Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6733

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
07-06-2005
Zaaknummer
AWB 05/7034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten / toetsingsvolgorde.

Ten aanzien van de door verweerder gehanteerde toetsingsvolgorde oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De door verweerder gehanteerde werkwijze bij een aanvraag op grond van het staatlozenbeleid, die erop neerkomt dat eerst wordt beoordeeld of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van dat beleid en dat pas als dat zo is vrijstelling wordt verleend van het mvv-vereiste, komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor, mede in aanmerking genomen dat vrijstelling berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Indien de conclusie is dat de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid, maakt verweerder geen gebruik van deze bevoegdheid en geldt ingevolge 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 het mvv-vereiste onverkort. Het komt de voorzieningenrechter voor dat verweerder niet enkel in verband met de aard van de aangevraagde beperking al vrijstelling van het mvv-vereiste hoeft te verlenen. Hij verwijst in dit verband naar de Afdelingsuitspraak 200410518/1 van 18 april 2005, waarin is overwogen dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel voortgezet verblijf, terwijl op dat moment geen sprake was van rechtmatig verblijf, niet met zich meebrengt dat hij niet hoeft te voldoen aan het vereiste dat over een geldige mvv wordt beschikt. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/7034 BEPTDN

Inzake : A, verzoeker, V-nummer 070.202.8665, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

mr. J.P.H. Thissen, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat bij het kantoor van de Landsadvocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [...] 1974 en afkomstig te zijn uit Sri Lanka.

Bij schrijven van 6 oktober 2004 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet kan vertrekken uit Nederland’. Op deze aanvraag is door verweerder op 9 februari 2005 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

2. Bij schrijven van 15 februari 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 april 2005. Verzoeker is niet verschenen. Hij heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In de belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of het bestreden besluit de toetsing aan het geschreven en ongeschreven recht kan doorstaan.

2. Niet in geschil is dat in het voorliggende geval het indienen van het bezwaarschrift op grond van artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, Vw 2000 geen schorsende werking heeft. Voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening is van belang of het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kans van slagen heeft.

3. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Daartoe heeft hij aangevoerd dat deze aanvraag niet op grond van het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) kan worden afgewezen, aangezien het effect van het staatloos zijn nu juist is, dat hij geen mvv kan gaan aanvragen in zijn land van herkomst en voor de vergunning onder de gevraagde beperking geen mvv vereist is. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat, vanwege de problematiek na de tsunami, niemand zou worden teruggestuurd naar Sri Lanka tot 1 maart 2005. De bestreden beschikking is derhalve niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand gekomen daar deze op 9 februari 2005 is geslagen.

Verzoeker heeft ter zitting verwezen naar een (heropenings)uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 25 november 2004 (AWB 04/39659 BEPTDN). Op 28 april 2005 is overigens in deze zaak uitspraak gedaan. Hierbij is overwogen, dat de afwijzingsgrond voor een verblijfsvergunning ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 niet het ontbreken van een mvv (sec) is, maar het ontbreken van een mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd. Het standpunt van verweerder komt er volgens de voorzieningenrechter die deze uitspraak heeft gedaan op neer, dat buiten Nederland een mvv zou moeten worden aangevraagd en verleend met als beoogd verblijfsdoel dat de vreemdeling na zijn inreis in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf omdat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Een dergelijke uitleg wordt in strijd geacht met de tekst en de strekking van voornoemde wettelijke bepaling.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet heeft onderbouwd waarom het voor hem niet mogelijk is een mvv aan te vragen in het land van herkomst. Verweerder heeft overwogen dat niet gebleken is dat een van de vrijstellingsgronden van artikel 17 Vw 2000 of artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van toepassing is en er voorts geen gronden zijn toepassing te geven aan artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 (de hardheidsclausule). Verweerder heeft voorts geconcludeerd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij staatloos is.

5. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat verzoeker niet voor de gevraagde voorziening in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

6. Op grond van paragraaf C2/8.6 van de Vc 2000 wordt de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning als staatloze die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, vrijgesteld van het vereiste dat hij in het bezit dient te zijn van een geldige mvv. Deze vrijstelling berust naar het oordeel van de voorzieningenrechter op artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000, dus op een categoriaal gebruik van de discretionaire bevoegdheid van verweerder en niet op enig specifiek ten aanzien van staatlozen vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Alleen de vreemdeling die aan alle voorwaarden voldoet, komt in aanmerking voor de vrijstelling. Verweerder heeft dan ook bezien of dit voor verzoeker geldt.

7. Ten aanzien van de door verweerder gehanteerde toetsingsvolgorde oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

De door verweerder gehanteerde werkwijze bij een aanvraag op grond van het staatlozenbeleid, die erop neerkomt dat eerst wordt beoordeeld of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van dat beleid en dat pas als dat zo is vrijstelling wordt verleend van het mvv-vereiste, komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor, mede in aanmerking genomen dat vrijstelling berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Indien de conclusie is dat de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid, maakt verweerder geen gebruik van deze bevoegdheid en geldt ingevolge 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 het mvv-vereiste onverkort. Het komt de voorzieningenrechter voor dat verweerder niet enkel in verband met de aard van de aangevraagde beperking al vrijstelling van het mvv-vereiste hoeft te verlenen. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 april 2005, 200410518/1, waarin is overwogen dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel voortgezet verblijf, terwijl op dat moment geen sprake was van rechtmatig verblijf, niet met zich meebrengt dat hij niet hoeft te voldoen aan het vereiste dat over een geldige mvv wordt beschikt.

8. Op grond van het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C2/8.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 dient de staatloze vreemdeling, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid inzake staatlozen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten, zich te wenden tot de vertegenwoordiging van de landen van eerder verblijf. De staatloze komt in aanmerking voor verblijf onder de volgende voorwaarden:

- hij kan aantonen of aannemelijk maken dat hij staatloos is, dat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van een eventuele eerdere nationaliteit en dat hij een eventuele eerdere nationaliteit niet kan herkrijgen; en

- hij heeft een verklaring overgelegd van de vertegenwoordiging van het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats had, waarin is opgenomen dat hij zowel bij vrijwillige als bij onvrijwillige terugkeer geen toegang tot dat land zal verkrijgen; indien er sprake is van meerdere landen waar de staatloze zijn gewone verblijfplaats had, dient de vreemdeling van al deze landen een verklaring te overleggen; en

- hij heeft alle landen waar hij familie in de eerste of tweede graad heeft wonen, om (weder) toegang verzocht; de weigering van deze verzoeken, en de redenen daarvan, moeten zijn neergelegd in verklaringen van de betreffende landen; en

- hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.

9. De voorzieningenrechter stelt met verweerders gemachtigde ter zitting vast dat in casu niet in geschil is dat verzoeker de Srilankaanse nationaliteit heeft. Verweerder heeft uit de standpunten van eiser dan ook mogen afleiden dat verzoeker in feite niet stelt dat hij staatloos is, maar slechts dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

De enkele schriftelijke mededeling van de Srilankaanse ambassade dat verzoeker een aanvraag voor een grensoverschrijdingsdocument heeft ingediend, in combinatie met het uitblijven van een reactie daarop, heeft verweerder niet hoeven leiden tot de conclusie dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij (niet in het bezit zal worden gesteld van zo’n document en dus) geen toegang tot Sri Lanka meer zal verkrijgen. Dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat op 6 januari 2005 een brief zou zijn gestuurd naar de ambassade van Sri Lanka met de vraag of verzoeker in aanmerking komt voor een reisdocument, waarop vooralsnog evenmin een reactie is ontvangen, maakt het vorenstaande niet anders.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht geconcludeerd dat aan de voorwaarden van het staatlozenbeleid niet is voldaan. Dit houdt in, dat verweerder ingevolge zijn beleid geen vrijstelling hoefde te verlenen van het mvv-vereiste.

10. Het feit dat er een vertrekmoratorium gold, houdt niet in dat verweerder geen beslissing op de aanvraag mocht nemen, maar betekent slechts dat er naar de betreffende landen niet werd uitgezet.

11. De voorzieningenrechter acht het bezwaar gelet op het vorenstaand overwogene niet kansrijk en ziet geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

12. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat verweerder heeft gemeend kort na de zitting van 28 april 2005 op het bezwaar te moeten beslissen. Hij acht het dan ook niet aangewezen gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 78 Vw 2000.

13. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. J. Eisses en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2005, in tegenwoordigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: