Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7115

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/176 ABW, AWB 04/177 ABW en AWB 04/178 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hangt samen met AT7105.

[...] Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 30 juni 2004 (RSV 2004/274), 12 oktober 2004 (JWWB 2004,441) overweegt de rechtbank dat de opgelegde boete is aan te merken als een "penalty" (bestraffing) in de zin van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en dat de rechtbank aldus, in het licht van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag, ambtshalve dient na te gaan of toepassing van de artikelen 17 en 18 van de WWB en de Maatregelenverordening leiden tot een lagere "penalty" zoals bedoeld in het IVBPR, dan onder de Abw. Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR bepaalt immers dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nrs. AWB 04/176 ABW, AWB 04/177 ABW en AWB 04/178 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (voorheen: de Commissie Sociale Zekerheid), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij twee afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2002, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de uitkering van eiseres beëindigd met ingang van 1 oktober 2002, herzien over de periode van 21 december 2000 tot en met 30 september 2002 en de over deze periode verleende bijstand ten bedrage van EUR 18.879,44 teruggevorderd.

Tegen deze besluiten heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft verweerder eiseres een boete ten bedrage van EUR 2.068,-- opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiseres eveneens bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 november 2003, verzonden op 2 december 2003, heeft verweerder de bezwaren tegen voornoemde besluiten van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brieven van 12 januari 2004, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum en nader aangevuld bij brief van 12 februari 2004, drie afzonderlijke beroepschriften ingediend.

Verweerder heeft de op deze zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 22 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, in gezelschap van [betrokkene], medewerkster Stichting Maatschappelijk Werk en bijgestaan door haar advocaat, mr. M.J. Post.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

mr. W. Punter.

Feiten

Verweerder heeft aan eiseres en haar ex-echtgenoot, [ex-echtgenoot], met ingang van 29 oktober 1997 een bijstandsuitkering naar de gezinsnorm toegekend. Op 23 december 1998 wordt deze uitkering zonder opgave van redenen door de ex-echtgenoot van eiseres opgezegd.

Bij besluit van 6 mei 2000 wordt de toegekende bijstand over de periode van 29 oktober 1997 tot en met 22 december 1998 teruggevorderd in verband met de weigering om mee te werken aan een vestiging van een krediethypotheek op de woning aan de [adres 1] te [woonplaats].

Eiseres en haar ex-echtgenoot zijn op 17 juni 1999 formeel gescheiden.

Aan eiseres is met ingang van 9 augustus 1999 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend. Met toestemming van haar ex-echtgenoot die elders woonruimte heeft gevonden, blijft eiseres aanvankelijk samen met haar dochter woonachtig op het adres [adres 1]. Na haar verhuizing naar een woning op het adres [adres 2] te [woonplaats] ontvangt eiseres een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. De dochter van eiseres blijft wonen op het adres [adres 1]. De ex-echtgenoot van eiseres keert terug in zijn woning en neemt de zorg voor de dochter op zich.

Na een melding van de afdeling Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) dat eiseres een aanvraag heeft ingediend voor een voorziening op het adres [adres 1], heeft verweerder een bijzonder onderzoek uitgevoerd. Verweerder heeft op grond van de door eiseres afgelegde verklaring en de bevindingen van het onderzoek geconcludeerd dat zij haar hoofdverblijf heeft op het adres [adres 1]. Bij twee afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2002 heeft verweerder de aan haar toegekende uitkering beëindigd met ingang van 1 oktober 2002, de uitkering herzien en de verleende bijstand teruggevorderd vanaf het moment dat eiseres heeft gesteld woonachtig te zijn op het adres [adres 2].

Met ingang van 23 januari 2003 is aan eiseres opnieuw door verweerder een uitkering toegekend, nadat zij had aangetoond daadwerkelijk op het adres [adres 2] te wonen.

Standpunten partijen

Aan het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn besluiten tot beëindiging, herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering als ook de boeteoplegging heeft gehandhaafd, is door verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot, [ex-echtgenoot]. Volgens verweerder heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden, omdat zij heeft nagelaten verweerder te informeren over deze voor het vaststellen van het recht op uitkering van belang zijnde omstandigheid.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte haar bijstandsuitkering heeft beëindigd, herzien en teruggevorderd over de betreffende periode en dat de boete ten onrechte is opgelegd. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Eiseres lijdt aan een progressieve vorm van multiple sclerose, waarbij haar gezondheidstoestand snel verslechtert. Op 12 september 2002, kort voor het plaatsvinden van het huisbezoek op 26 september 2002, is eiseres ten val gekomen. Haar huisarts en het ziekenhuis Bronovo bevinden zich in de nabijheid van de woning van haar dochter en ex-echtgenoot. Ten tijde van het door verweerder uitgevoerde huisbezoek op het adres [adres 1] logeerde eiseres bij haar dochter om te herstellen van de valpartij. Haar ex-echtgenoot verbleef toen in het buitenland. Ten gevolge van haar ziekte en de daarbij behorende medicatie heeft eiseres last van ernstige concentratie- en geheugenstoornissen, hetgeen wordt onderschreven door de behandelend neuroloog in zijn verklaring van 15 november 2002. Bovendien heeft eiseres moeite met de erkenning van haar beperkingen en indien zij onder druk komt te staan worden de beperkingen ernstiger. Aan de verklaring van eiseres dat zij steeds bij haar dochter heeft gewoond kan dan ook geen waarde worden gehecht. Eiseres betwist dat zij niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 2]. Eiseres heeft verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat zij wel degelijk woonachtig was op het door haar opgegeven woonadres en afschriften van facturen, waaruit blijkt dat thuiszorg heeft ontvangen op het betreffende woonadres [adres 2] in het jaar 2001. Levering van thuiszorg is slechts mogelijk in aanwezigheid van de aanvrager. Eerst in oktober 2002 is eiseres op de hoogte geraakt van de mogelijkheid tot hulp bij de lichamelijk verzorging. Voordien heeft eiseres weinig gebruik gemaakt van de douche, hetgeen een verklaring vormt voor het lage waterverbruik in de periode van belang. Verder let eiseres op haar energieverbruik. Thans is de gezondheidssituatie van eiseres dusdanig verslechterd dat zij bijna 24-uursverzorging nodig heeft en niet goed alleen kan zijn.

Wettelijk kader

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient in het onderhavige geval, nu het bezwaarschrift vóór of op de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Abw wordt voor zover hier van belang een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. (...);

d. (...).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet meer over de middelen beschikt om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende op verzoek onverwijld of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of het bedrag van de bijstand dat wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Abw herzien de burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand of trekken een dergelijk besluit in indien

a. een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet (behoorlijk) nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot ten onrechte verlenen van bijstand,

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt de bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde lid of vierde lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.

Oordeel van de rechtbank

Beëindiging, herziening en terugvordering.

Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 3, vierde lid, van de Abw blijkt dat de betreffende bepaling is ingevoerd om in een viertal situaties, waarin overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs - er vanuit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens een van deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de toepassing van de WWB en de daarop berustende bepalingen materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de zin van artikel 4, aanhef en onder c ten eerste van die wet worden beschouwd (zie hiervoor uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002, 00/5271 NABW, gepubliceerd in JABW 2002, 47).

Gelet op artikel 3, vierde lid, onder a en b, van de WWB is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in dit geding bepalend het antwoord op de vraag of eiseres en [ex-echtgenoot] gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectief vast te stellen feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 26 september 2002 ten overstaan van de opsporingsambtenaren van verweerder verklaard dat zij steeds feitelijk woonachtig is geweest op het adres [adres 1]. Reeds eerder heeft de voorzieningenrechter in de procedure ter zake van het verzoek om een voorlopige voorziening (kenmerk: AWB 02/4394 ABW) overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in het algemeen van de juistheid van een verklaring mag worden uitgegaan, indien sprake is van een tegenover een onderzoeksambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring. Aan het intrekken van deze verklaring kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De rechtbank onderschrijft de eerdergenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, waarin is overwogen dat van belang is dat eiseres iedere bladzijde van de door haar afgelegde en op schrift gestelde verklaring afzonderlijk heeft getekend en door deze ondertekening van het formulier de juistheid van een en ander heeft onderschreven. Tevens is daarin overwogen dat eiseres er niet voor heeft gekozen om af te zien van ondertekening van het formulier, in welke mogelijkheid het formulier uitdrukkelijk voorziet. De rechtbank ziet ook thans in hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de beperking van haar concentratie- en geheugenvermogens geen aanleiding om aannemelijk te achten dat haar beperkingen van invloed zijn geweest op het handhaven en ondertekenen van haar verklaring.

De rechtbank overweegt verder dat de rapportage van het bijzonder onderzoek van 26 september 2002 voldoende concrete en objectieve aanknopingspunten biedt om aannemelijk te achten dat eiseres haar hoofdverblijf had op het adres [adres 1]. Gelet op het lage energieverbruik in de woning aan het [adres 2] is de conclusie gerechtvaardigd dat eiseres ten tijde hier in geding haar feitelijke hoofdverblijf niet had op dit adres. Voorts acht de rechtbank van belang dat verzoekster niet bij de woning aan het [adres 2] doch wel bij de woning aan de [adres 1] de beschikking heeft over een invalidenparkeerplaats alsook een berging voor haar scootmobiel. Bovendien is niet vast komen te staan dat de thuiszorg in de periode van belang is geleverd op het adres [adres 2]. De door eiseres overgelegde afschriften van de facturen Eigen Bijdrage Thuiszorg over de periode van belang zijn weliswaar geadresseerd aan eiseres op het adres [adres 2], maar maken niet duidelijk of de thuiszorg ook daadwerkelijk op dit adres is geleverd. Ter zitting is vervolgens nog een begeleidend schrijven van de Thuiszorg naar voren gekomen, dat zich in het dossier van de gemachtigde van eiseres bleek te bevinden. Dit schrijven is ter zitting voorgelezen. In dit schrijven wordt vermeld dat de thuiszorg vanaf de datum 1 oktober 2002 is geleverd op het adres [adres 2] en daarvoor op het oude adres [adres 1]. Op grond hiervan kan zonder meer worden aangenomen dat eiseres tot 1 oktober 2002 haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1]. Ook de verklaring van de bewoonster op het adres [adres 3] dat de woning sinds twee jaar leeg staat heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres ten tijde van belang niet haar hoofdverblijf had op het adres [adres 2], maar op het adres [adres 1] te [woonplaats].

Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ex-echtgenoot niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres 1]. De rechtbank overweegt dat de ex-echtgenoot van eiseres eigenaar is van de woning aan de [adres 1] en dat hij als woonachtig op dit adres in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Den Haag is geregistreerd. Ook draagt de ex-echtgenoot van eiseres alle woonlasten voor de woning op het adres [adres 1]. Uit de door eiseres overgelegde overzichten van de stempels met vertrek - en aankomstdata uit het paspoort van haar ex-echtgenoot - die overigens van elkaar verschillen - valt niet op te maken dat haar ex-echtgenoot gedurende de periode van belang zijn hoofdverblijf had in Egypte. De rechtbank leidt uit het overzicht zoals door eiseres in bezwaar is overgelegd, af dat haar ex-echtgenoot in de periode, waarover het recht op uitkering van eiseres wordt herzien en teruggevorderd, ongeveer 21 maanden, niet meer dan ongeveer zeven maanden in Egypte heeft verbleven. Kortom eisers ex-echtgenoot heeft merendeels van deze periode hier te lande verbleven. Dat de echtgenoot van eiseres in de periode dat hij in Nederland verbleef op een ander adres dan dat van zijn eigen woning verbleef, is niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding in de periode van belang.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan artikel 65 van de Abw in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw de wettelijke grondslag vormen voor een besluit tot beëindiging dan wel weigering van de bijstandsuitkering, indien de inlichtingenplicht is geschonden en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2002, gepubliceerd in JABW 2002/102).

De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder niet heeft geïnformeerd over haar juiste woonsituatie en dat zij dientengevolge de op haar ingevolge artikel 65 van de Abw rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Nu vervolgens verweerder niet in staat is geweest het recht op bijstand vast te stellen, heeft verweerder terecht de bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande beëindigd.

Het niet voldoen aan de inlichtingenplicht door eiseres heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand over de periode van 21 december 2000 tot en met 30 september 2002. Uit het voorgaande volgt dat verweerder gezien het bepaalde in artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw het besluit tot bijstandsverlening over deze periode terecht heeft herzien.

Gezien het voorgaande was verweerder, overeenkomstig het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand van eiseres terug te vorderen.

Boete

Vaststaat dat eiseres de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Zij is in verzuim gebleven voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens aan verweerder te verstrekken. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van deze gedraging ontbreekt en dat verweerder daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Voorts stelt de rechtbank vast dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting in het onderhavige geding heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand over de periode van 25 april 2002 tot en met 31 oktober 2002, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a, derde lid, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw is de rechtbank niet gebleken. Verweerder was derhalve, ten tijde hier in geding, verplicht aan eiseres een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen. De rechtbank stelt vast dat verweerder een boete van EUR 2.068,- aan eiseres heeft opgelegd.

De rechtbank stelt verder vast dat de WWB niet langer voorziet in de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw. Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2 van de Invoeringswet WWB in verbinding met artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2003,386) en artikel 2 van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, nr.203) volgt dat artikel 14a van de Abw van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari 2005. Op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB heeft de gemeente Den Haag de Maatregelenverordening WWB (hierna: de Maatregelenverordening) vastgesteld. De Maatregelenverordening is op 1 januari 2005 in werking getreden.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 30 juni 2004 (RSV 2004/274), 12 oktober 2004 (JWWB 2004,441) overweegt de rechtbank dat de opgelegde boete is aan te merken als een "penalty" (bestraffing) in de zin van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en dat de rechtbank aldus, in het licht van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag, ambtshalve dient na te gaan of toepassing van de artikelen 17 en 18 van de WWB en de Maatregelenverordening leiden tot een lagere "penalty" zoals bedoeld in het IVBPR, dan onder de Abw. Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR bepaalt immers dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.

Artikel 17 van de WWB omvat - kort gesteld - de inlichtingenplicht. Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Maatregelenverordening leidt het niet nakomen van een verplichting op grond van artikel 17 van de WWB, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of is verstrekt, tot een maatregel. Op grond van het tweede lid van dit artikel worden al naar gelang de hoogte van het benadelingsbedrag in oplopende volgorde maatregelen onderscheiden in drie categorieën. De laatste categorie betreft de derde categorie maatregelen, die wordt opgelegd bij een benadelingsbedrag tot EUR 6000,-. In artikel 13, eerste lid en onder c, van de Maatregelenverordening wordt als een maatregel van de derde categorie onderscheiden: dertig procent van de bijstandnorm voor de duur van een maand, voor zover het betreft gedragingen als genoemd in artikel 9, tweede lid aanhef en onder c. In dit geval is sprake van een terugvordering c.q. benadelingbedrag van EUR 18.879,44. Een maatregel van de derde categorie is derhalve aan de orde.

Blijkens de toelichting op artikel 9 van de Maatregelenverordening wordt de maatregel bij een lopende uitkering toegepast op de eerst mogelijke maandelijkse uitbetaling, volgend op de maand waarin het besluit is verzonden. Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast.

Gelet op het voorgaande, overweegt de rechtbank dat, voor verweerder primair de bijstandsnorm ten tijde van het opleggen van de maatregel bepalend is. De maatregel dient met terugwerkende kracht te worden toegepast. Eiseres ontving ten tijde van het bestreden besluit een uitkering ingevolge de Abw ter hoogte van de norm voor een alleenstaande. Het uitkeringsbedrag daarbij bedroeg blijkens artikel 30, eerste lid en onder a, van de Abw, bij benadering, ten tijde hier in geding EUR 569,82. Een maatregel van 30% van deze norm, voor de duur van één maand (ca. EUR 171,-) voorziet in een lagere sanctie, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR, dan de bij het besluit van 28 november 2003 gehandhaafde boete. Het bestreden besluit is, voor wat betreft de hoogte van de opgelegde boete, in strijd met artikel 15, eerste lid, derde volzin van het IVBPR. Daarmee is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit, voorzover dit strekt tot handhaving van de boete voor vernietiging in aanmerking.

Nu de rechtbank slechts bij benadering de maatregel op grond van de Maatregelenverordening kan berekenen, wordt verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het beroep dient op dit onderdeel gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op EUR 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van EUR 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep geregistreerd onder nr. AWB 04/178 gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de handhaving van de hoogte van de oplegde boete en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

verklaart de beroepen geregistreerd onder nrs. AWB 04/176 en AWB 04/177 ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te betalen;

gelast dat voornoemde rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad EUR 31,- vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.R. Schouten-Korwa.