, aldus verweerder. In het verweerschrift heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde medische problemen geen aanleiding geven voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM.

6. Eiser heeft in beroep, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of eiser, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van het primaire besluit, in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. In dit verband is vooral van belang dat in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/39 is bepaald, dat de wijziging van de situatie in Afghanistan niet leidt tot intrekking van eerder verleende verblijfsvergunningen asiel op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000 en hetgeen in de Memorie van Toelichting op de Awb (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 145) is bepaald ten aanzien van de bezwaarprocedure. Eiser is van mening dat zijn relaas, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van het primaire besluit, voldoende zwaarwegend is voor toelating als vluchteling dan wel voor toelating op grond van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Voor zover bij de beoordeling wordt uitgegaan van de huidige situatie in Afghanistan, stelt eiser zich eveneens op het standpunt dat hetgeen hij heeft aangevoerd, zou moeten leiden tot verlening van een verblijfsvergunning in verband met het bepaalde in het Verdrag dan wel het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Voorts is eiser van mening dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft getoetst of zijn terugkeer naar Afghanistan, gelet op de in bezwaar aangevoerde medische problemen, tot een schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM zal leiden. Tevens stelt eiser dat de gestelde detentie en mishandeling door de Taliban kunnen worden aangemerkt als gebeurtenissen in de zin van het traumatabeleid en dat deze gebeurtenissen wel reden voor zijn vertrek zijn geweest. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het voeren van een beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Afghaanse asielzoekers.

7. Allereerst overweegt de rechtbank dat de bezwaarschriftprocedure is bedoeld als een volledige heroverweging, uitgaande - in beginsel - van de feitelijke situatie en het rechtsregime op het moment dat het besluit op bezwaar wordt genomen. In zoverre heeft verweerder in het bestreden besluit terecht getoetst of eiser, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van dit besluit, in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers relaas, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, onvoldoende zwaarwegend is voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat, gelet op de val van het Taliban-regime, niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst problemen zal ondervinden van de zijde van de Taliban. Tevens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het communistische verleden van eiser en het gegeven dat hij lange tijd als journalist werkzaam is geweest, niet tot de conclusie kunnen leiden dat hij bij terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling of bestraffing. In dit verband heeft verweerder van belang kunnen achten dat, mede bezien in het licht van de informatie vervat in het voornoemde ambtsbericht van 19 augustus 2002 en het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 november 2003, welk ambtsbericht de rechtbank ingevolge het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling betrekt, niet is gebleken dat eiser vanwege zijn verleden als journalist en zijn communistische verleden behoort tot een zogenaamde risicogroep. Gesteld noch gebleken is immers dat eiser zich kritisch heeft uitgelaten ten opzichte van de huidige regering in Afghanistan. De door eiser in dit verband in beroep overgelegde documenten, welke documenten de rechtbank eveneens ingevolge het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling betrekt, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Deze documenten betreffen immers (algemene) informatie die niet specifiek op de persoon van eiser ziet.

9. Het uitgangspunt dat verweerder in bezwaar in beginsel kan beslissen op grond van de feiten en het recht dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, brengt echter niet mee dat verweerder zich in dit geval bij de heroverweging in het kader van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, geen rekenschap diende te geven van de (eventuele) onrechtmatigheid van het primaire besluit en de consequenties daarvan voor de rechtspositie van eiser. Voor eiser is in dit verband van belang dat in TBV 2002/39, waarin het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende beleid is neergelegd, is bepaald dat verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, die eerder (vóór de val van het Talibanregime) zijn verleend op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, niet worden ingetrokken vanwege de gewijzigde situatie in Afghanistan na de val van het Talibanregime. De rechtbank is overigens van oordeel dat het voorgaande niet het gevolg is van de door eiser aangehaalde passage in de Memorie van Toelichting op de Awb. Deze passage ziet immers op de situatie dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet, na vernietiging van een besluit op bezwaar omdat het besluit, inhoudende de weigering een vergunning te verlenen, op ondeugdelijke gronden berust. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat, gelet op de val van het Talibanbewind, geen aanleiding meer bestaat nader in te gaan op de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de zijde van de Taliban. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit niet beoordeeld of eiser ten tijde van het nemen van het primaire besluit, uitgaande van de situatie in Afghanistan ten tijde van het nemen van dit primaire besluit en gelet op hetgeen in bezwaar door eiser is aangevoerd, op grond van de door hem ondervonden problemen van de zijde van de Taliban in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ingevolge het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Aldus heeft verweerder zich niet kenbaar rekenschap gegeven van de mogelijke onrechtmatigheid van het primaire besluit en de consequenties daarvan voor eisers rechtspositie. Bezien in het licht van hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen, lijdt het bestreden besluit in zoverre dan ook aan een motiveringsgebrek.

11. Reeds gezien het voorgaande is het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Hetgeen verweerder overigens heeft overwogen en hetgeen eiser hier tegenin heeft gebracht, behoeft derhalve geen bespreking. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 29 januari 2003;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen, als voorzitter en mr. drs. M.E. Snijders en mr. C.G. Peper, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 23 februari 2005 in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten als griffier.

de griffier? de voorzitter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.