Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6864

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-04-2005
Datum publicatie
07-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/30 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] De rechtbank dient te beoordelen of verweerder voor de definitieve vaststelling van eisers functie in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van het (nieuwe) systeem van FUWADEF (artikel 5 (nieuw) van het BBAD). [...]

Eisers grief dat verweerder door de late vaststelling van de functie in strijd met de rechtszekerheid zou hebben gehandeld, leidt evenmin tot een ander oordeel. Blijkens de stukken is eiser met ingang van 1 juni 1996 op zijn huidige functie geplaatst. Zijn functie is daarbij indicatief ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep f, overeenkomend met schaal 11 van het BBAD, zoals dat toen luidde. Verweerder heeft weliswaar erkend dat in beginsel definitieve vaststelling binnen een jaar na plaatsing geschiedt, maar de door verweerder voor de vertraging gegeven verklaring acht de rechtbank alleszins plausibel. Daar komt bij dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het BBAD kent namelijk geen verplichting als door eiser bepleit en eiser heeft op zijn beurt geruime tijd gewacht - tot de brief van 7 november 2000 - met een eerste verzoek tot definitieve vaststelling van zijn functie.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder op goede gronden de keuze voor het systeem van FUWADEF heeft gehandhaafd. Het beroep is derhalve ongegrond. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/30 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 23 mei 1996 is eiser na een reorganisatie met ingang van 1 juni 1996 geplaatst in de functie van Hoofd Bureau Formatiezaken FUWA NACO van de Koninklijke Landmacht.

Bij brieven van 7 november 2000, 7 mei 2001 en 23 oktober 2002 heeft eiser verweerder verzocht zijn functie definitief te willen vaststellen en waarderen.

Verweerder heeft eiser bij brief van 22 november 2002 op de hoogte gesteld van zijn voornemen de waarderingsuitkomst van de aan eiser opgedragen functie vast te stellen op hoofdgroep IV, niveaugroep d (functieschaal 11).

Bij brief van 12 december 2002 heeft eiser zijn bedenkingen tegen dit voornemen geuit.

Bij brief van 5 juni 2003 heeft verweerder eisers functie volgens het op 1 januari 1997 van kracht geworden functiewaarderingssysteem FUWADEF, vastgesteld in hoofdgroep IV, niveaugroep d (functieschaal 11).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 juli 2003 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 26 augustus 2003 deelt verweerder eiser mee dat zijn bezwaar, voor zover gericht tegen de uitkomst van de functiewaardering, moet worden gezien als bedenkingen op grond waarvan een inhoudelijke functiewaarderingstechnische heroverweging dient te worden uitgevoerd. Het bezwaarschrift is voor de beoordeling van dit gedeelte doorgezonden naar de Afdeling Beleidsontwikkeling, Directoraat-Generaal Personeel en Materieel.

Eiser is voor zover zijn bezwaar was gericht tegen de door verweerder gehanteerde functiewaarderingssytematiek op 22 september 2003 door verweerder gehoord.

Het bij brief van 16 oktober 2003 bij deze rechtbank ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar, is bij uitspraak van 18 december 2003 gegrond verklaard.

Bij besluit van 18 november 2003 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de gehanteerde functiewaarderingssystematiek ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 december 2003, van gronden voorzien bij brief van 26 februari 2004, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 4 oktober 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. van Wezel.

Motivering

Artikel 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (hierna BBAD) luidde tot en met 31 december 1996:

1. Voor de ambtenaar, wiens ambt niet is vermeld in bijlage A van dit besluit geldt een salarisschaal.

2. De salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met in achtneming van de aard en het niveau van zijn functie en van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

3. Aard en niveau van de functie worden bepaald binnen het in de bijlage B van dit besluit aangegeven kader, aan de hand van door Onze Minister vastgestelde karakteristieken en functietyperingen.

(...)

Artikel 5 van het BBAD luidt vanaf 1 januari 1997:

1. Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.

2. De salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met in achtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

3. De zwaarte van de functie wordt bepaald binnen de in de bijlage B van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde normeringsstelsel.

(...)

Wat betreft de door verweerder gehanteerde functiewaarderings-systematiek heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat van het systeem van zogenoemd "beredeneerd vergelijken" had moeten worden uitgegaan. Met ingang van 1 juni 1996 is eiser na reorganisatie op zijn huidige functie geplaatst. Deze functie is op dat moment niet definitief vastgesteld. Dat had uit oogpunt van rechtszekerheid, naar eiser meent, binnen een jaar na deze datum, dus ruim voor de formele en feitelijke invoering van het nieuwe waarderingssysteem FUWADEF, moeten geschieden. De functiewaardering acht eiser, kort gesteld, een afronding van deze voorlopige vaststelling van de functie. Punt 9 van de hiervoor genoemde nota acht eiser, nu zijn functie in 1996 indicatief is vastgesteld, niet van toepassing. Eiser acht het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

Verweerder heeft allereerst onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 december 1999 (AWB 98/1448 AW) opgemerkt dat de waardering op basis van FUWADEF niet tot een andere uitkomst leidt dan wanneer het systeem van beredeneerd vergelijken zou zijn gebruikt. Alleen hierom al zou het beroep volgens verweerder ongegrond moeten worden verklaard. De invoeringsdatum van het FUWADEF dan wel de goedkeuring ervan acht verweerder niet van belang nu zowel het oude als het nieuwe systeem tot een zelfde uitkomst leiden. De overgangsbepalingen zien slechts op reeds voor 1 januari 1997 lopende herwaarderingen. In eisers geval kon de herwaardering derhalve worden voltooid op basis van het nieuwe systeem.

Tenslotte acht verweerder het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden. De definitieve vaststelling van eisers in 1996 voorlopig in schaal 11 ingedeelde functie heeft weliswaar geruime tijd op zich laten wachten, maar nu de waarderingsuitkomst volgens beide systemen identiek zijn, is eiser hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder voor de definitieve vaststelling van eisers functie in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van het (nieuwe) systeem van FUWADEF (artikel 5 (nieuw) van het BBAD).

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder voor de vaststelling van een salarisschaal behorende bij een functie in het verleden ingevolge van artikel 5 (oud) van het BBAD gebruik maakte van het zogenoemde systeem van beredeneerd vergelijken. Met ingang van 1 januari 1997 is artikel 5 van het BBAD gewijzigd. Deze wijziging heeft als consequentie dat functies voortaan zullen worden gewaardeerd aan de hand van een nieuw functiewaarderingssysteem, het zogenoemde FUWADEF. Verweerder heeft ter invoering van dit systeem in de Nota inzake de implementatie van FUWADEF (P/96006494) (hierna: de Nota) overgangsbepalingen opgenomen. Deze luiden - voor zover hier van belang - :

9. De nieuwe indelingsstructuur verplicht er niet toe voor de ambtenaar voor wie reeds een salarisschaal is vastgesteld, opnieuw een salarisschaal vast te stellen. Een voor 1 januari 1997 aangevangen procedure om te komen tot vaststelling van de salarisschaal kan met inachtneming van de op 31 december 1996 geldende tekst van artikel 5 van het BBAD worden voltooid. Dit biedt het bevoegde gezag de mogelijkheid lopende (her)waarderingen te voltooien zonder dat deze procedure moet worden afgebroken om op basis van het nieuwe normeringsstelsel opnieuw te worden aangevangen.

10. Niet overal zal direct met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit het nieuwe normeringsstelsel kunnen worden gebruikt, omdat in de praktijk veelal rekening moet worden gehouden met een implementatietermijn. Voor zover toepassing van het gewijzigde artikel 5 van het BBAD niet kan plaatsvinden met ingang van 1 januari 1997, zal dit plaatsvinden met ingang van een latere datum, doch uiterlijk twee jaar na die datum. Gedurende die periode kan de vaststelling van de salarisschaal nog plaatsvinden met inachtneming van de op 31 december 1996 geldende tekst van artikel 5 van het BBAD. Een gedurende die periode aangevangen procedure om te komen tot de vaststelling van de salarisschaal kan eveneens met inachtneming van de op 31 december 1996 geldende tekst van het BBAD worden voltooid.

Met de hiervoor genoemde bepalingen heeft verweerder een overgangsperiode gecreëerd waarbinnen nog gebruik kon worden gemaakt van het oude functiewaarderingssysteem. Gelet op punt 10 van de Nota duurde deze periode uiterlijk tot 1 januari 1999. Op die datum moest het nieuwe FUWADEF geheel zijn ingevoerd. Ingevolge artikel 5 (nieuw) van het BBAD dienden, in ieder geval vanaf 1 januari 1999, nog niet vastgestelde functies te worden gewaardeerd aan de hand van het FUWADEF. Dat kan alleen dan anders zijn ingeval van een - hetzij in de periode vóór 1 januari 1997, hetzij in de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 1999 - reeds aangevangen procedure tot vaststelling van de salarisschaal.

Het geding spitst zich derhalve, naar ook ter zitting is gebleken, toe op de vraag of in eisers geval ten tijde hier van belang reeds een procedure als hiervoor bedoeld was aangevangen. Van de aanvang van een dergelijke procedure is de rechtbank niet gebleken. Blijkens de stukken is vóór 1 januari 1999 geen functiewaarderingsonderzoek afgerond, noch is daarmee een begin gemaakt. Ook in de voorlopige vaststelling van de functie kan, anders dan eiser heeft betoogd, geen aanvang als hiervoor bedoeld worden gezien. Een voorlopige vaststelling van een functie impliceert immers niet dat met de definitieve vaststelling ervan een aanvang dient te worden gemaakt. Gezien het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van het FUWADEF.

Eisers grief dat verweerder door de late vaststelling van de functie in strijd met de rechtszekerheid zou hebben gehandeld, leidt evenmin tot een ander oordeel. Blijkens de stukken is eiser met ingang van 1 juni 1996 op zijn huidige functie geplaatst. Zijn functie is daarbij indicatief ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep f, overeenkomend met schaal 11 van het BBAD, zoals dat toen luidde. Verweerder heeft weliswaar erkend dat in beginsel definitieve vaststelling binnen een jaar na plaatsing geschiedt, maar de door verweerder voor de vertraging gegeven verklaring acht de rechtbank alleszins plausibel. Daar komt bij dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het BBAD kent namelijk geen verplichting als door eiser bepleit en eiser heeft op zijn beurt geruime tijd gewacht - tot de brief van 7 november 2000 - met een eerste verzoek tot definitieve vaststelling van zijn functie.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder op goede gronden de keuze voor het systeem van FUWADEF heeft gehandhaafd.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.