Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7131

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
AWB 05/19108, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Azerbeidzjan / etnisch Armeniërs / tweede aanvraag / WBV 2005/4 / inherente afwijkingsbevoegdheid.

Voorzover verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoekers, etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan, geen rechten kunnen ontlenen aan WBV 2005/4 omdat zij zich in Azerbeidzjan staande hebben kunnen houden, oordeelt de rechter dat verweerder daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. Uit de tekst en de strekking van het WBV volgt immers dat relevant is of betrokkenen in Azerbeidzjan staan geregistreerd. Verzoekers, die van 1992 tot 1999 in Azerbeidzjan in de kelder van een woning ondergedoken hebben gezeten, hebben onder verwijzing naar het ambtsbericht van 13 juli 2004 aangevoerd dat hun onderduiksituatie is gelijk te stellen aan een vertrek naar het buitenland en dat zij daarom door de Azerbeidzjaanse autoriteiten zijn gederegistreerd. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechter onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid en waarom WBV 2005/4 niet ook van toepassing kan worden verklaard op verzoekers. Dit klemt te meer daar uit WBV 2005/4 volgt dat etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan die zijn vertrokken voor 1994 niet als geïntegreerd met de Azerbeidzjaanse samenleving kunnen worden beschouwd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat dit niet ook voor verzoekers zou gelden, nu verzoekers immers sinds 1992 ondergedoken hebben gezeten en daardoor niet langer daadwerkelijk deel hebben uitgemaakt van de Azerbeidzjaanse samenleving. Blijkens WBV 2005/4 wordt het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach niet tegengeworpen aan etnisch Armeniërs die vanaf 1988 tot en met 1992 zijn vertrokken uit Azerbeidzjan, indien zij aan een drietal cumulatieve voorwaarden voldoen. Verweerder dient derhalve eerst te toetsen of verzoekers aan die voorwaarden voldoen, alvorens hun het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach te kunnen tegenwerpen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen hetgeen omtrent de inherente afwijkingsbevoegdheid is overwogen. Gelet op de beleidswijziging van WBV 2005/4 brengt de omstandigheid dat Nagorny Karabach in de eerste asielprocedure van verzoekers is geaccepteerd als binnenlands vestigingsalternatief bovendien niet zonder meer met zich dat het binnenlands vestigingsalternatief ook thans aan hen kan worden tegengeworpen.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummers: Awb 05/19108 en Awb 05/19112 (verzoek)

Awb 05/19106 en Awb 05/19111 (beroep)

Datum uitspraak: 19 mei 2005

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaken van

A,

geboren op [...] 1938,

v-nummer 200.743.8919,

verzoeker,

en

B,

geboren op [...] 1941,

v-nummer 200.743.8920,

verzoekster,

beiden van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

tezamen verzoekers,

gemachtigde mr. drs. L.J. Blijdorp,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.H.H. Arts,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 21 april 2005 hebben verzoekers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Bij besluiten van 27 april 2005 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoekers hebben daartegen op 27 april 2005 beroep ingesteld.

Bij evenbedoelde besluiten heeft verweerder tevens ambtshalve besloten verzoekers niet op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

Verzoekers hebben daartegen op 10 mei 2005 bezwaar gemaakt.

Verzoekers is medegedeeld dat zij de behandeling van de beroepen niet in Nederland mogen afwachten. Bij verzoekschriften van 27 april 2005 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op de beroepen is beslist.

Openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 mei 2005. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onder-zoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Op 14 december 1999 hebben verzoekers aanvragen gedaan om toelating als vluchteling. Bij besluiten van 18 december 1999 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Die besluiten staan in rechte vast.

Verweerder heeft de onderhavige aanvragen in verband daarmee opgevat als aanvragen in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4. Verzoekers zijn etnisch Armeniërs, afkomstig uit Azerbeidzjan. Zij hebben zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat zij alles in het werk hebben gesteld om documenten te verkrijgen om (via Armenië) te kunnen terugkeren naar Azerbeidzjan of Nagorny Karabach, aangezien hun in de eerste asielprocedure een vestigingsalternatief in Nagorny Karabach was tegengeworpen. Verzoekers krijgen de benodigde documenten echter niet en kunnen dus niet terugkeren naar Azerbeidzjan.

Ter ondersteuning van hun aanvragen verwijzen verzoekers naar de volgende documenten:

1) een verklaring van de Armeense ambassade in Brussel van 6 februari 2004;

2) een getuigenverklaring van O.E. Vleeshouwer met betrekking tot een bezoek van verzoekers aan het Armeense consulaat in Amsterdam op 17 juni 2004;

3) een verklaring met betrekking tot de melding van het verlies van het Russische paspoort van verzoekers;

4) de geboorteakte van verzoeker;

5) aanvraagformulieren voor een paspoortvervangend document, door verzoekers ingevuld op verzoek van de IND;

6) een brief van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) van 15 maart 2005;

7) een ondersteunende brief van VluchtelingenWerk Nederland van 4 april 2005;

8) informatie over Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/4;

9) een kopie van een brief die verzoekers hebben gezonden aan de Azerbeidzjaanse ambassade in Berlijn;

10) een kopie van een brief van 17 maart 2004 die verzoekers hebben gezonden aan het gemeentehuis in C in Azerbeidzjan;

11) een brief van het Leger des Heils aan de IND van 31 maart 2005;

12) een brief van Nederlandse vrienden van verzoekers;

13) een drietal krantenartikelen over de situatie in Azerbeidzjan en over het rapport “Geen pardon maar terugkeer” van VluchtelingenWerk;

14) een rapport van de UNHCR van april 2003 over gemengd gehuwden uit Azerbeidzjan en hun toelating tot Armenië;

15) medische rapportages met betrekking tot verzoeker.

5. Ter zitting is namens verzoekers verklaard dat de primaire reden voor het indienen van de onderhavige aanvragen was het verschijnen van WBV 2005/4. WBV 2004/5 betreft, zoals ter zitting ook door verweerder is erkend, nieuw beleid. Gelet hierop ziet de rechter allereerst aanleiding te beoordelen of verzoekers aanspraken kunnen ontlenen aan WBV 2005/4.

6. WBV 2005/4 is bedoeld als een verduidelijking van het beleid voor de groep van etnisch Armeniërs die in de periode 1988 tot en met 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken. Onder bepaalde (cumulatieve) voorwaarden, hierna in rechtsoverweging 10 opgesomd, wordt aan deze groep geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in Nagorny Karabach of buitenlands vestigingsalternatief in Armenië tegengeworpen. Indien een etnisch Armeniër, afkomstig uit Azerbeidzjan, aan bedoelde voorwaarden voldoet, kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

7. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij vanaf 1992 tot aan hun vertrek naar Nederland in 1999 in Azerbeidzjan ondergedoken hebben gezeten in de kelder van een woning. Verzoekers menen dat zij als gevolg hiervan door de Azerbeidzjaanse autoriteiten zijn gederegistreerd, zodat zij geen documenten kunnen verkrijgen. Zij verwijzen hiertoe naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juli 2004. Daarin staat vermeld dat “de Azerbeidzjaanse autoriteiten in de periode tussen 1992 en 1994 (met name in 1993) op grote schaal Azerbeidzjanen van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens was, hebben gederegistreerd, voornamelijk uit het centrale paspoortregister. Dit was een eenmalige actie. Wel was het ook in latere jaren gebruikelijk personen waarvan na controle was gebleken dat ze reeds langere tijd niet meer woonachtig waren op het geregistreerde adres (veelal personen die uit Azerbeidzjan gevlucht of geëmigreerd waren, zonder zich uit het bevolkingsregister te laten uitschrijven) ambtshalve uit te schrijven.”

Verzoekers erkennen dat zij strikt genomen niet behoren tot de categorie van etnisch Armeense Azerbeidzjanen waarop het WBV ziet, maar zij stellen zich op het standpunt dat hun onderduiksituatie is gelijk te stellen aan een vertrek naar het buitenland en verbinden daaraan de conclusie dat zij door de Azerbeidzjaanse autoriteiten zijn gederegistreerd. Het betoog van verzoekers moet worden beschouwd als een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder.

8. Verweerder stelt zich, kort samengevat en voor zover thans van belang, op het standpunt dat WBV 2005/4 niet van toepassing is op verzoekers. Verweerder voert daartoe aan dat WBV 2005/4 betrekking heeft op etnisch Armeniërs die in de periode 1988 tot en met 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken, terwijl verzoekers het land pas in 1999 hebben verlaten. Dat verzoekers tussen 1992 en 1999 in Azerbeidzjan zaten ondergedoken, doet hieraan volgens verweerder niet af. Ter zitting heeft verweerder aan het voorgaande nog toegevoegd dat hieruit blijkt dat verzoekers zich tot 1999 in Azerbeidzjan staande hebben kunnen houden. Verzoekers hebben bovendien een binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach.

9. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoekers geen rechten kunnen ontlenen aan het WBV omdat zij zich in Azerbeidzjan staande hebben kunnen houden, oordeelt de rechter dat verweerder daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. Uit de tekst en de strekking van het WBV volgt immers dat relevant is of betrokkenen in Azerbeidzjan staan geregistreerd. Gelet op hetgeen verzoekers daaromtrent hebben aangevoerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechter onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid en waarom WBV 2005/4 niet ook van toepassing kan worden verklaard op verzoekers. Dit klemt te meer daar uit WBV 2005/4 volgt dat etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan, die zijn vertrokken voor 1994, niet als geïntegreerd met de Azerbeidzjaanse samenleving kunnen worden beschouwd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat dit niet ook voor verzoekers zou gelden, nu verzoekers immers sinds 1992 ondergedoken hebben gezeten en daardoor niet langer daadwerkelijk deel hebben uitgemaakt van de Azerbeidzjaanse samenleving.

10. Voor zover verweerder aan verzoekers tegenwerpt dat zij een binnenlands vestigingsalternatief hebben in Nagorny Karabach overweegt de rechter als volgt. Blijkens WBV 2005/4 wordt het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach niet tegengeworpen aan etnisch Armeniërs die vanaf 1988 tot en met 1992 zijn vertrokken uit Azerbeidzjan, indien zij aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden voldoen:

- er dient sprake te zijn van een geloofwaardig en consistent individueel relaas;

- de vreemdeling, etnisch Armeniër uit Azerbeidzjan, heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat hij in die periode is vertrokken èn als gevolg van de onlusten is vertrokken;

- de vreemdeling heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt niet één van de andere nationaliteiten van de deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie te hebben verkregen.

Verweerder dient derhalve eerst te toetsen of verzoekers aan die voorwaarden voldoen, alvorens hun het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach te kunnen tegenwerpen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen hetgeen in rechtsoverweging 9 is overwogen. Gelet op de beleidswijziging van WBV 2005/4 brengt de omstandigheid dat Nagorny Karabach in de eerste asielprocedure van verzoekers is geaccepteerd als binnenlands vestigingsalternatief bovendien niet zonder meer met zich dat het binnenlands vestigingsalternatief ook thans aan hen kan worden tegengeworpen.

11. Het voorgaande brengt de rechter tot het oordeel dat de bestreden besluiten door verweerder onvoldoende zijn gemotiveerd. De beroepen zijn derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb). Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd behoeft geen bespreking. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, omdat daarbij geen belang bestaat. Daartoe wordt als volgt overwogen. Verzoekers zijn in de voornemenprocedure als bedoeld in de artikelen 39 en 41 van de Vw 2000 tevens in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 te verlenen. Op grond van artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 is afdeling 3, van hoofdstuk 7, van de Vw 2000 van overeenkomstige toepassing. Het is derhalve niet nodig om eerst bezwaar te maken. Dat verzoekers dit wel hebben gedaan, is het gevolg van de aanbiedingsbrief bij de bestreden besluiten, waaruit ten onrechte volgt dat tegen de weigering een reguliere verblijfsvergunning te verlenen bezwaar kan worden gemaakt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de bezwaarschriften zullen worden doorgezonden naar de rechtbank om daar als beroepschriften te worden behandeld.

Gelet op artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 betekent het voorgaande onder meer, dat de werking van de be-streden besluiten wordt opgeschort totdat op de beroepen is beslist. Artikel 82, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is niet van toepas-sing op het beroep voor zover het is gericht tegen de ambtshalve wei-gering van de verblijfsver-gunning voor bepaalde tijd regulier, nu geen sprake is van afwijzing van een aanvraag, maar van een ambtshalve genomen besluit. Gelet op het voorgaande is het in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolg niet ingetreden en hebben verzoekers geen belang bij hun verzoek (gehad). Het feit dat verweerder in de bestreden besluiten heeft vermeld dat verzoekers de behandeling van het beroep(schrift) niet in Nederland mogen afwachten en dat verzoekers de president van de rechtbank door middel van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kunnen verzoeken te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het beroep(schrift) is beslist, maakt dit niet anders.

13. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling, te weten: één punt voor de verzoekschriften, één punt voor het verschijnen ter zitting en één punt voor de beroepschriften. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken, voor zover het kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand betreft, beschouwd als één zaak. Aangezien er van mag worden uitgegaan dat de gevraagde toevoegingen zullen worden verleend, dienen de vergoedingen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de besluiten van 27 april 2005;

bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers in verband met de behandeling van de beroepen ten bedrage van € 322,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;

wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af;

veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken ad € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2005 in tegenwoordigheid van mr. J.C.D. Crezée als griffier.

de griffier? de voorzieningenrechter

w.g. Crezée w.g. Messer-Dinnissen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 20 mei 2005

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.