Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7105

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/1309 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Voor de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw, de ten onrechte verleende bijstand op goede gronden van eiser heeft teruggevorderd staat thans ter beoordeling of door de schending van de inlichtingenplicht van artikel 65 van de Abw de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend.

Volgens verweerder heeft eisers ex-echtgenote haar inlichtingenplicht geschonden, omdat zij heeft verzwegen dat zij in de periode van belang een gezamenlijke huishouding voerde met eiser. [...]

Nu eisers ex-echtgenote verweerder niet heeft geïnformeerd over deze omstandigheid, die van belang is voor het vaststellen van haar recht op uitkering, is er sprake van schending van de inlichtingenplicht. Eisers ex-echtgenote ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Nu er sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, had de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden dienen te worden verleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw terecht ook van eiser de ten onrechte verleende bijstand heeft teruggevorderd.

Het beroep is ongegrond. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/1309 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (voorheen: Commissie Sociale Zekerheid), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 13 december 2002, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de aan eisers ex-echtgenote, [ex-echtgenote] ten onrechte verleende bijstand over de periode van 21 december 2000 tot en met 30 september 2002 ten bedrage van EUR 18.879,44 mede van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 9 februari 2004, verzonden op 17 februari 2004, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 23 maart 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 22 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat,

mr. J.P.H. Thissen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

mr. W. Punter.

Feiten

Aan eiser en zijn (ex)echtgenote is met ingang van 29 oktober 1997 een bijstandsuitkering toegekend naar de gezinsnorm. Op 23 december 1998 wordt deze uitkering zonder opgave van redenen door eiser opgezegd. Bij besluit van 6 mei 2000 wordt de toegekende bijstand over de periode van 29 oktober 1997 tot en met 22 december 1998 teruggevorderd in verband met de weigering om mee te werken aan de vestiging van een krediethypotheek op de woning aan de [adres] te [woonplaats].

Eiser en zijn ex-echtgenote zijn op 17 juni 1999 formeel gescheiden.

Aan de ex-echtgenote van eiser is met ingang van 9 augustus 1999 een bijstandsuitkering toegekend. Aanvankelijk is eiser verhuisd en is zijn ex-echtgenote op het adres [adres] met hun dochter blijven wonen. Nadat zijn ex-echtgenote naar een woning op het adres [adres 2] te [woonplaats] per 21 december 2000 is verhuisd, keert eiser terug in zijn woning op het adres [adres] en neemt de zorg voor hun dochter op zich.

Na een melding van de afdeling Wet Voorzieningen gehandicapten (WVG) dat eisers ex-echtgenote een aanvraag heeft ingediend voor een voorziening op het adres [adres], heeft verweerder een bijzonder onderzoek uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek en de verklaring van eisers ex-echtgenote heeft verweerder geconcludeerd dat eiser en zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voeren. Bij twee afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2002 heeft verweerder de aan eisers ex-echtgenote toegekende uitkering naar de norm voor een alleenstaande beëindigd met ingang van 1 oktober 2002, de uitkering herzien en de verleende bijstand teruggevorderd vanaf het moment dat eisers ex-echtgenote heeft gesteld woonachtig te zijn op het adres [adres 2]. Eisers ex-echtgenote heeft tegen deze besluiten bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij besluit van

28 november 2003 heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de aan zijn ex-echtgenote verleende bijstand over de betreffende periode mede van eiser teruggevorderd.

Standpunten partijen

Aan het bestreden besluit om de ten onrechte verleende bijstand mede van eiser terug te vorderen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers ex-echtgenote haar inlichtingenplicht van artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft geschonden, nu zij heeft verzwegen dat in de periode van 21 december 2000 tot en met 30 september 2002 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat op grond van het bepaalde van artikel 81 in samenhang met artikel 84 van de Abw de ten onrechte verleende bijstand over deze periode mede van eiser kan worden teruggevorderd.

Eiser betwist dat hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote. Eiser heeft gesteld dat hij zijn hoofdverblijf heeft in Egypte. Hij verblijft slechts zes weken per jaar in Nederland. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser een kopie van zijn paspoort overgelegd en overzichten van de aankomst en vertrekdata van de stempels in zijn paspoort. De woning aan de [adres] houdt eiser aan voor zijn dochter en als postadres. De voorzieningen voor zijn ex-echtgenote, die aan de ziekte multiple sclerose lijdt, zijn veelal reeds in woning aangebracht voor de scheiding en ten behoeve van het onderhouden van de relatie tussen eisers dochter en zijn ex-echtgenote in de woning behouden. Eiser is niet verantwoordelijk voor de eventuele uitkeringsfraude van zijn ex-echtgenote. Eiser meent dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat het besluit dan ook onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

Wettelijk kader

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient in het onderhavige geval, nu het bezwaarschrift vóór of op de peildatum, zijnde 31 december 2003, is ingediend, met toepassing van de Abw te worden beslist.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Abw wordt voor zover hier van belang een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. (...);

d. (...).

Ingevolge artikel 4, van de Abw, aanhef en onder c, wordt onder een gezin verstaan:

1º de gehuwden tezamen;

2º de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;

3º de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Abw stemmen burgemeester en wethouders ten aanzien van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende op verzoek onverwijld of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of het bedrag van de bijstand dat wordt betaald.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt de bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde lid of vierde lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.

Artikel 84, tweede lid van de Abw, bepaalt dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 65, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd worden van de personen met wiens middelen als bedoeld in Hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw, de ten onrechte verleende bijstand op goede gronden van eiser heeft teruggevorderd staat thans ter beoordeling of door de schending van de inlichtingenplicht van artikel 65 van de Abw de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend.

Volgens verweerder heeft eisers ex-echtgenote haar inlichtingenplicht geschonden, omdat zij heeft verzwegen dat zij in de periode van belang een gezamenlijke huishouding voerde met eiser.

Allereerst staat derhalve ter beoordeling of er sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 3, vierde lid, van de Abw blijkt dat de betreffende bepaling is ingevoerd om in een viertal situaties, waarin overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs - er vanuit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens een van deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de toepassing van de WWB en de daarop berustende bepalingen materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de zin van artikel 4, aanhef en onder c ten eerste van die wet worden beschouwd (zie hiervoor uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002, 00/5271 NABW, gepubliceerd in JABW 2002, 47).

Gelet op artikel 3, vierde lid, onder a en b, van de WWB is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in dit geding bepalend het antwoord op de vraag of eiser en [ex-echtgenote] gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectief vast te stellen feiten en omstandigheden.

Zoals ook is overwogen in de uitspraak op het door eisers ex-echtgenote ingediende beroep tegen de door verweerder gehandhaafde besluiten tot beëindiging, herziening en terugvordering van haar bijstandsuitkering, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van de verklaring van eisers ex-echtgenote en de bevindingen van het door verweerder uitgevoerde bijzonder onderzoek terecht heeft geconcludeerd dat ten tijde van belang eisers ex-echtgenote haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres]. Voor de overwegingen in dezen verwijst de rechtbank dan ook naar de uitspraak op dit beroep, waarvan een afschrift bij deze uitspraak is gevoegd (Reg. nrs. AWB 04/176 ABW, AWB 04/177 ABW en AWB 04/178 ABW).

De rechtbank stelt verder vast dat eiser eigenaar is van de woning aan de [adres] en dat hij als woonachtig op dit adres in de Gemeentelijke Basisadministratie van de Gemeente Den Haag is geregistreerd. Eiser draagt ook alle woonlasten. De rechtbank is bovendien van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres]. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de stempels met vertrek - en aankomstdata, zoals door eiser zelf is weergegeven in verschillende overzichten, niet valt op te maken dat eiser gedurende de periode van belang zijn hoofdverblijf had in Egypte. De rechtbank leidt uit het overzicht zoals door eiser in bezwaar is overgelegd, af dat hij in de periode, waarover verweerder het recht op uitkering van zijn ex-echtgenote heeft herzien en teruggevorderd, niet meer dan ongeveer zeven maanden van de 21 maanden in Egypte heeft verbleven. Kortom, eiser heeft merendeels van deze periode hier te lande verbleven. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland op een ander adres verbleef dan in zijn eigen woning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding in de periode van belang.

Nu eisers ex-echtgenote verweerder niet heeft geïnformeerd over deze omstandigheid, die van belang is voor het vaststellen van haar recht op uitkering, is er sprake van schending van de inlichtingenplicht. Eisers ex-echtgenote ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Nu er sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, had de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden dienen te worden verleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw terecht ook van eiser de ten onrechte verleende bijstand heeft teruggevorderd.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.R. Schouten-Korwa.