Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7125

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/42445, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Servië en Montenegro / Kosovo / medische behandeling / BMA-advies / Veiligheidsresolutie 1244 / motiveringsvereiste.

Uit het algemeen ambtsbericht van 14 oktober 2003 inzake Kosovo volgt dat Kosovo formeel onder het gezag van Servië en Montenegro valt, maar in juni 1999 op basis van Veiligheidsresolutie 1244 voor onbepaalde tijd is onttrokken aan de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende bevoegdheden van destijds de Federale Republiek Joegoslavië dan wel van Servië. Het standpunt van verweerder dat Servië en Montenegro als land van herkomst gezien moet worden kan daarom niet gevolgd worden. In de onderhavige zaak voldoen de BMA-adviezen niet aan de vereisten die aan een deskundigenadvies worden gesteld. Niet geconcludeerd kan worden dat er daadwerkelijk toegang is tot de benodigde medische behandeling, nu uit het rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken volgt dat een voorwaarde voor toegang gesteld wordt waaraan volgens dit rapport niet voldaan kan worden. Eveneens blijkt uit hetzelfde rapport dat in Kosovo geen zorg voor ernstig gehandicapte jongeren bestaat. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: Awb 03/42445, 03/42457, 03/42453

Datum uitspraak: 12 januari 2005

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaken van

A (eiser),

geboren op [...] 1966,

B (eiseres 1),

geboren op [...] 1972,

C (eiseres 2),

geboren op [...] 1990,

allen burger van Servië en Montenegro,

eisers,

gemachtigde drs J.W. de Haan,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. H. Wassenaar,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 20 februari 2001 hebben eiser en eiseres 1 namens eiseres 2 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gevraagd met als doel medische behandeling. Eiser en eiseres 1 hebben op dezelfde datum een aanvraag ingediend voor verblijf bij kind tijdens medische behandeling. Bij besluit van 26 november 2001 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

Eisers hebben daartegen op 19 december 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 1 augustus 2003 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 oktober 2004. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. Berkhout.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank de bestreden besluiten — de motivering waarop deze besluiten berusten daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen die besluiten aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, omdat Nederland niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de medische behandeling voor eiseres 2. Voorts is uit het advies van het Bureau Medisch Advies (BMA) van 4 oktober 2001 en 30 juni 2003 en uit onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 16 augustus 2002, gebleken dat eiseres 2 toegang heeft tot de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst. Voor zover eisers asielgerelateerde aspecten hebben aangevoerd, heeft verweerder verwezen naar de asielprocedure.

3. Eisers hebben in de gronden van beroep, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiseres 2. Uit de BMA adviezen van 4 oktober 2001 en 30 juni 2003 blijkt dat de kliniek waar eiseres 2 volgens het BMA advies behandeld zou kunnen worden in Servië ligt. Voor eisers is het onmogelijk om eiseres 2 daar medische behandelingen te laten ondergaan, nu zij zwaar lichamelijk en geestelijk gehandicapt is geworden, als gevolg van doelbewuste onjuiste verpleging door Servische artsen. Vervolgens blijkt uit de adviezen dat de kwaliteit van zorg en outillage van de instellingen onder de maat is. Bovendien blijkt dat behandeling enkel mogelijk is als de financiering gegarandeerd is, waar eisers niet aan kunnen voldoen.

4. In artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000, waarin de (bijzondere) voorwaarden zijn neergelegd voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “het ondergaan van medische behandeling”, is bepaald dat een vergunning onder deze beperking kan worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de Minister deugdelijk is geregeld. Ten aanzien van de voorwaarde dat Nederland het meest aangewezen land is, heeft verweerder als beleid in paragraaf B8/2.2.1 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, neergelegd dat deze omstandigheid verband kan houden met de aard van de ziekte, een bijzondere specialisatie hier te lande en andere factoren waardoor behandeling elders voor de betrokkene minder aangewezen is; hierbij dient met nadruk niet gedacht te worden aan financiële omstandigheden. Ter beoordeling van de vraag of de beoogde behandeling in Nederland dient plaats te vinden, wordt advies ingewonnen van het BMA.

5. Voorts heeft verweerder als beleid in paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, neergelegd dat in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 Vreemdelingenbesluit genoemde voorwaarden, de Minister ingevolge artikel 3.4, lid 3, Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met deze uitzonderingsbepaling dient betrokkene zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van een medische noodsituatie van langdurige aard (waarmee bedoeld wordt dat de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren) waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen kan plaatsvinden. Het enkele feit dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen betrokkene kan uitreizen dan wel de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden beïnvloed worden, vormt onvoldoende grond om in dit verband verblijf toe te staan.

6. Uit de adviezen van het BMA van 4 oktober 2001 en 30 juni 2003 blijkt dat eiseres 2 rolstoelafhankelijk is en lijdt aan Infantiele Encephalopathie met als gevolg spastische verlamming van armen en benen, slecht gezichtsvermogen, epilepsie, geestelijke achterstand, chronisch hardlijvigheid, maagproblemen en afwijkingen aan de wervelkolom. Uit het advies komt verder naar voren dat een medische noodsituatie op korte termijn van langdurige aard, bij uitblijven van medicatie (met name de anti-epileptica), te verwachten is. Eiseres 2 is volgens het BMA advies in staat te reizen onder begeleiding van haar ouders. Voorts blijkt uit het advies dat er in Joegoslavië behandelmogelijkheden zijn voor meervoudig gehandicapte kinderen in onder andere Zavod ‘Pincipovac’ te Sid.

De rechtbank overweegt als volgt

7. Uit het bestreden besluit en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat Servië en Montenegro als het land van herkomst van eisers gezien moet worden De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2003 inzake Kosovo volgt dat Kosovo formeel onder het gezag van Servië en Montenegro valt, maar in juni 1999 op basis van Veiligheidsresolutie 1244 voor onbepaalde tijd is onttrokken aan de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende bevoegdheden van destijds de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) dan wel van Servië. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank het standpunt van verweerder dat Servië en Montenegro als land van herkomst van eisers gezien moet worden niet volgen.

8. De rechtbank overweegt voorts als volgt. Een advies van het BMA kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient een dergelijk advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. In dat geval zal verweerder niet dan na het instellen van nader onderzoek ter zake en bevestiging van de desbetreffende informatie deze aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

9. De rechtbank is van oordeel dat de BMA-adviezen in de onderhavige zaak niet voldoen aan de vereisten die aan een deskundigenadvies worden gesteld. In de adviezen wordt gesteld dat behandeling voor meervoudig gehandicapte kinderen mogelijk is in onder andere de kliniek Zovod ‘Principovac’ te Sid. Of deze behandelingsmogelijkheden ook daadwerkelijk toegankelijk zijn is onderzocht door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit het rapport van 16 augustus 2002 blijkt dat als voorwaarde voor toegang tot een kliniek in de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) gesteld wordt dat een officiële aanbeveling voor opname van het Center for Social Work uit Kosovo overhandigd wordt, goedgekeurd door een Health Fund/Fund for Social Care uit de woonplaats of plaats van afkomst. Echter, in Kosovo bestaat het Health Fund niet meer en het Center for Social Work heeft hierin geen rol meer. Nu een officiële aanbeveling als voorwaarde voor toegang tot deze kliniek gesteld wordt kan, anders dan verweerder stelt, naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat eiseres 2 daadwerkelijk toegang tot de benodigde medische behandeling heeft. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het bovengenoemde rapport van de Minister van Buitenlandse Zaken tevens blijkt dat in Kosovo geen zorg bestaat voor ernstig gehandicapte jongeren.

10. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor eiseres 2 medische behandeling in het land van herkomst aanwezig is. De rechtbank laat hierbij uitdrukkelijk in het midden of behandeling in deze kliniek medisch gezien verantwoord geacht mag worden.

11. Nu de afwijzing van de aanvraag van eiseres 2 onvoldoende is gemotiveerd kan de afwijzing van de aanvragen van eiser en eiseres 1 evenmin stand houden.

12. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eisers het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 9 juli 2003 geheel;

draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eisers;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eisers € 116,- te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2005 in tegenwoordigheid van mr. D.I. Nauta als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Nauta w.g. Derksen

Verzonden op: 13 januari 2005

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).