Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6860

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
07-06-2005
Zaaknummer
AWB 03/5263 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet op goede gronden is genomen. Ten onrechte is vastgesteld dat zij in de periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 te veel huursubsidie heeft ontvangen. Verweerder is er namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat zij en haar voormalige echtgenoot [voormalige echtgenoot] in de periode hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres [adres] te [woonplaats]. Eiseres heeft dit gemotiveerd bestreden.

Daarnaast is eiseres van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij heeft erop mogen vertrouwen dat op het onderhavige bezwaar reeds was beslist. [...]

De rechtbank stelt vervolgens vast dat aan het thans bestreden besluit dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen als aan het door deze rechtbank vernietigde besluit van dezelfde datum in de hiervoor genoemde procedure van [voormalige echtgenoot]. [...] Het bestreden besluit is derhalve in strijd genomen met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt derhalve ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/5263 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 10 mei 1993, 11 mei 1994 en 18 mei 1995 heeft eiseres aanvragen bij verweerder ingediend ingevolge de Wet individuele huursubsidie (hierna: Wihs).

Bij besluiten van 25 oktober 1993, 23 september 1994 en 11 oktober 1995 is aan eiseres voor de perioden van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994, 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1995 en 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996, huursubsidie toegekend ten bedrage van respectievelijk ƒ 960,00, ƒ 1080,00 en ƒ 1260,00.

Bij afzonderlijke besluiten van 5 juni 1996 heeft verweerder de hiervoor genoemde toekenningsbesluiten herzien, in dier voege dat het recht op huursubsidie over de daarin genoemde perioden is vastgesteld op nihil. Tevens heeft verweerder bepaald dat de over deze tijdvakken uitbetaalde huursubsidie moet worden teruggevorderd dan wel verrekend.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 8 juli 1996 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 december 2003 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 30 december 2003 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 februari 2005 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.P. de Klerk, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Amerongen.

Motivering

Met ingang van 1 juli 1997 is de Wet individuele huursubsidie (verder: de Wihs) ingetrokken. In artikel 55, eerste lid, van de per 1 juli 1997 inwerking getreden Huursubsidiewet is evenwel bepaald dat op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de Wihs de daarop vóór de inwerkingtreding van de Hsw geldende bepalingen van toepassing blijven.

Artikel 22 van de Wihs bepaalt dat in de gevallen, waarin omtrent de verstrekking van de bijdrage is beslist met in aanmerking neming van gegevens, die afwijken van de gegevens, die ingevolge deze wet in aanmerking moeten worden genomen, wordt omtrent verstrekking van een bijdrage niet later nader beslist dan vijf jaren na afloop van het tijdvak, waarvoor de bijdrage is verstrekt. Bij de nadere beslissing worden mede vastgesteld het bedrag dat betrokkene als gevolg van de nadere vaststelling aan de Staat verschuldigd is en de termijn waarbinnen betaling van het verschuldigde bedrag moet hebben plaatsgevonden.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet op goede gronden is genomen. Ten onrechte is vastgesteld dat zij in de periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 te veel huursubsidie heeft ontvangen. Verweerder is er namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat zij en haar voormalige echtgenoot [voormalige echtgenoot] in de periode hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres [adres] te [woonplaats]. Eiseres heeft dit gemotiveerd bestreden.

Daarnaast is eiseres van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij heeft erop mogen vertrouwen dat op het onderhavige bezwaar reeds was beslist. Volgens eiseres vloeide dat voort uit de stukken en de gevoerde correspondentie. Zo werd in het besluit van 8 juli 1999 gesproken over het tijdvak van 1987 tot en met 1996. Daar komt bij dat het teruggevorderde bedrag van ƒ 4.260,00 niet slechts is toe te schrijven aan het tijdvak van 1990 tot en met 1993, daarvoor is het te hoog. Voor zover het er al voor moet worden gehouden dat er nog niet was beslist op het bezwaar van 8 juli 1996, dan zou het voor verweerder, zeker na de uitspraken van de rechtbank van 18 mei 2000 (AWB 99/7299 BESLU) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 februari 2001 (reg. nr. 200003205/1), toch eenvoudig zijn geweest het bezwaar meteen daarna alsnog ongegrond te verklaren. Verweerder heeft echter daarmee zo'n zeven jaar gewacht tot het bestreden besluit van 31 oktober 2003. Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat zij vanwege het bij haar opgewekte vertrouwen geen rechtsmiddel tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft aangewend.

Verweerder is van mening dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder acht de samenwoning van eiseres met haar voormalige echtgenoot in de periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 bewezen. Het rechercheonderzoek heeft opgeleverd dat de water-, energie- en telefoonaansluiting van de woning aan de [adres] te [woonplaats] in de bewuste periode op naam stonden van [voormalige echtgenoot]. Bij afgeluisterde telefoongesprekken in de periode van 19 januari 1996 tot en met 1 maart 1996 bleek [voormalige echtgenoot] steeds aanwezig op het hiervoor genoemde adres en gaf hij bovendien aan "gewoon thuis" te zijn. De inschrijving in de GBA van [voormalige echtgenoot] op het adres [adres] diende slechts ter camouflage. Blijkens de tegenover de politie afgelegde verklaring van de toenmalige coördinator woonwagenzaken stond de woonwagen van [voormalige echtgenoot] leeg. Getuigen van het woonwagenkamp die anders hebben verklaard, acht verweerder niet objectief. De omstandigheid dat de gemeente Zoetermeer geen bijstand van eiseres heeft teruggevorderd, noch de door [betrokkene] afgelegde verklaring is aanleiding voor het innemen van een ander standpunt. Ook de vrijspraak van [voormalige echtgenoot] inzake huursubsidiefraude maakt dit niet anders. Als bijkomend argument voor het aannemen van samenwoning in de periode hier thans in geding, heeft verweerder gewezen op de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling van respectievelijk 18 mei 2000 (AWB 99/7299 BESLU) en 20 februari 2001 (reg. nr. 200003205/1) waarin samenwoning in de periode van 1990 tot en met 1993 bewezen werd geacht.

Verweerder is voorts van mening dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Er kan geen twijfel bestaan dat in hoogste instantie uitsluitend het bezwaar met betrekking tot het tijdvak 1990 tot en met 1993 is afgedaan. Weliswaar bestond er onduidelijkheid over de tijdvakken en de bedragen die in de twee bezwaarprocedures aan de orde waren, maar na de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2000 (AWB 99/7299 BESLU) en van de Afdeling van 20 februari 2001 (reg. nr. 200003205/1) is aan die onduidelijkheid een einde gekomen. Uit beide uitspraken volgt namelijk dat op het bezwaarschrift betreffende het tijdvak 1993 tot en met 1996 nog moest worden beslist. Over de bedragen van de terugvordering kan volgens verweerder evenmin twijfel bestaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit waarbij verweerder de besluiten van 5 juni 1996 tot herziening en terugvordering van de aan eiseres over de periode van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1996 toegekende huursubsidie heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat het bestreden besluit namens verweerder op last van de Directeur-Generaal Wonen is genomen door het Hoofd Unit Correspondentie. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 25 februari 2004 (reg. nr. 200303658/1) de Regeling ondermandaat DGVH, die een met het onderhavige geval overeenkomende mandaatconstructie bevat, onverbindend geacht wegens strijd met het bepaalde in artikel 10:5 van de Awb. Dit leidt ertoe dat de onderliggende mandaatregeling eveneens onverbindend moet worden geacht, zodat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het bestreden besluit kan om die reden dan ook niet in stand blijven, nog afgezien van de vraag of dit ook op inhoudelijke gronden het geval is.

De rechtbank zal derhalve het beroep van eiseres vanwege de hiervoor geconstateerde onbevoegdheid gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet zich echter, gelet op de brief van verweerder van 24 januari 2005, waarin verweerder naast de besluiten van 25 oktober 1993, 23 september 1994 en 11 oktober 1995, het bestreden besluit van 31 oktober 2003 uitdrukkelijk voor zijn rekening heeft genomen, geplaatst voor de vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Partijen houdt onder meer verdeeld of eiseres en haar ex-echtgenoot [voormalige echtgenoot] in de periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres [adres] te [woonplaats].

De rechtbank stelt vast dat deze vraag tevens een rol heeft gespeeld in de door verweerder tegen [voormalige echtgenoot] gevoerde procedure.

In het beroep van [voormalige echtgenoot] dat heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 29 oktober 2002 (AWB 02/327 BESLU) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder te lichtvaardig tot de conclusie is gekomen dat gedurende de gehele periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 van samenwoning (met eiseres) sprake is geweest. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit van 11 december 2001 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd. De rechtbank heeft verweerder tevens opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Tegen de uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze kracht van gewijsde heeft verkregen. Van het nieuw genomen besluit van 31 oktober 2003 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank in haar uitspraak van 8 juli 2004 (AWB 03/5293 BELEI) geconstateerd dat verweerder aan dit besluit dezelfde gegevens ten grondslag heeft gelegd als aan het vernietigde besluit van 11 december 2001. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Daarbij is verweerder wederom opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak is evenmin hoger beroep ingediend, zodat deze eveneens kracht van gewijsde heeft verkregen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat aan het thans bestreden besluit dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen als aan het door deze rechtbank vernietigde besluit van dezelfde datum in de hiervoor genoemde procedure van [voormalige echtgenoot]. Net zoals dat besluit stoelt het thans bestreden besluit mede op de verklaring van de toenmalig coördinator woonwagenzaken van de gemeente Zoetermeer dat standplaats nummer 21, de standplaats van [voormalig echtgenoot], leeg stond. Overeenkomstig de meervoudige kamer van deze rechtbank in voornoemde uitspraak, stelt de rechtbank vast dat deze verklaring ook in onderhavig beroep geen deel uitmaakt van de door verweerder in deze procedure overgelegde stukken. Ook desgevraagd heeft verweerder deze verklaring niet kunnen overleggen. De rechtbank heeft haar oordeel aldus niet op deze verklaring kunnen baseren. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, met inachtneming van de hiervoor genoemde uitspraken in de beroepen van [voormalige echtgenoot], tot het oordeel dat verweerder in dit geval te lichtvaardig tot de conclusie is gekomen dat gedurende de gehele periode van 1 juli 1993 tot 1 juli 1996 sprake is geweest van samenwoning door eiseres en [voormalige echtgenoot] op het adres [adres] te [woonplaats]. Het bestreden besluit is derhalve in strijd genomen met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt derhalve ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat er voor de stelling van eiseres dat zij er op mocht vertrouwen dat op het bezwaar van 8 juli 1996 reeds was beslist geen grond is. De uitspraak van deze rechtbank van 18 mei 2000, noch die van de Afdeling van 20 februari 2001 biedt daarvoor enig aanknopingspunt. Ook uit de inhoud van de overgelegde stukken valt iets dergelijks niet af te leiden. Naar verweerder ter zitting heeft verklaard was het aanvankelijk weliswaar de bedoeling om de beschikking op bezwaar van 8 juli 1999 de gehele periode van 1 juli 1990 tot 1 juli 1996 te laten bestrijken, maar dat is niet gebeurd. Wel is het totale terugvorderingsbedrag van ƒ 4.260,00 in dat besluit opgenomen, maar dit bedrag is in beroep en hoger beroep teruggebracht tot ƒ 2.220,00. Dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank toe te rekenen aan de periode van 1 juli 1990 tot 1 juli 1993. Deze grief van eiseres faalt derhalve.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op EUR 644,00 te weten EUR 322,00 voor het beroepschrift en EUR 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 31 oktober 2003;

3. draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

4. bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten EUR 31,00, vergoedt;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van EUR 644,00, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.